Dan zult gij juichen (2011)

A-cyclus · Paastijd · 2e zondag van Pasen · wit

Wat moeten we doen op de tweede zondag van Pasen? Hetzelfde als wat we op de eerste Paaszondag deden en waartoe we elke dag zijn uitgenodigd. God danken en loven om de opstanding van Jezus uit de dood. De eerste Petrusbrief begint met God te prijzen en te zegenen om de redding die Hij ons heeft geschonken. Ze geldt voor gans ons leven tot over de dood heen.

Zing Jubilate (ZJ 401); Zing voor de Heer een nieuw lied. In de aanhef van de eerste Petrusbrief brengt de schrijver, die zich beroept op Petrus of zich voor hem uitgeeft, hulde aan God. Hij schrijft aan christenen van de tweede of derde generatie. De eerste frisheid van de christelijke boodschap is voorbij. Verwachtingen van de jonge christenen zijn niet vervuld. De Heer is nog niet teruggekeerd. De christenen ondervinden tegenkanting en ze lijden onder vervolging. Wellicht zijn het niet alleen lokale vervolgingen, maar dreigt een algemene vervolging. Zij leven als en kleine verspreide groep in de diaspora, in de verstrooiing vooral van Klein Azië (het huidige Turkije). De schrijver van deze brief, Petrus (?), zijn medewerker Sylvanus (?) of iemand anders wil de christenen bemoedigen. Hij herinnert hen aan enkele fundamenten. Jezus heeft zelf het lijden gekend. Zijn lijden bracht bevrijding. Hij is opgestaan. Hij is trouw. Daarom zullen christenen volhouden. De brief bevat veel aansporingen.

Het is een mooi document, dat niet altijd de aandacht kreeg die het toekomt. “Er staan prachtige bladzijden in over het leven als christen in een wereld waarin het christelijk geloof verre van evident is. De brief is een warme oproep tot standvastig getuigenis en hoop, niet agressief, maar in het spoor van de lijdende Christus die nu verheerlijkt is” (P. Schmidt, In vrijheid, trouw en hoop, p . 216).

De liturgie neemt in het leesjaar A op zes paaszondagen passages uit deze brief over. Ze onderstreept daarmee het paaskarakter van dit schrijven. Deze brief, al wordt hij niet zoveel gelezen, heeft alleszins sporen nagelaten in het geheugen en het hart van christenen. Het intredevers op de achtste dag na Pasen, Beloken Pasen, is ontleend aan deze Petrusbrief en gaf zijn naam aan deze zondag. Hij heet Quasi modo, een naam die hij nog steeds heeft in de lutherse kalender. Quasi modo, dit zijn deeerste woorden van de Latijnse vertaling van een zin, waarin de doopleerlingen vergeleken worden met pasgeboren kinderen, die verlangen naar geestelijke melk (1 Petr. 2,2).

De brief benadrukt de waardigheid van de christenen, die levende stenen zijn van de geestelijke tempel waarvan Christus de hoeksteen is. Hij onderstreept de adellijke waarde van de christenen, die het koninklijk priesterschap uitmaken en die behoren tot Gods eigen volk (1 Petr. 2,4-9; tweede lezing op de vijfde paaszondag).

De brief weerspiegelt sociale toestanden uit die tijd en doorbreekt niet helemaal de structuren van slaaf en meester, noch de toenmalige verhoudingen van man en vrouw in het gezin. Maar hij blijft actueel wanneer hij ons oproept om “altijd bereid te zijn tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft” (1 Petr. 3,15, zesde paaszondag). Waar en wanneer worden ons verantwoording gevraagd?

Een aantal commentatoren vinden dat de Petrusbrief eerder een homilie is, dan toch wel een lange. De vermaningen en de raadgevingen in deze tekst hebben iets van een (vroegere) preekstijl. Het zou om een homilie kunnen gaan, gehouden in de Paastijd. Het is volgens Peter Schmidt een verdedigbare thesis. “Hoofdthema van de brief is alleszins het christelijk bestaan, dat in het teken van het doopsel staat. Men heeft geen moeite om het document te horen als een bemoedigende en vermanende toespraak tot pasgedoopten in de paastijd ‘een echte paaspreek die bij gelegenheid van de doopbediening werd gehouden. Niet voor niets heeft de liturgie van het getijdengebed de lezing van de 1° Petrusbrief voorbehouden voor de daglezing van de paasweek” (P. Schmidt, o.c., p. 219).

De schrijver richt zich tot kleine mensen, die in de verdrukking leven. Hij wijst zijn gelovigen, die hun moeilijke situatie niet kunnen keren, op het wezenlijke: de navolging van de lijdende Christus, die ook niet in staat was om ‘het roer in handen te nemen’ en de onheilssituaties op te lossen. De auteur predikt echter geen slavenmoraal, noch een moraal van onderworpenen. We mogen niet opteren voor berusting. We kunnen mensen kracht geven zodat ze hun situaties verwoorden en veranderingprocessen in gang zetten. Wie in de minderheid is, staat daarom nog niet aan de kant. Christenen in de minderheid kunnen significant blijven in de maatschappij. Erik Borgman hield in de Antwerpse universiteit een conferentie onder de wondere titel Oversteken naar de barbaren. Het besloot ze met deze stelling: “Gods toekomst dient zich met name aan waar het onverwachte ons leven binnenbreekt en het op zijn kop zet. Jezus en zijn Geest zijn in de verschijningsverhalen na zijn verrijzenis inbrekers. Juist op die breukvlakken dient zich een nieuwe werkelijkheid aan die niet om beheersende maatregelen vraagt, maar om vertrouwen en overgave in ‘wat te doen’ dat zich daardoor kan aandienen” (UCSIA, 29.03.10).

De Petrusbrief voedt ons vertrouwen. Wij prijzen God Vader, “die ons deed herboren worden tot een leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood” (1 Petr. 1,3).

Zoeken in Preken Online