3e zondag van Pasen – jaar A

A-cyclus · Paastijd · 3e zondag van Pasen · wit

Homilie op de Tweede zondag van Pasen (Jaar A):

Tomas, patroon van ongelovigen of gelovigen? (Jo. 20, 19-31)

Tielt, 27 april 2014

De traditie van de Kerk heeft aan allerlei bevolkingsgroepen een patroonheilige toegekend. Zo is de H. Cecilia de patrones van de muzikanten. Want in haar levensbeschrijving staat in het Latijn te lezen dat ze, tijdens haar bruiloftsfeest, “cantabat Domino cantantibus organis”. Wat vertaald werd als: ze zong ter ere Gods terwijl ze op muziekinstrumenten speelde. Dat “cantare” moet je verstaan als “bidden”. Maar, als je weet dat ze tegen haar goesting trouwde, weet je dat je dat in die context moet vertalen als: op haar bruiloftsfeest trok ze zich terug om te bidden ondanks het feit dat er muziek gespeeld werd. Aan die foutieve vertaling heeft Cecilia haar carrière van patrones van de muzikanten te danken. Iedereen weet dat Sint-Elooi de patroon is van de boeren. Ook ten onrechte, want hij was edelsmid. Alle pogingen om Sint-Isidoor, een echte Spaanse boer, tot patroon van de boeren te maken, zijn mislukt. De H. Magdalena werd patrones van de pottenbakkers, kappers, kapsters en reukwerkmakers omdat ze in het evangelie met een vaas kostbaar reukwerk Jezus’ voeten zalfde. De H. Catharina is de patrones van de wagenmakers omdat ze op een wiel gemarteld werd. De vindingrijkheid kende zelfs geen grenzen: zo ging men bij Sint-Blasius dienen tegen de winden. En zo kun je de hele rei overlopen. Geen enkele categorie mensen, geen enkele levensstaat en geen enkele beroepsgroep hoeft het zonder patroonheilige te stellen. Dat is een stuk folklore die er best mag zijn.

Als we het evangelie van deze zondag goed lezen, hebben zelfs de twijfelende gelovigen een heilige in wie ze zich goed kunnen herkennen: de apostel Tomas. Dat heeft hij te danken aan zijn uitspraak: “Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken, zal ik zeker niet geloven.” Maar bij mijn weten is Tomas door de Kerk nooit officieel als patroon van de twijfelende gelovigen gecanoniseerd. Dat is misschien jammer. Want er zijn op onze dagen nogal wat sceptische en twijfelende christengelovigen, die van Tomas veel zouden kunnen leren. Het is misschien ook jammer voor Tomas zelf, want dat zou hem wellicht afgeholpen hebben van de triestige reputatie die hij nu heeft. De christelijke volksmond heeft hem immers uitgeroepen tot “ongelovige Tomas”. Weeral ten onrechte!

Als we het evangelie van Johannes van dichtbij bekijken, zien we dat Tomas aan ons, gelovigen van de 21e eeuw, grote diensten heeft bewezen. Hij mag best model staan voor de gelovigen van onze tijd. En wel om twee redenen. Hij heeft ons twee buitengewone diensten bewezen.

Op de eerste plaats spreekt Tomas zijn twijfel openhartig uit door te zeggen dat hij eerst wil zien en dan pas wil geloven. Hij herinnert ons eraan dat steeds de bekoring bestaat geloof te verwarren met zekerheid. Geloven is niet zo vanzelfsprekend. Dat was het ook niet voor de apostel Tomas. Speelt ons dat ook geen parten wanneer we kinderen gelovig willen opvoeden? Maken we ons dan ook niet te veel bezorgd over de vraag of ze het wel begrijpen? Zit dan daar meestal niet ons eigen verlangen achter eerst te zien en dan pas te geloven? Het is goed dat wij die neiging in onszelf herkennen. Misschien moeten ook wij eerst door die twijfel van de ongelovige Tomas gaan om uiteindelijk, net als de gelovige Tomas, tot geloofsovergave te komen.

