DOOP VAN DE HEER – A
Wat gedachten bij het evangelie – Matteüs 3, 13-17
opgeschreven tijdens de viering in de gevangenis van Brugge en later wat verder uitgewerkt.
op zondag 15 januari 2017
Na veel nadenken en observeren van de heersende feiten (zien – oordelen – handelen!), na veel ‘bidden’ dus, en na intense confrontatie van die feiten met het bijbelse visioen dat hij als twaalfjarige bar-mitshwa-jongen in de tempel van Jeruzalem voor het eerst had leren kennen, en dat hem sindsdien niet meer had losgelaten, heeft Jezus van Nazareth nu zijn keuze definitief gemaakt (zijn roeping gevonden, zeggen wij). Hij heeft horen vertellen over Johannes de Doper, is misschien een hele tijd bij hem in de leerschool geweest, heeft daar het ambt en de rol van een ‘Profeet’ leren kennen – dat heeft hem voorgoed weggehaald van het ‘priesterlijke’ van de religiebeleving die in de tempel van Jeruzalem werd beoefend en gepropageerd – en nu gaat hij midden in de realiteit staan van alledag, midden tussen de ‘gewone’ mensen, aanschuivend achteraan in de lange rij, in de file van hen die zich wilden omkeren en bekeren… Waar gaat die keuze over die hij moest maken – die wij met zijn allen en telkens weer moeten maken, willen wij onszelf als gedoopten en geroepenen in zijn Geest beschouwen? Wat houdt die roeping in? Om dit duidelijk te maken, een kleine variant op een oud verhaal dat je misschien kent – het oorspronkelijke verhaal gaat over twee wolven – van die tweede (‘goede’) wolf heb ik vandaag maar eventjes voor het gemak van de betere uitleg een ‘lam’ gemaakt… GOED EN KWAAD IN GEVECHT MET ELKAAR… Er was eens een oude indiaan die zijn kleinzoon wilde binnenleiden in het leven. ‘In onze ziel is een hevige strijd gaande’, zei hij tegen zijn kleinkind. ‘Een wolf en een lam zijn er verwikkeld in een fel gevecht. De wolf is het kwaad - hij bestaat uit verdriet, woede, jaloezie, schuld en vooral blinde angst. Het lam daarentegen is de goedheid zelf - het is vrede, mededogen, liefde, hoop en geloof. De strijd tussen die twee woedt een leven lang in ieder mens. Ook in jou!’ De kleinzoon dacht hierover na en vroeg toen: ‘En wie van die twee zal het winnen?’ De oude indiaan antwoordde: ‘Winnen zal degene… die je te eten geeft!’ Het leven is een strijd tussen goed en kwaad. Degene die wij voeden, wint. Dat is de vraag die vanuit het evangelie van vandaag op ons afkomt, zomaar bij het begin van een nieuw jaar: Wie haalt het in mij: de ‘wolf’ of het ‘lam (Gods)’? Het antwoord is simpel en duidelijk: het hangt er van af wie je te eten geeft… Wie wil ik zijn? Hoe wil ik in het leven en in het samenleven staan? Wie voed ik, wie laat ik door mijn omgeving, door de media, door de feiten die om mij heen gebeuren…groeien en sterker worden? Bij welke ‘voedselbank’ schuif ik aan, in welk ‘grootwarenhuis’ sla ik de voorraad op en het proviand om verder te gaan op mijn levenslange tocht naar menswording en heel-making? (Straks slaan we hier zoals elke zondag wat van die proviand op: een ‘beetje’ gezegend en gebroken brood, een scheutje wijn van vriendschap en verbondenheid…) Het evangelie van vandaag, over het doopsel van Jezus in de Jordaan, laat ons horen dat die Man van Nazareth voorgoed besloten heeft om vanaf nu enkel het ‘lam’ in zich en om hem heen te laten voeden – ja om te proberen zelf zo’n ‘Lam Gods’ te worden en te zijn… En op het moment dat hij gedoopt wordt daalt er een duif op hem neer – geen havik, geen aasgier, geen roofvogel of lijkenpikker – maar een duif: het zachtste van alle dieren…
Duif
**Het had geonweerd en de straat was nat, het asfalt lag als water aan de oever van het trottoir, waar plechtig trad een duif en koerde als een kind, maar droever.
De hemel boven ’t park werd licht, de bomen stonden groen, afzonderlijk en ieder leek een bos, zo bol zo wonderlijk en in zichzelf gekeerd, prevelend opgericht.
