Zit je soms te slapen?

A-cyclus · Paastijd · 2e zondag van Pasen · wit

Waarom is Tomas er niet bij als Jezus komt? Waar is hij naar toe? Waar zit hij toch, Tomas? Zou dit mogelijk zijn, dat hij er wel is en toch niet. Dat overkomt ons toch ook. Je zit in de kerk maar je gedachten zijn in Afrika. De predikant staat van alles te vertellen en je herinnert je er niets van, want je was er niet bij. Dat kan gebeuren. Het kan toch best zijn, dat op een zondagmorgen een predikant niets voor je heeft, dat hij geen woord heeft waar je mee verder kunt. Je droomt weg met je gedachten, of je zit met een hevig verdriet, een grote zorg en daar ben je mee bezig.

Zou je mogen zeggen: Tomas zat ‘te slapen’ toen de Heer voor de eerste keer kwam? Hij kon Hem niet zien. Hoe komt het eigenlijk dat mensen kunnen slapen als de Heer in hun midden verschijnt? Hoe komt het dat we Hem niet zien? Want wat hier gebeurt in de Schrift dat gebeurt ook in ons.

En je kunt er zo verschillend over spreken! Je kunt zeggen dat Tomas inderdaad een ongelovige was, want hij vroeg om bewijzen. We hadden toch allemaal geleerd dat geloof niet vraagt om bewijzen, maar aanneemt op gezag van de ander.

Een andere invalshoek is dat Tomas juist bij uitstek een gelovige was. Want hij wilde wel geloven in de verrijzenis als hij ook de weg daarheen kon zien. Door lijden en dood heen. Verheerlijking, natuurlijk, maar dan met een gat in je handen en in je voeten van lijden en dood. Dus een gelovige Tomas.

Gelovig of ongelovig?

Misschien helpt de bijnaam van Tomas. Als wij elkaar bijnamen geven dan is dat meestal ter onderscheiding. Want er zijn in ons midden zoveel mensen met dezelfde achternaam. In het evangelie heeft een bijnaam een bijzondere betekenis. Tomas heet ‘Dydimus’ en dat betekent: tweeling. Misschien interessant om te weten, maar dat brengt ons niet verder in de betekenis van het verhaal en dat is toch de bedoeling. Als Tomas hier ‘tweeling’ genoemd wordt betekent dat, dat hij zelf een tweeling is. In hem huizen twee personen: de gelovige en de ongelovige Tomas. Als dat zo is, herken ik mij daar persoonlijk goed in. Want ook in mij huist een gelovige Tomas en een ongelovige. Die twee voeren strijd in mij om hun gelijk. Dat gaat op voor veel dingen. Als het bijvoorbeeld gaat over het geloof in God, die toch deze wereld in handen houdt en ons in zijn handen heeft geschreven. Maar ook als het gaat over leven en dood en over leven nà de dood. Heel bijzonder heb ik het als het gaat over de gemeenschap rond de verrezen Heer. Heeft onze gemeenschap toekomst? Soms wil ik het verschrikkelijk graag geloven en op andere momenten overvalt mij de twijfel.

Ik lees in de eerste lezing over die gemeenschap van christenen. Alles hadden ze gemeenschappelijk, niemand kwam iets te kort. Ze kwamen bij elkaar om met elkaar het brood te breken en samen te bidden. Heeft dat toekomst: samen het brood bre­ken en bidden?

Soms word ik een beetje een ongelovige Tomas en krijg ik mijn twijfels over de toe­komst van onze gemeenschap. Dan denk ik: “Dat moet ik toch eerst zien of dat dat iets wordt. Eerst zien en dan pas kan ik geloven.”

Maar dan zeg ik ook maar wat Jezus tegen Tomas zegt: “Zalig die niet zien en toch geloven.” Mensen die tevreden zijn met een heel klein tikkeltje geloof en met een paar medegelovigen, die dat wat uitdrukkelijker uitspreken en die dan toch vertrou­wen dat die gemeenschap rond de verrezen Heer, onze gemeenschap, toekomst heeft.

Geloof en ongeloof: ze lijken als twee druppels water op elkaar…

Zoeken in Preken Online