Pasen is een feest met een heleboel facetten.
Het is het feest van Jezus’ opstanding uit de dood,
en daarmee een oproep aan ons om zelf op te staan uit de slaap
en in beweging te komen om die Jezus levend te houden in ons midden.
Pasen is ook van oudsher een lentefeest: opnieuw leven na de winter,
en als zodanig ook een oproep aan ons om hoop en vertrouwen te hebben
dat er na schijnbare dood toch weer leven doorbreekt,
dat er na de duisternis toch weer licht komt.
Je kunt ook zeggen: Pasen is het feest van de optimist,
van de mens die ondanks alles toch hoopt op leven,
zinvol leven, bloeiend leven, gelukkig leven.
Een optimist ziet links en rechts positieve dingen
waar anderen alleen maar negatief zijn in hun oordeel.
Een optimist ziet mogelijkheden voor een goede toekomst,
waar anderen het heel somber inzien.
Een optimist is iemand die nog iets van het leven verwacht
waar anderen helemaal geen verwachtingen meer hebben.
Waar anderen zeggen: dit wordt niets, zegt de optimist:
en toch geloof ik dat het beter kan worden.
“En toch”, die twee woordjes getuigen van een positieve kijk op het leven,
van hoop en vertrouwen naar de toekomst toe.
In feite betekent dat vaak dat hij of zij de moed heeft
om tegen de stroom in te gaan en zich niet van zijn stuk laat brengen
door wat soms de meeste mensen in zijn omgeving vinden.
Tegenover deze positieve mensen staan de zogenaamde realisten,
mensen die volgens eigen zeggen met beide voeten op de grond staan,
die zich niet op sleeptouw laten nemen door mooie dromen,
bij wie de wens niet de vader van de gedachte is.
De Thomas uit het evangelie was ook zo’n realist.
Hij wordt vaak de ongelovige Thomas genoemd,
maar die naam is beslist niet terecht.
Maar Thomas is een nuchter iemand die zich niet alles laat wijsmaken.
“Jezus weer levend ontmoeten, dat bestaat niet, daar geloof ik niets van.”
En wie kan hem ongelijk geven dat hij zo denkt.
En toch moest hij toegeven dat hij het mis had.
In zijn geval was dat niet zo moeilijk:
hij werd als het ware met de neus op de feiten gedrukt.
Meestal ligt dat voor ons wel even wat moeilijker.
Voor ons is het niet altijd zo duidelijk als we zouden willen.
Thomas was een gezonde realist
maar je hebt ook realisten die dat in feite niet zijn,
die van zichzelf denken dat ze een realistische kijk op het leven hebben
maar die in werkelijkheid alles door een gekleurde bril bekijken.
Veel zogenaamde realisten hebben de neiging om dingen somber in te zien.
Ze zeggen: het gaat verkeerd in de samenleving.
Ze zeggen: tussen Joden en Palestijnen komt het nooit meer goed.
Er komt weer oorlog, let maar op.
Deze welvaart houden we niet, we moeten een stap terug doen.
En toch, gelovige mensen zullen zeggen:
je lijkt wel gelijk te hebben, en toch blijven we geloven
dat dingen toch ten goede kunnen keren
ook al zien wij op dit moment helemaal niet hoe dat wel zou kunnen.
De realisten zien dat allemaal als zinloos dromen
over dingen die in hun ogen onmogelijk waren.
Ze zien het als een vorm van jezelf moed inspreken
die niet gebaseerd is op de werkelijkheid van het leven.
En soms hebben ze natuurlijk wel eens gelijk.
Optimisten kunnen soms heel zweverig zijn en dat is niet erg realistisch
en dan krijg je gemakkelijk een vals optimisme.
En echt optimistische kijk op het leven zal altijd vertaald moeten worden
in een eigen concrete bijdrage aan de invulling van de droom.
Het moet zichtbaar worden in daadwerkelijke inzet om idealen waar te maken.
Iets ervan horen we in de eerste lezing
die ons de haast ideale gemeenschap van de eerste christenen beschrijft,
haast te mooi om waar te zijn, en dat was het in feite ook,
want dat ideaal was niet lang vol te houden.
En toch, dat ideaal blijft een ideaal ook voor ons.
Alleen als wij samen met elkaar iets van dat ideaal waar maken
alleen dan hebben we ook recht om hoop te hebben op een betere wereld,
op een wereld die Jezus voor ogen had, een wereld die echte vrede kent.
Dat ideaal is wezenlijk aan ons Paasgeloof.