Het andere geschenk van Tomas is dat hij per se zijn handen wilde leggen in de plaats van Jezus’ wonden. Tomas bewijst daarmee dat de verrezen Jezus niet heeft opgehouden mens te zijn. De sporen van de spijkers zijn de sporen van de menselijkheid van God. Tomas behoedt ons ervoor de verrezen Heer te zien en te beleven als een geheel aan de aarde ontheven persoon, naar wie we wel kunnen opkijken en die een grote betekenis heeft voor ons dagelijkse leven.

Die Jezus die ze na Pasen ontmoeten, is dezelfde Jezus als degene die in Bethlehem geboren werd en wiens geboorte de kindermoord van Bethlehem uitlokte.

De Jezus die ze na Pasen ontmoeten, is dezelfde Jezus als degene die blinden, melaatsen en lammen genas, zelfs op de sabbat, tot ergernis van de godsdienstige leiders van het volk.

De Jezus die ze na Pasen ontmoeten, is dezelfde Jezus als degene die het opnam voor de overspelige vrouw, die dreigde te worden gestenigd.

De Jezus die ze na Pasen ontmoeten, is dezelfde Jezus die de tollenaars en andere randfiguren in hun huizen opzocht, tot verbazing van de brave burgers.

De Jezus die ze na Pasen ontmoeten, is dezelfde Jezus als degenen die met de zweep de handelaars uit de tempel, het huis van zijn Vader, wegjoeg.

De Jezus die ze na Pasen ontmoeten, is dezelfde Jezus als degene die tijdens zijn leven een groot impact had op zijn omgeving. Waar Hij voorbijkwam gebeurde altijd iets waarover de enen zich verheugden en waaraan anderen zich ergerden. Waar Hij voorbijkwam werd het licht, zoals wij het zo vaak zingen in onze bijeenkomsten.

Aan Tomas moeten we daarom niet de bijnaam geven van ongelovige. We kunnen hem best uitroepen tot patroon van de eerlijk zoekende gelovigen. Wij, christenen, hangen geen geloof aan dat in de lucht hangt. Neen! Het is gebaseerd op het getuigenis van hen die die Jezus na zijn dood in levende lijve ervaren hebben. Dat levende lijf, met de wonden van de kruisiging, heeft Tomas mogen zien en aanraken. En hij heeft Hem, namens ons, herkend als “mijn Heer en mijn God”.

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt


Homilie op de Derde Paaszondag: Pendelen tussen Jeruzalem en Emmaüs, tussen geloof en ongeloof, tussen hoop en wanhoop (Lc. 24, 13-35)

Tielt, 4 mei 2014

Met een voettocht van 11 Km. voor de boeg, 2 uur gaans van Jeruzalem naar Emmaüs, zijn twee leerlingen onderweg. De één heet Kleopas en van de andere wordt geen naam genoemd. Geef hem of haar maar jouw naam, want je bent zelf ook onderweg. Als mens en zelfs als gelovige hebben we allemaal een hele weg af te leggen.

En wat doen we onderweg? We praten. En we praten dikwijls over onze ontgoochelingen.

Toen je trouwde had je gehoopt dat je je voortaan bestendig geborgen zou weten bij een lieve vrouw of een charmante echtgenoot. Maar soms kan ze zo zagen of is hij zo onverschillig. Je woont wel in een mooi huis, maar de zware afbetaling is een bestendige hypotheek op je gemoedsrust en zelfs een bron van veel wrevel onder elkaar. Je had gedroomd fier te kunnen zijn op knappe en lieve kinderen. Maar één heeft een bijzonder lastig karakter of van in het eerste leerjaar al leek er één minder begaafd. En nu ze afgestudeerd zijn, werken en een vriend of vriendin hebben, wonen ze wel samen, maar geen één die van trouwen spreekt. Of het huwelijk van de ene die getrouwd is, is op de klippen gelopen. Je had gehoopt een kommerloze oude dag te hebben, maar je hoge bloeddruk, het teveel aan cholesterol en je pijnlijke artrose verbieden je zoveel geneugten van het leven… Er zijn veel ontgoochelde mensen.

