Dag iedereen,
in bijlage kunnen jullie het ‘Volgblaadje zeven’ vinden van de Mozescyclus voor de gedetineerden in de gevangenis PCB Brugge. Dit zal pas een week na Pasen bij de gedetineerden arriveren, maar er zit toch een duidelijke paasklank in, denk ik…
Daarmee is de cyclus voltooid. Door de lockdown vanwege de Corona-crisis, heeft het hele opzet een wat andere wending gekregen. Er waren slechts twee vieringen waarin deel 1 en 2 aan bod kwamen – de rest is als ‘volgblaadje’ op papier rondgedeeld aan de geïnteresseerde gedetineerden (waarvan sommigen er zeer sterk op gereageerd hebben op papier) – en alles werd ook doorgestuurd aan een aantal mensen van ‘buiten’ de gevangenis, die er per brief over in gesprek en dialoog gegaan zijn met mensen van ‘binnen’.
Misschien zijn er onder jullie die de hele ‘collectie’ proberen bij te houden voor – wie weet – later gebruik hier of daar. Misschien beschouw je het louter als persoonlijk bezinningsmateriaal, of gewoon als wat ‘tijdpasseringe’… Zie maar – als het maar ergens van dienst kan zijn.
Met nog een late ‘En toch-Paaswens’, en hartelijke groet. ‘We blijven - zeker in corona-tijden - meer dan ooit investeren in verbondenheid!’
geert dedecker
vrijwilliger-aalmoezenier in PCB Brugge
P.S. ik stuur ook nog even een tekst mee van Thomas Halik uit Trouw (Nederland), die ik bijzonder actueel en de moeite waard vind. Van het sterkste en meest uitdagende wat ik de laatste weken omtrent ‘Kerk-zijn’ in en na de corona-crisis gelezen en gehoord heb. Er zitten ook duidelijke linken in naar het evangelie van komende zondag – Beloken Pasen…
VII.

Je moet altijd blijven verlangen naar het Land achter de horizon, Mozes!
Met de hand boven je ogen in de verte blijven turen.
Je dromen koesteren en leven van de hoop, desnoods tegen beter weten in.
we lezen het zevende deel uit de mozescyclus
Toen verliet Mozes de vlakte van Moab en hij beklom de Nebo, tegenover Jericho. Daar liet de HEER hem het hele land zien: het hele gebied van Gilead tot aan Dan, Naftali, het gebied van Efraïm en Manasse, heel Juda tot aan de zee in het westen, de Negev, de Jordaanvallei en de vlakte bij de palmstad Jericho, tot aan Soar.
De HEER zei tegen hem: ‘Dit is het land waarvan ik aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd dat ik het aan hun nakomelingen zou geven. Ik laat het je nu zien, maar erheen oversteken zal je niet.’
Zo stierf Mozes, de dienaar van de HEER, daar in Moab, zoals de HEER gezegd had. En de HEER begroef hem in een vallei in Moab, tegenover Bet-Peor. Tot op de dag van vandaag weet niemand waar zijn graf is. Honderd twintig jaar oud was Mozes toen hij stierf. Tot het laatste toe waren zijn krachten niet afgenomen en zijn ogen niet verzwakt…
Deuteronomium 34, 1-7
ter overweging
In het boek Deuteronomium lezen we hoe Mozes aan het eind van zijn levensweg voor het laatst de berg Nebo op klimt. Zijn leven ging voorbij in geploeter achter de hoop en het verlangen van zijn hart aan. Hij ging er voor door woestijnen, door diepe dalen en over hoge bergen. Maar achter elke horizon was er altijd weer een nieuwe woestijn waar hij met zijn volk doorheen moest. Met zijn hand boven zijn ogen tuurt Mozes nu in de verte. Hij ziet het dal met de palmenstad Jericho, de groene valleien, de glinsterende streep van de Jordaan…
En hij denkt terug aan de verkenners die hij ooit naar het Beloofde Land had uitgestuurd, en die terugkwamen met een grote druiventros – zo zwaar dat ze hem aan een stok met zijn tweeën moesten dragen. Maar hij herinnert zich ook hoe er toen tien van die verkenners waren die heel negatieve berichten verspreidden onder het volk, over reuzen van mensen en metersdikke muren – en dat het ondenkbaar en onhaalbaar was om ooit in dat Land van Belofte binnen te komen. En hoe hij zich toen razend kwaad gemaakt heeft omwille van zoveel negatieve en verzuurde nieuwsberichten – hij kon het niet verdragen, want hij werd er zo triestig van… (Numeri 13).
