2e zondag in de paastijd A (1999)

A-cyclus · Paastijd · 2e zondag van Pasen · wit

Toen er midden in de nacht brand uitbrak in het huis van de familie van Paassen, wist iedereen heelhuids het huis uit de komen, behalve het 8 jarige zoontje dat nog op zijn zolderkamertje zat. Hij stond voor het raam en riep in paniek om zijn vader. Die schreeuwde naar boven: “Springen, Johnny, springen!”. Maar het kind riep angstig terug: “ik durf niet, pap, ik zie je niet!” Maar zijn vader riep: “Ik zie jou wel spring maar, dan vang ik jou op!” De jongen maakte de sprong in het duister, recht in de sterke armen van zijn vader.
Geloven dat is ook steeds zo’n sprong in het duister. Niet zien en toch geloven hoorden we in het evangelie, maar wat is echt geloven eigenlijk?
Als we tegen iemand zeggen: Ik geloof je, dan betekent dat: ik neem jouw woorden voor waar aan. Deze vorm van geloven is in onze tijd al moeilijk genoeg, want helaas kun je niet iedereen zomaar op zijn woorden geloven.
Als ik tegen iemand zeggen: ik geloof in jou, dan gaat dat veel verder dan het aanvaarden van woorden. In iemand geloven is: je vertrouwen schenken aan heel die mens, met hem of haar in zee willen gaan, durven gaan, ook als je niet weet waar je uit komt, ook als je zelf niet helder zien kunt waar het naartoe moet, maar je doet het omdat je die ander vertrouwt.
Dit geloven in iemand is nog veel moeilijker dan een ander op zijn woorden geloven. Het vraagt dat je die ander goed kent, en zelfs: dat je van hem houdt. In een vreemde kun je niet echt geloven, dan kun je alleen in iemand die veel voor je betekent, zoals kinderen geloven in hun ouders, of zoals, als het goed is tenminste, ouders geloven in hun kinderen, of zoals goede vrienden geloven in elkaar.
In mensen geloven dat is al een hele grote opgave, die helaas vaak te moeilijk blijkt te zijn, maar het is nog een veel moeilijker opgave als het gaat om geloven in God, en geloven in Jezus Christus. Hier is het echt: niet zien en toch geloven. Ook hier geldt: om te geloven in God, in Jezus Christus, moet je hen kennen, moet je een vertrouwensband met hen hebben. En hier ligt een probleem omdat ons kennen zo beperkt is.
We zeggen wel vaak: ik geloof in God de almachtige Vader, ik geloof in Jezus Christus zijn enige zoon, maar wat betekenen die woorden precies. Een formule opzeggen is gemakkelijk genoeg, maar dat is nog geen geloven. Ook al kennen we de 12 artikelen van het geloof van buiten, ook al weten we een heleboel geloofswaarheden, daarmee alleen zijn we nog lang niet toe aan echt kennen, aan echt geloven.
De Tomas uit het evangelie van vandaag geloofde echt niet zomaar wat men hem vertelde over de gestorven Jezus die weer gezien zou zijn, daar was hij veel te nuchter voor. Maar toen hij met eigen ogen zag, kwam hij wel tot geloven. Maar: zalig zij die niet zien en toch geloven. Dat mag zo zijn, dat maakt het er niet gemakkelijker op. Ook een gelovige moet kritische zijn en blijven en echt niet zomaar aannemen wat hem verteld wordt, En bij geloven mag/moet ook ruimte zijn voor twijfel. Iemand die nooit zijn twijfels heeft, kan geen echte gelovige zijn. Iemand die nooit eens vragen heeft waar hij of zij zelf geen antwoord op heeft, en waar anderen ook geen antwoord op kunnen geven, die kan ook niet echt geloven, ook al denkt hij of zij dat wel.
Je komt, met name bij sterk behoudende geloven wel eens mensen tegen die absoluut zeker zijn van hun zaak, die alles precies tot in details weten, of althans menen te weten. Ze kunnen je precies vertellen hoe God het allemaal bedoeld heeft, wat Jezus’ leer van ons vraagt, tot in de kleinste details, en vanuit hun zelfverzekerdheid veroordelen ze ieder ander die niet precies beantwoord aan hun ideeën.
Twijfels durven hebben is misschien het moeilijkste deel van geloven, Maar wie geen vragen heeft, die zoekt niet, en wie niet zoekt die vindt niet, die vindt geen God om in te geloven, geen Jezus na te volgen.

Zoeken in Preken Online