Ook in de Kerk. Er wordt nogal wat gezaagd onder priesters en gelovigen over wat er in onze heilige stad, de Kerk, is gebeurd. Dat we niet meer beschikken over het vanzelfsprekende geloof van onze jeugdjaren. Dat er nog zo weinig mensen tijdens het weekend naar de kerk komen en dat we nu reeds weten dat het aantal kerkgangers in de toekomst nog kleiner zal worden. Dat je je eigen kinderen en zeker je kleinkinderen niet meer naar de kerk krijgt. Dat wat Rome zegt, soms zo wereldvreemd lijkt. Dat er zoveel onenigheid is onder hen die de Kerk leiden. Het lijkt soms alsof de wereld geen boodschap meer heeft aan het evangelie en dat Jezus dood is. Zelfs priesters en religieuzen ergeren zich soms dood als ze zien dat het heilig vuur van de roeping niet meer brandt bij sommige confraters en medezusters. Sommige vrezen zelfs dat de Kerk in onze Westerse wereld geen toekomst meer heeft. Met de leerlingen op weg van Jeruzalem naar Emmaüs, zeggen ze diep ontgoocheld: “We hadden gehoopt!”, maar die hoop is ijdel gebleken.

Geen wonder dat zoveel mensen het spoor bijster zijn. Geen wonder dat mensen depressief worden of agressief. Geen wonder dat er zoveel verslaafden zijn aan drugs en alcohol. Geen wonder dat er geen week in ons land voorbijgaat zonder gezinsdrama. Geen wonder dat er zoveel zelfmoorden zijn in ons land: elke dag drie. Geen wonder dat mensen vluchten in oppervlakkig plezier of in de mondaine maar veelal inhoudsloze glamour en glitter.

Met dat soort dingen zijn we bezig onderweg.

Als je dat overkomt, is het heel waardevol dat je, zoals die twee leerlingen op weg naar Emmaüs, je verdriet en je ontgoochelingen met elkaar kunt delen en erover kunt praten. Het is van levensbelang als je iemand ontmoet die, net als die vreemdeling in het evangelieverhaal, eerst naar je luistert en dan nieuw licht laat vallen over wat je is overkomen. Heerlijk is het als er mensen zijn in je nabijheid die in het donker licht weten te brengen, die je weer over de streep trekken en je de moed geven om ondanks al je ontgoochelingen toch door te gaan. Zulke mensen halen je uit een put van tranen, uit je graf van verdriet en ze blazen, zo uitgedoofd als je leek, het vuur weer aan.

Dat deed in ieder geval die vreemdeling die met de twee Emmaüsgangers meeging: hij legde hun aan de hand van de Schrift uit dat de dood van Jezus niet het einde was, maar een nieuw begin. Vandaag zou die Jezus ons wellicht vertellen dat het goed is dat de Kerk thans een crisis doormaakt, dat het geloof zijn vanzelfsprekendheid verloren heeft. Crisis is afgeleid van het Griekse woord “krinein”, wat “oordelen” betekent. Elke crisis is daarom nuttig, als ze een groeicrisis is naar nieuw inzicht, een bezinning over de betekenis van het Christendom voor deze wereld. Misschien zou Hij ons nu zeggen dat we geen heimwee moeten hebben naar de tijd dat de Kerk een machtspositie bekleedde in de wereld, dat ze het hoogste en laatste woord had in alles, dat ze meer zekerheden dan zaligheden predikte op alle domeinen van het maatschappelijk en het persoonlijke leven. Die Jezus zou ons thans misschien duidelijk maken dat we ons minder druk hoeven te maken over hoeveel mensen er in de kerk komen dan hoe ze eruit komen: of ze geïnspireerd en gevoed zijn om menslievend te zijn voor elke mens op hun levensweg.

Ik zou mezelf en ook jou toewensen dat wijzelf zo een vreemdeling zouden ontmoeten als we ontgoocheld zijn, wanneer we nood hebben aan begrip, kracht en hoop: een lieve man of vrouw in ons midden en vooral Jezus, die vreemdeling, die niet van deze wereld is, maar die ons steeds liefdevol nabij is en die we, zoals de 2 leerlingen op weg naar Emmaüs, geregeld moeten herkennen en ontmoeten in gebed en eucharistie.

Ik zou je tenslotte ook durven toewensen dat je, net als Jezus, zelf zo een vreemdeling zou zijn die geneest wie ziek is, troost wie verdrietig is, die sterkt waar zwakheid heeft toegeslagen, vrede brengt waar onvrede heerst, recht waar onrecht woekert.

Het zou mooi zijn.

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online