‘Is dat het Land, Heer?’ Het is alsof de Eeuwige naast hem staat. Samen kijken ze in de toekomst. Zijn staf valt uit zijn hand. Het uitzicht vervaagt. Er blijft alleen de heldere lichtflits van even nog een heel hevig verlangen. En tegelijk nestelt zich meteen weer die oude twijfel in zijn hart. En al stervende fluistert hij nog: ‘Misschien, wie weet. O mochten mijn kinderen ooit dat Land kunnen binnengaan. Of mijn kleinkinderen, misschien. Wie weet, wie weet. We zullen wel zien…’ God laat Mozes, voordat hij sterft, het Land van Belofte zien, zoals zovelen na hem het zullen zien: enkel als verlangen.
Het Beloofde Land blijft ook voor ons vandaag altijd een landschap in de verte. Het is een droom, een visioen waar we niet zonder kunnen, een perspectief, een richting om te volgen, een ongebroken flits van Licht. Het is de hoop die ons gaande houdt. Hoop is: dat je nog niet ziet, en toch blijft geloven…
De legende zegt dat Mozes gestorven is met een kus van God op de mond. Niemand kent de plaats van zijn laatste rustplaats. Zijn graf is geen tempel of museum geworden, geen Sint Pieter in Rome en geen Arc de Triomphe in Parijs. De plaats waar Mozes rust is overal en nergens. Die plaats is enkel in onszelf, op die geheime plek in ons hart en onze herinnering, daar waar ons eigen diepste verlangen woont. Want:
In elke vrouw – in elke man
zit een verlangen groot of klein
om in dit leven als het kan
één keer gewichtloos vrij te zijn.
Vrij van verdriet en niet meer bang
niet meer alleen en vrij van toen
omarmd door oeverloos geluk
in staat iets kolossaals te doen.
In elke vrouw – in elke man
zit een verlangen diep verstopt
om in dit leven – als het kan
één keer te voelen dat het klopt.
Als je dat één keer hebt gevoeld
en je dus weet dat het bestaat,
dan moet je tot je laatste snik
onthouden dat het daar om gaat.
Paul van Vliet – Theatershow, 1992/1994.
Kort voor hij gestorven is zei Jan Nieuwenhuis in de Dominicus Amsterdam op 6 januari 2019:
‘Ik heb de ervaring dat je als je ouder wordt, je sommige dingen zeker weet. Waar je voorheen over twijfelde, is iets wat je nu geschonken wordt: stelligheid, vastheid, zo is het. Niemand maakt mij meer iets anders wijs. Ik weet zeker dat ik er niet voor niets ben. Dat er in en achter en boven en onder mij een kracht is, een stem, een impuls, een hand die mij begeleidt en roept en mij, dat geloof ik vast, opvangt als de dag gekomen is.
Ik wil noch kan iemand van u verplichten om hetzelfde te geloven. Maar ik weet dat ik niet alleen ben en dat er iemand is die me vasthoudt, een engel die me troost, ik zou niets zijn zonder die metgezel.
Wanneer de kalender je toefluistert dat je binnenkort 95 wordt, dan kan ik niet anders dan de hoop bewaren dat leven groter is dan doodgaan. En dat verandering en ontluistering ook iets zijn van een schepping. Dat ouderdom ook iets heeft van een visioen. En dat er meer is tussen hemel en aarde dan je ooit hebt kunnen beleven.