Ik liep te kijken in de korte stille straat en zag de duif, de kleur van onweer op zijn vleugels en poten roze als de dageraad.** Tussen haakjes: van de dieren kunnen we het dus leren, hoe we ons kunnen handhaven in die ‘beestenboel’, die woestijn, die jungle die de werkelijkheid meestal is. Lang geleden beschreef de profeet Jesaja de Messias, de persoon naar wie het joodse volk reikhalzend uitkeek, en hij gaf ons daarbij het visioen mee van de wolf en het lam die in vrede bij elkaar zouden wonen: Zoals uit de stronk van een omgehakte boom* een scheut groeit,** zo zal uit de oude familie van koning David** een nieuwe koning komen.** Hij zal leven brengen waar er ‘dood’ is.** God zal met hem zijn.** Hij zal wijs zijn en verstandig.** Hij zal aanmoedigen en hulp bieden.** Hij zal vol eerbied voor God zijn.** Hij zal rechtvaardig zijn.** Hij zal de mensen niet beoordelen naar hun buitenkant** en ook niet naar ‘horen zeggen’** Hij zal aan de minsten hun recht geven** en wie arm is zal een eerlijk oordeel krijgen. * Als die koning komt,* zal er vrede zijn.** De wolf en het lam zullen samen wonen,** De panter zal naast het geitje liggen,** Het kalf en het welpje van de leeuw** zullen samen in de wei staan:** een kind zal ervoor kunnen zorgen.** De koe en de beer zullen vrienden zijn,** hun jongen zullen bijeen liggen.** De leeuw zal hooi eten met de koe,** de baby zal spelen bij het hol van de adder,** het kind zal zijn hand steken in het nest van de slang. * Niemand zal nog ruzie maken,* niemand zal nog kwaad doen.** Want zoals het water de bodem van de zee bedekt,** zo zal God een plaats hebben** in het hart van iedere mens. *(Jesaja 11, 1-9)
Zo spreekt Jesaja over de vrede die de Messias zal komen brengen. Het gaat om vrede tussen alle soorten mensen en volkeren: mensen met de meest verschillende karakters en opvattingen, uit de meest verschillende culturen en levensbeschouwingen. Mensen en volkeren die in vrede naast en met elkaar leven als ze zich laten besturen door die nieuwe koning. Dat zijn profetische woorden die we ons misschien nog herinneren uit de advent. Toen ging het om de verwachting van het Kerstekind. In het evangelie van vandaag is dat Kind ondertussen groot geworden, volwassen en dus ver-antwoord-elijk gemaakt. Roeping is: dat je kiest voor het ‘lam’ en niet voor de wolf – in jou en om je heen. Dat je de duif op jouw hoofd laat neerdalen en niet de roofvogel of lijkenpikker, om daar zijn nest te maken in je gedachten en je dromen, in je verlangens en in dat wat jou drijft (je ‘driften’ zeggen we dan). Je laten dopen door de profeet, gedoopt willen worden is dan: leren kiezen aan welke kant je gaat staan – de kant van de wolven of de kant van het lam. Waaraan je wil mee-werken: aan de jungle of aan het Rijk Gods. Dat betekent ook: dat je bereid bent om gewoon achteraan in de rij te gaan staan bij Johannes de Doper. Dat je in die ‘wacht-rij’ wilt gaan staan, die file van de gewone mensen. Dat je daarenboven ook nog bereid bent om af te dalen in het water van de Jordaan (dat is letterlijk: de ‘Afdaler’). Dat je je wilt laten onderdompelen in de stroom van het alledaagse leven. Dat je bereid bent om kleiner te worden – niet alsmaar groter te willen zijn. Dat je van het water wilt leren wat het is: ‘(Lijdende) Dienaar van de mensen’ te zijn. Het water is nederig, zei de Poverello Franciscus ooit. Want het zoekt altijd de laagste plaats op… Franciscus heeft “zuster water” dan ook tot symbool gemaakt van de nederigheid en noemt haar “nuttig, nederig, kostbaar en kuis”. Inderdaad, water verheft zich nooit, stijgt nooit op, maar daalt neer, altijd, tot het zijn laagste punt bereikt. Stoom stijgt en daarom is zij het traditionele symbool van hoogmoed en ijdelheid; water daalt neer en is dus symbool van nederigheid.
geert dedecker
JEZUS GEDOOPT IN DE JORDAAN
De Jordaan is de laagste van alle rivieren ter wereld. Hij draagt dan ook zijn naam met ere: ‘Yardén’ wil zeggen: de ‘Afdaler’ (van het werkwoord ‘yarad’ – ‘naar beneden gaan’). Als rivier is de Jordaan in feite de diepst afdalende waterloop van heel de planeet. Ze ontspringt aan de voet van de Hermon en daalt zo’n vierhonderd meter onder de zeespiegel af, om dan in de Dode Zee uit te monden.
