OPENINGSWOORD
Broeders en zusters, wij zijn mensen, die onderweg zijn. Onderweg naar kerk of school, naar het werk of de supermarkt, maar ook en vooral onderweg door het leven. Wij zijn onderweg naar God. Als mensen vragen wat het leven is, zouden wij kunnen zeggen: het leven is een weg. En God is ons einddoel. En voor ons, mensen, die in God geloven, die op Hem vertrouwen, geldt: al zitten er nog zo veel bochten in die weg, nog zo veel heuvels en dalen, wij zullen aankomen!
Wij, christenen, moeten mensen zijn, die het leven serieus opvatten, maar ook mensen, die toch altijd ook de zonnige kant van het leven mogen zien. Wij moeten iets uitstralen. De leerlingen van Emmaüs over wie wij vandaag horen in het evangelie straalden aanvankelijk droefheid uit, teleurstelling. Zij zagen het niet meer zo zitten. Maar door de ontmoeting met de Heer werden zij andere mensen.
Mogen wij in deze heilige Eucharistieviering ook de Heer ontmoeten en herboren worden tot nieuwe mensen.
OPENINGSGEBED
Laat ons bidden. Heer God, door de profeten hebt Gij tot ons gesproken en in Jezus, uw Zoon, is hun woord tot vervulling gebracht. Wij danken U om het levende woord, onze verrezen Heer, en vragen: open onze ogen voor Hem, die met ons door het leven gaat; open onze oren voor Hem, die tot ons spreekt in het evangelie; maak onze geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon … .
PREEK
Afgelopen week fietste ik over de Erasmussingel en daar werd een ongeveer 20-jarige jongen op een scooter achternagezeten door een ongeveer 60-jarige keurig geklede automobilist. Blijkbaar had de jongen iets gedaan wat de automobilist niet zinde en hij werd tegen de stoep klemgereden. De jongen ging achteruit, passeerde de auto, spuwde richting automobilist en ging er in volle vandoor. De automobilist ging toen weer in volle vaart achter die jongen aan. Sommige jonge mensen doen soms een beetje dom. En sommige oudere mensen zijn niet wijzer dan de jongeren. Ik dacht nog: Wat een vechtjassen!
Broeders en zusters, dat de Joodse overheid Jezus Christus niet als Messias heeft herkend, is niet zó vreemd. Hij was geen vechtjas zoals veel andere leiders. die de Joden tot dan toe hadden gekend. Abraham, de vader van het Joodse geloof, heeft dan wel niet veel echte strijd gevoerd, maar ook van hem is bekend, dat hij, toen zijn familieleden door een roversbende gevangen waren genomen, het zwaard ter hand nam en met een schitterende bliksemaanval zijn familie en volksgenoten bevrijdde.
Mozes, de grote leider van het Joodse volk, heeft Israël uit de macht van de Egyptische farao bevrijd. Een volk, dat alleen al 600.000 strijdbare mannen telde, voerde hij weg naar het beloofde land.
Kijken wij naar de tijd van de Rechters. Mannen als Gideon en Simson hebben met het zwaard hun volk bevrijd uit de macht van de vijanden.
En vooral de machtige koning David, die door grote oorlogen Israël bevrijdde en het land tot één natie heeft verenigd.
Is het dan vreemd dat de Joodse overheid verwachtte dat de Messias een man van eenzelfde kaliber zou zijn, liefst nog een beetje sterker!?
Maar als de Joden hun eigen heilige Schrift een beetje beter hadden gelezen, hadden zij kunnen weten dat dè Messias van God een lijdende dienaar zou zijn. Wanneer de leerlingen van Emmaüs hun verdriet en teleurstelling hebben uitgesproken, begint Jezus te zuchten en zegt: “O onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het geloof aan alles wat de profeten hebben gezegd. Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?” En dan begint Hij hen te wijzen op voorspellingen, die de oude profeten over Hem hebben gedaan. Ik heb mij al vaker afgevraagd naar welke teksten Hij nu verwezen zou kunnen hebben, zij staan immers niet genoemd. Ik dacht, laat ik dat nu eens opzoeken.