Ik weet niets over God, ook nu niet, hier en nu. Maar Hij of Zij, wat maakt het uit, laat mij niet los. Geen mens kan mij wijsmaken dat het niet zo is. Is dat misschien de grote genade van de ouderdom? Dat je iets, maar niet veel, zeker weet. En dat geen mens het van je af kan nemen. Dat je er desnoods, als het dan niet anders kan, mee dood kunt gaan. Amen. Dat wil zeggen: het is goed zo.’
enkele vraagjes ter persoonlijke overweging
(misschien kan je hierover even met je celgeno(o)te in gesprek gaan)
Zijn er momenten, gebeurtenissen… in jouw leven waarvan je zegt: ‘Dat was ‘zalig’, zo was het goed, het was precies alsof ik eventjes al mijn dromen uit zag komen…’ Vertel eens?
Welk verlangen, welke verwachting of hoop ben je kwijt gespeeld, vergeten of verloren onderweg – iets waar je vroeger van leefde, iets waar je deugd van had, iets dat je warm maakte van binnen, iets wat je blij maakte en in beweging bracht..? En hoe komt het dat dit verlangen nu verdwenen is..?
Heb je het gevoel dat al jouw dromen en hopen, jouw inzet en werken voor een ander en beter leven voor jezelf of jouw kinderen… iets opgeleverd heeft? Kan je een paar zaken opsommen die jou doen zeggen: ‘Ik heb misschien toch niet voor niets geleefd…’?
Vul aan: ‘Ik zou zo graag nog willen meemaken dat…’ En geef wat uitleg. Waar verlang je (nog) naar? Wat geeft jou hoop – wat doet je vertrouwen ‘dat alles ooit goed komt…’?
een verhaal – een anekdote – over een lepeltje melk en een lepeltje honing…
Een paar jaar geleden, zondagvoormiddag, rond de klok van 10.00 h. Ik wil kijken naar de televisiemis vanuit de omroepparochie in Nederland. De omroepster kondigt aan dat de uitzending rechtstreeks gaat, en dat er deze keer iets bijzonders zal gebeuren: er wordt in de viering een klein kindje gedoopt. Uit pure beroepsmisvorming schuif ik mijn stoel nog wat dichter bij, want ik wil wel eens zien hoe ze dat in Nederland aanpakken – misschien steek ik er nog wat van op…
De uitzending gaat dus rechtstreeks. We zijn nog niet goed op antenne, of we horen al hoe de dopeling van zodra hij in de kerk wordt binnengebracht, begint te huilen dat horen en zien vergaat. Last van de camera’s? Te warm vanwege de extra-belichting? Stress bij het eerste openbaar optreden? Of gewoon krampjes in de buik? Wie zal het zeggen..?
In elk geval, het koor moet moeite doen om boven al dat gekrijs uit te komen. De voorganger doet zijn best om goed te preken, maar ik heb de indruk dat hij een paar stukken overslaat, omdat hij gaandeweg aan stem verliest en nauwelijks weerklank vindt bij het publiek, vanwege het oeverloos verdriet bij de kleine knaap waarvan iedereen weet dat hij dan nog na de preek in het kille doopwater moet worden ondergedompeld.
En dan is het zo ver. Zoals te verwachten viel, wordt het gespartel en gesnik nog heviger, wanneer het gewijde geestelijk nat tot drie keer toe over het kleine hoofdje wordt uitgegoten. Maar dan gebeurt er iets wat ik nog nooit had gezien. Op het kleine tafeltje vlak bij de doopvont heeft de priester een kruikje melk en een potje honing klaar gezet. En hij dient onmiddellijk na het gieten van het doopwater aan het nog steeds onrustige jongetje een lepeltje daarvan toe ‘…om hem zo vroeg mogelijk de smaak te leren kennen van het land van melk en honing.’ En, zegt hij erbij: ‘Wij weten maar al te goed dat dit kleine kind deze smaak wellicht snel weer zal vergeten. Maar wij hopen stiekem dat het later, als de pijn en de onmacht en de ontgoocheling de kop op steken in zijn leven, omdat de weg zo lang is en het water soms zo diep, - dat hij zich dan misschien ineens weer de smaak zal herinneren van deze zoetigheid, en weer zal verlangen naar het land van melk en honing waarvan hij nu een eerste keer iets heeft geproefd…’
We hebben vanaf dat moment het kindje niet meer gehoord. Je moet ook in onze ‘stiel’ nu en dan wat geluk hebben, natuurlijk. Af en toe kregen we een close-up te zien van een vredig roze snoetje, oogjes dicht en snaveltje toe, een pas gedoopt mensenkind dat zichtbaar in dromenland verkeerde, en de smaak van het verlangen duidelijk te pakken had…
Ik vond het een prachtig ritueel en een schitterende duiding erbij. En sedertdien heb ik het zelf ook regelmatig toegepast bij een krijsende dopeling. En… bijna iedere keer lukt het wel. Of toch minstens voor een paar minuutjes! (geert dedecker)
tot slot: geloven is vasthouden aan de hoop dat er telkens iets nieuws kan groeien…
LEVEN IN GELOOF - Loed Loosen
Leven in geloof is wat anders dan altijd
opgetogen zijn.
Vaak is het vooral: toch maar doorgaan,
ook als je weinig resultaten ziet.
Het uithouden met jezelf en met elkaar,
ook als je veel ziet mislukken
toch doorgaan
ondanks alles wat verdrietig maakt.
Trouw blijven
aan wat ons werd toevertrouwd.
Je ziel niet laten verbitteren,
maar het goede in elkaar behoeden.
Onze teleurstellingen niet koesteren,
maar het uithouden in geduld,
als een wachter in de nacht,
die de onbegrijpelijkheid van wat
gebeurt doorstaat, ook het
onbegrijpelijke van God.
Vasthouden aan de hoop
dat er telkens iets nieuws kan groeien.
En dat mens-zijn toch mogelijk is.
Vasthouden aan het geloof
dat op deze vreemde aarde
zoiets ongehoords als liefhebben
toch gebeuren kan.
En de verwondering gaande houden.

JAN DRIES – ‘Tussen beiden’ - aan de ingang/uitgang van het Penitentiair Complex, Brugge
‘Ik heb het zelf meegemaakt met dat project in de gevangenis. Gasten die nog nooit ergens om waren geprezen zag ik voor mijn ogen een halve meter groeien, door de oprechte complimenten die ze kregen tijdens een repetitie, door het applaus van al die vreemden die kwamen kijken naar de voorstelling. Misschien is dat het mooiste wat we voor mekaar kunnen doen: mekaar zien. Echt en helemaal. Voor wie we zijn. Voor al wat mooi is en al wat lelijk is….’
Fragment uit de toespraak van Griet Op de Beeck op de opening van de tentoonstelling ONGEZIEN - een expo die in 2013 de resultaten van de beeldende-kunstenateliers in de Vlaamse en Brusselse gevangenissen naar buiten bracht.
EssayTomáš Halík
De coronacrisis is hét moment voor de kerk om te veranderen
Door de coronacrisis was de Jesus de Medinaceli-kerk in Madrid op Palmzondag leeg, op deze priester na.Beeld AP

De kerken zijn leeg in deze coronacrisis. En dat staat symbool voor de leegte in de kerk, stelt de Tsjechische priester en internationaal vermaarde hoogleraar Tomáš Halík. Christenen zouden deze tijd moeten aangrijpen voor een radicale verandering van kerk en christendom, betoogt hij.
– Trouw - 8 april 2020
Onze wereld is ziek. Daarmee doel ik niet alleen op de corona-pandemie, maar ook op de staat van onze beschaving, die zich in dit mondiale fenomeen laat zien. In bijbelse termen: een teken des tijds.
Bij de aanvang van deze ongewone vastentijd, dachten velen van ons dat de epidemie een kortdurende black-out teweeg zou brengen, een tijdelijke ineenstorting van het gebruikelijke maatschappelijk functioneren. Een ineenstorting die we uit zouden zitten, en waarna de dingen snel weer terug zouden keren naar het normale. Dat zal niet gebeuren. En al zouden we het proberen, het zou niet goed uitpakken. Na deze mondiale ervaring zal de wereld niet meer hetzelfde zijn als voorheen. En dat zou ook niet zo moeten zijn.