Jezus sprak tegenover de Emmaüsgangers vast en zeker over het paaslam in het boek Exodus. Het lam, dat de Joden moesten slachten vlak vóór de uittocht uit Egypte. Het moest een mannelijk lam zijn, zoals Christus een man is. Het moest een éénjarig lam zijn, zoals Christus jong is. En het lam moest gaaf van leden zijn, zoals Christus zonder zonde is. Hij is het nieuwe lam, dat zijn Bloed offert voor de redding van de mensen.
Christus sprak met de leerlingen van Emmaüs zeker over de koperen slang, die Mozes in de woestijn op een paal moest plaatsen, nadat de Joden omwille van een opstand tegen God en Mozes door giftige slangen waren gebeten. Zoals de Joden genezen konden worden door naar de slang aan de paal op te kijken, zo kunnen mensen gered worden van de tweede dood door naar Jezus Christus aan het Kruis op te kijken.
Een overduidelijke tekst is wel Jesaja 53:3-5 waar het volgende geschreven staat: “Geminacht en gemeden werd hij door de mensen, man van smarten, met ziekte vertrouwd, een mens die zijn gezicht voor ons verbergt, geminacht en als niet de moeite waard beschouwd. Waarlijk, het waren onze ziekten die hij op zich nam, en onze smarten, die hij heeft gedragen; wij echter beschouwden hem als een geslagene, door God gekastijd en vernederd. Hij werd doorstoken om onze weerspannigheid, om onze zonden gebroken; hij werd gestraft; ons bracht het vrede, en dankzij zijn striemen is er voor ons genezing”. Nu, dit is toch geen tekst, die triomferende aardse koning aankondigen.
Nogmaals, als de Joden beter gelezen hadden, hadden ze kunnen weten, dat ze moesten uitkijken naar een andere Messias, geen strijder, maar Iemand die liever zelf onrecht lijdt. Kennis van het geloof, van de heilige Schrift, is onontbeerlijk, óók voor ons, christenen van deze tijd. Wie kennis heeft, begrijpt beter wat wij allemaal aan God te danken hebben, verstaat beter wat Gods plannen zijn met de wereld en met ons eigen leven. Die voelt beter aan dat God volop aanwezig is in de wereld, die een mengeling is van vreugde en verdriet.
De Emmaüsgangers waren nog vol van hun verdriet, de wanhoop nabij. En toch was het al Pasen. De Heer was die morgen al verrezen. Hij had de dood en de macht van de kwade reeds overwonnen. Maar… zij wisten het nog niet!
Beste medegelovigen, hoe zit het met onze kennis? Wij weten natuurlijk allemaal dat de Heer verrezen is, de kwade heeft overwonnen. Maar passen wij die kennis ook toe in ons dagelijks leven? Houden wij rekening met die kennis in die zin, dat wij weten, dat het kwaad ons nog wel pijn kan doen, maar dat het ons nooit meer definitief in zijn macht zal kunnen krijgen? Beseffen wij, dat de vooruitzichten van gelovige mensen uiteindelijk alleen maar goed kunnen zijn? Dat wij dus alle reden hebben om als blijde en hoopvolle mensen door het leven te gaan?
Zoals bij de Emmaüsgangers de wetenschap dat Jezus verrezen was maar langzaam doorsijpelde, zo is het waarschijnlijk ook bij ons. Laten wij de komende week eens nadenken over wat ons ter neer doet liggen, zoals Jezus in het graf neerlag, en vragen wij dan dat Jezus’ kracht over ons mag komen. Zien wij zijn goddelijk licht schijnen over wat ons zorgen baart of beangstigt. Halen wij Hem erbij, doelbewust. Dan zullen ook wij opstaan.