Natuurlijk gaat de eerste zorg in deze crisis uit naar de materiële benodigdheden om te kunnen overleven. Maar ‘men leeft niet bij brood alleen’. Het is tijd om de diepgaandere implicaties van de klap die onze wereld hier heeft opgelopen te onderzoeken. Het onvermijdelijke proces van mondialisering lijkt zijn top te hebben bereikt: de kwetsbaarheid van een mondiale wereld is duidelijk zichtbaar.
Welke uitdaging brengt deze situatie mee voor het christendom, de kerk – één van de eerste ‘mondiale spelers’ – en voor de theologie?
‘De kerk kan een immuunsysteem creëren tegen de kwaadaardige virussen van angst en populisme’
De kerk zou, zoals paus Franciscus bepleit, een veldhospitaal moeten zijn. De paus bedoelt hier mee te zeggen dat de kerk niet geïsoleerd moet blijven van de wereld, maar buiten zijn grenzen moet treden. Ze zou hulp moeten bieden aan mensen die fysiek, mentaal, sociaal en spiritueel getroffen zijn. Daarmee kan de kerk boete doen voor de verwondingen die door haar eigen vertegenwoordigers aan de meest weerlozen zijn toegebracht. Maar laten we ook proberen dieper over deze metafoor na te denken – zodat we haar in de praktijk kunnen brengen.
Als de kerk als veldhospitaal moet functioneren, dan moet het natuurlijk gezondheidszorg, sociale en liefdadige zorg bieden, zoals de kerk dat ook vanaf het begin van haar geschiedenis geboden heeft. Maar om een goed hospitaal te zijn, moet de kerk ook andere taken vervullen. Ze heeft ook een diagnosticerende rol te vervullen (het wijzen op ‘de tekenen van de tijd’), een preventieve rol (het creëren van een ‘immuunsysteem’ in een maatschappij waarin de kwaadaardige virussen van angst, haat, populisme en nationalisme wijdverbreid zijn) en een herstellende rol (het helpen verwerken van trauma’s door middel van vergeving.)

De Saint Francois-Xavier-kerk in Parijs was afgelopen zondag tijdens de viering van Palmpasen vrijwel leeg.Beeld AFP
De Notre-Dame in Parijs brandde vorig jaar vlak voor Pasen af. Dit jaar zijn er tijdens de vastenperiode in zowel honderdduizenden kerken op meerdere continenten, als in synagogen en moskeeën geen diensten. Als priester en theoloog zie ik in deze lege en gesloten kerken een teken en een uitdaging van God.
De taal van God begrijpen – zoals die zichtbaar wordt in de gebeurtenissen in onze wereld – vraagt om de (kunst van de) onderscheiding der geesten. Daarvoor moeten we onze eigen hoogopgelopen emoties en vooroordelen ontkoppelen van de manier waarop wij onze angsten en verlangens projecteren. ‘De slapende agenten van een kwaadaardige en wraakzuchtige God’ zaaien angst in tijden van rampen, en oogsten daaruit ‘religieus kapitaal’ voor eigen gewin. Hun visie op God is al eeuwen koren op de molen van het atheïsme.
In tijden van rampen zie ik God niet als een slechtgeluimde regisseur die zich comfortabel in de coulissen heeft teruggetrokken terwijl de gebeurtenissen in de wereld zich voltrekken. In plaats daarvan zie ik Hem als een bron van kracht, die zichtbaar wordt in mensen die solidariteit en opofferingsgezindheid tonen – ook in hen die geen ‘religieuze motivatie’ voor hun acties hebben. God is nederige en discrete liefde.
Waarschuwend visioen
Maar ik kan het niet helpen om me af te vragen of deze tijd van lege en gesloten kerken, niet een soort waarschuwend visioen is van wat ons in de nabije toekomst te wachten staat: dit is hoe het er over enkele jaren in een groot deel van onze wereld uit zou kunnen zien. Zijn we niet al genoeg gewaarschuwd door de ontwikkelingen in vele landen, waar steeds meer kerken, kloosters en seminaries leeg lopen en sluiten? Waarom hebben we deze ontwikkelingen zo lang toegeschreven aan externe invloeden (de ‘seculiere tsunami’), in plaats van ons te realiseren dat er opnieuw een hoofdstuk uit de geschiedenis van het christendom ten einde aan het komen is, en het tijd is ons voor te bereiden op een nieuwe?
Misschien staan de lege kerkgebouwen wel symbool voor de leegte in de kerken. Als de kerk geen serieuze poging waagt om de wereld een compleet ander gezicht van het christendom te laten zien, zal leegte de toekomst van de kerk zijn. We hebben ons te veel bezig gehouden met het bekeren van ‘de wereld’, en minder met het bekeren van onszelf. Dat bekeren betekent niet simpelweg ‘onszelf verbeteren’, maar een radicale verandering van een statisch ‘christen zijn’ in een dynamisch ‘christen worden’.
Toen de middeleeuwse kerk scheutig gebruikmaakte van strafmaatregelen, waardoor kerkdiensten niet plaatsvonden en sacramenten niet werden toegediend, zorgde dat ervoor dat gelovigen in toenemende mate een persoonlijke relatie met God begonnen te zoeken, een ‘naakt geloof’. Lekenbroederschappen en het mysticisme verbreidden zich. Deze opleving van de mystiek heeft de weg vrijgemaakt voor de Reformatie – niet alleen die van Luther en Calvijn, maar ook de katholieke reformatie die verbonden is met de Jezuïeten en de Spaanse mystiek. Wellicht kan ook nu de herontdekking van de contemplatie de wegen naar nieuwe hervormingen vrijmaken.
‘De ommezwaai naar ‘virtuele vroomheid’, knielen voor een beeldscherm, heeft iets vreemds’
Misschien zouden we de huidige onthouding van kerkelijke vieringen en het functioneren van de kerk, als ‘kairos’ moeten zien: een kans om tot stilstand te komen en tot een diepgaande reflectie vóór God en met God. Ik ben er zeker van dat de tijd gekomen is om te ontdekken hoe we het pad van de hervorming verder kunnen bewandelen. Dat betekent niet dat we moeten proberen terug te keren naar een wereld die niet meer bestaat, of dat we ons vertrouwen stellen op hervormingen in de structuur van de kerk. Het betekent: een wending naar het hart van het evangelie, de diepte in.
Tomáš Halík in 2014Beeld AFP

Ik vind het geen goede oplossing dat we ons – in deze tijd waarin openbare vieringen verboden zijn – behelpen met kunstmatige vervanging in de vorm van online uitzendingen van die vieringen. De ommezwaai naar die ‘virtuele vroomheid’, ‘communie-op-afstand’ en knielen voor een beeldscherm heeft iets vreemds. Misschien zouden we in plaats daarvan juist de waarheid van Jezus’ woorden moeten testen: ‘Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn ben ik in hun midden’. En laten we niet vergeten dat de kerk de eeuwen door op veel plekken heeft overleefd zonder geestelijken.
Ik ben ervan overtuigd dat onze christelijke gemeenschappen, parochies, congregaties, bewegingen en kloostergemeenschappen, zouden moeten proberen dichterbij het ideaal te komen waar ook de Europese universiteiten uit voort zijn gekomen: een gemeenschap van leerlingen en leraren, een school van wijsheid, waarbinnen de waarheid wordt gezocht middels vrij debat en diepgaande contemplatie. Zulke eilanden van spiritualiteit en dialoog zouden de bron van een genezende kracht kunnen zijn in een zieke wereld. Op de dag voor zijn pauselijke verkiezing citeerde kardinaal Bergoglio een passage uit het bijbelboek Openbaring, waarin Jezus voor de deur staat en aanklopt. Bergoglio zei: vandaag klopt Christus van binnenuit de kerk en wil hij naar buiten treden. Wellicht is dat wat hij zojuist gedaan heeft.
Jarenlang heb ik nagedacht over Friedrich Nietzsche’s welbekende verhaal van ‘de dolle mens’ (de dolle aan wie het als enige is toegestaan de waarheid te spreken), die ‘de dood van God’ verkondigt. Het verhaal eindigt met de dolle die naar de kerk komt om daar ‘Requiem aeternam deo’ te zingen en te vragen: “Wat zijn deze kerken nu eigenlijk nog, als ze niet de tombes en graven van God zijn?” Ik moet toegeven dat de kerk ook voor mij lange tijd leek op een op kille tombe van een dode God.
Onze kerken zullen dit jaar met Pasen leeg zijn. We zullen de passages uit het evangelie over het lege graf elders lezen. Als de leegte van de kerkgebouwen ons doet denken aan de lege tombe, laat ons dan niet de stem van boven negeren: ‘Hij is niet hier. Hij is opgestaan. Hij is voor jullie uit gegaan naar Galilea.’
Misschien moeten wij ons juist in deze vreemde Paastijd de vraag stellen: Waar bevindt zich het hedendaagse Galilea, waar kunnen we de levende Christus ontmoeten?
Apatheïsten
Sociologisch onderzoek laat zien dat in onze wereld het aantal ‘blijvers’ (zowel zij die zich blijvend met de traditionele religie identificeren, als zij die zich blijvend thuisvoelen bij een dogmatisch atheïsme) afneemt, terwijl het aantal ‘zoekers’ toeneemt. Daarnaast stijgt ook het aantal ‘apatheïsten’ - mensen aan wie religieuze vragen en de traditionele reacties daarop voorbijgaan.
Het grootste onderscheid bestaat niet langer tussen hen die zich als gelovers, en hen die zich als niet-gelovers beschouwen. De zoekers bevinden zich zowel onder de gelovigen (diegenen voor wie geloven niet een ‘nalatenschap’ is, maar een weg) als onder de niet-gelovigen (zij die veel bestaande religieuze voorstellingen afwijzen, maar desalniettemin toch een verlangen hebben naar een bron die hun dorst naar zin kan lessen).
Ik ben ervan overtuigd dat het ‘hedendaagse Galilea’, waar we naartoe moeten om de God te zoeken, die door de dood is heengegaan, de wereld van de zoekers is.
De bevrijdingstheologie leerde ons om Christus te zoeken tussen de mensen aan de rand van de samenleving. Maar we moeten hem ook zoeken tussen de mensen aan de rand van de kerk. En daarvoor moeten we om te beginnen veel loslaten.
We moeten onze oude voorstellingen van Christus laten varen. De Verrezene is door de ervaring van de dood radicaal getransformeerd. Zoals we in de evangeliën lezen, herkenden zelfs zijn naasten en dierbaren hem niet. We hoeven niet meteen alles te geloven wat ons wordt verteld. We kunnen vragen of we eerst zijn wonden mogen aanraken. Waar anders zullen we hem tegenkomen dan juist in de wonden van de wereld en de wonden van de kerk, in de wonden van het lichaam, die hij op zich genomen heeft?
We moeten ons op bekering gerichte streven laten varen. Dat betekent dat we niet moeten proberen om de zoekers zo snel mogelijk te bekeren en hen in de institutionele en mentale mallen van onze kerk te persen. Ook Jezus, die de ‘verloren schapen van het huis van Israël’ zocht, leidde hen niet terug binnen de grenzen van de joodse religie van die tijd. Hij wist dat nieuwe wijn in nieuwe wijnzakken gegoten dient te worden.
‘We moeten leren om de grenzen van ons begrip van de kerk radicaal te verbreden’
In de dialoog met de zoekers kunnen we gebruikmaken van de schatkamer van de traditie die ons is toevertrouwd. Dat is een dialoog waarin we van elkaar kunnen en moeten leren. We moeten leren om de grenzen van ons begrip van de kerk radicaal te verbreden. Het is niet langer voldoende om in de tempel van de kerk grootmoedig een ‘voorhof voor de heidenen’ te openen. De Heer heeft al van binnenuit geklopt, en is naar buiten getreden – het is onze taak om hem te zoeken en te volgen. Christus is door die deur gegaan die wij hadden afgesloten uit angst voor anderen. Hij heeft de muur doorbroken waarachter wij onszelf hadden verschanst. Hij heeft een ruimte geopend waarvan de breedte en diepte ons laat duizelen.
Aan het begin van haar geschiedenis maakte de vroege kerk van joden en heidenen de vernietiging mee van de tempel waarin Jezus had gebeden en zijn leerlingen had onderwezen. De joden vonden daarop een moedig en creatief antwoord: het altaar van de verwoeste tempel vervingen ze door de tafel van het joodse gezin, het offergebruik vervingen ze door een nieuw gebruik: dat van het persoonlijke en gemeenschappelijk gebed. De brand- en bloedoffers vervingen ze door de offers van de lippen, de gedachten en het hart: het gebed en de studie van de Schrift. Rond dezelfde tijd zocht het vroege christendom, dat was verbannen uit de synagoge, zijn nieuwe identiteit. Op de ruïnes van de traditie, leerden de joden en christenen de oudtestamentische wet en profeten nieuw te lezen en uit te leggen. Bevinden we ons in deze tijd niet in een soortgelijke situatie?
Toen Rome aan het begin van de vijfde eeuw viel, hadden velen een snelle verklaring paraat: voor de heidenen was de val van Rome een straf van de goden wegens de invoering van het christendom. De christenen zagen het als de straf van God voor een Rome dat zich gedroeg als ‘hoer van Babylon’. Augustinus verwierp beide verklaringen. Op dit keerpunt in de geschiedenis ontwikkelde hij zijn theologie van het eeuwige gevecht tussen twee tegenovergestelde ‘steden’: niet die van christenen en heidenen, maar die van de twee ‘liefdes’ die het menselijke hart bewonen: de eigenliefde, die gesloten blijft voor het transcendente en de liefde die zich geeft en daardoor God vindt. Roept deze tijd van ingrijpende culturele verandering niet om een nieuwe theologie van de eigentijdse geschiedenis, en een nieuw begrip van kerk-zijn?
‘We weten waar de kerk is, maar we weten niet waar ze niet is’, zei de orthodoxe theoloog eens. Het is tijd voor een bredere en diepere oecumene, voor een gedurfder zoeken naar ‘God in alle dingen’.
‘We kunnen deze tijd omarmen als het juiste moment om het diepere water op te zoeken’
We kunnen de huidige vastentijd, met zijn lege en stille kerken, simpel beschouwen als een tijdelijke maatregel die we snel weer zullen zijn vergeten. Maar we kunnen deze tijd ook omarmen, als kairos, als het juiste moment voor verandering, om ‘het diepere water op te zoeken’, om te zoeken naar een nieuwe identiteit voor het christendom in een wereld die voor onze ogen radicaal verandert. De huidige pandemie is zeer zeker niet de enige mondiale dreiging waar onze wereld nu en in de toekomst mee te maken zal krijgen.
Laten we de komende Paastijd zien als een oproep om Christus opnieuw te zoeken. Laten we de levende niet onder de doden zoeken. Laten we hem moedig en vasthoudend zoeken en niet in de war raken als hij ons als een vreemde voorkomt. We zullen hem herkennen aan zijn wonden, aan zijn stem, wanneer hij tot ons spreekt, aan de geest, die vrede brengt en angst verjaagt.
Deze bewerkte tekst (vertaling: Maaike Wierema, @DEZINNEN, katholiek netwerk voor inspiratie en dialoog) van de Tsjechische priester en theoloog Tomáš Halík verschijnt ook in Die Welt, America Magazine, en andere internationale media.
Lees ook:
Tomás Halík: Alleen verwonding is een teken van waar geloof
*Volgens Tomás Halík is geloof dat geen gewond geloof is, geen echt geloof. Centraal in het christendom staat immers een gewonde, stervende man. *
Lees ook:
Geloof en twijfel zijn als een tweeling
, zei de Tsjechische priester en theoloog Tomas Halik in gesprek met deze krant.