Je laten dopen betekent dat je bereid bent om af te dalen in het water dat komt uit de Bron, en dat je je wilt laten onderdompelen in de stroom van het alledaagse leven. Dat je van het water wilt leren wat het is: ‘dienaar-diaken van de mensen’ te zijn. Het water is nederig, zei de Poverello Franciscus ooit. Want het zoekt altijd de laagste plaats op… Franciscus heeft “zuster water” dan ook tot symbool gemaakt van de nederigheid en noemt haar “nuttig, nederig, kostbaar en kuis”. Inderdaad, water verheft zich nooit, stijgt nooit op, maar daalt altijd neer, tot het zijn laagste punt bereikt. Niet voor niets heeft Jezus van Nazarteh zich bij het begin van Zijn ‘openbaar leven’ laten dopen in het water van de ‘Jordaan’ – dat betekent letterlijk: ‘De Afdaler’… Dit stemt tot nadenken. Onze roeping bestaat uit niets anders dan diaconie. De leerschool van de ‘humaniora’ doorlopen betekent: klein leren zijn. De remedie is simpel: je moet de dieperik in. Een radicaal ander stand-punt leren innemen. Aan de onderkant (her)beginnen. Afdalen, lager dan het diepst stromende water binnen de aardkost. Nederdalen ter helle. Om dan misschien ooit te kunnen verrijzen op de derde dag, volgens de Schriften…
Gedoopt worden is bevrijding mogen ervaren. De toekomst krijgt kansen in je. De kracht van het Goede haalt het. Gedoopt zijn is altijd opnieuw ja zeggen aan Gods Geest in jezelf en in anderen. Gedoopt zijn is een voortdurende uitnodiging en opdracht tot solidariteit met medemensen, tot delen van je tijd, je aandacht, om je talenten in te zetten voor Gods droom. Gedoopt blijf je heel je leven. Het is een contract tussen jou en de Geest van God. Wat een geluk, wat een dynamiek! Jezus ging de Jordaan in. Hij werd ondergedompeld in het leven van zijn volk. Hij zette de weg voort van Mozes. Voortaan werd het zijn opdracht om ‘Beloofd Land’ aan te zeggen. Hij werd gedoopt om waar te maken, dat Hij Gods veelgeliefde was. Eenmaal gedoopt richtte Hij zich uitsluitend op zijn droom van recht en vrede voor iedereen. Zijn doop wees in de richting van liefde en solidariteit, van een nieuwe hemel en aarde. Gedoopt worden is in wezen kiezen voor de weg van Jezus. Daardoor draag je voortaan zijn watermerk met je mee. Je gaat voor zijn Boodschap, voor zijn manier van leven. Je sluit je aan bij mensen, die in dezelfde richting kijken. Je wilt je in woord en daad inzetten voor een paradijs, waarin elkeen vredig mag leven. Gedoopt worden is opstaan uit een waterig bestaan en volstromen met nieuwe levensadem, met de Geest van God.
Gedoopt in de Jordaan…
‘Toen kwam Jezus uit Galilea naar Johannes bij de Jordaan om zich door hem te laten dopen. Johannes probeerde Hem tegen te houden. Hij zei: ‘Ik zou door U gedoopt moeten worden, en U komt naar mij?’ Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Laat nu maar, want zo behoren wij de gerechtigheid volledig te vervullen.’ Toen liet hij Hem begaan. Toen Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen uit het water. En zie: daar opende zich de hemel voor Hem en Hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Hem neerkomen. Er kwam een stem uit de hemel, die zei: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind.’ (Mattheüs 3; 13 – 17)
Er staat een man in de Jordaan. Zijn naam is Johannes. Mensen dopen is zijn lust en zijn leven. Met vaste hand leidt hij ze de rivier in, één voor één, en dompelt hen onder. Door het vruchtwater heen trekt hij ze naar een nieuwe geboorte toe, oefent met hen in kopje onder gaan en weer naar boven komen, in vergankelijkheid en verrijzenis. Vuil van jaren aan de zielen vastgekleefd wordt losgeweekt en weggespoeld. Wie opgevist is uit het water heeft ogen blij als een kind dat nog maar pas geboren is… En tussen al die mensen: een jongeman uit Nazareth. Zie, hij doet zijn kleren uit, daalt in het water af en laat zich dopen. Wanneer hij druipend van het doopwater tegen de oever opklautert ziet hij de hemel open gaan boven zijn hoofd. Ineens is zijn bestaan niet langer dof en uitzichtloos maar licht en open; de onrust en de pijn van het niet-weten en maar half-vermoeden wie hij is en waarom, is opgeheven. Plotseling is hij niet meer eenzaam en alleen, maar opgenomen in een samenhang, een verbond en een verband, een routeplan, een bestemming. Is een plotse doorbraak van inzicht en doorzicht en uitzicht, weten wat waarheid is en schijn, besef van roeping en verantwoordelijk-zijn. ‘Vol worden van de heilige Geest’ heet dat in de taal van de Schrift. Er zijn van die blikseminslagen in een mensenleven, waarbij je met niets ontziende duidelijkheid beseft: dàt is mijn roeping, dàt moet ik doen! Ieder mens heeft behoefte aan een groot perspectief. Soms even een opening in de hemel waaruit een bundel licht op je leven valt, een Vogel hoop die neerdaalt, een Stem, Woord om antwoord op te geven… Dan ziet hij de Geest als een duif op zich neerdalen. Gods tederheid strijkt op hem neer en nestelt zich tussen zijn opgeheven armen. Het is een zilverwitte duif, de vleugels wijd gespreid, de pootjes open als voorzichtige handen die de dopeling worden opgelegd. Die Vogel Gods zit daar dan te roekoeën van plezier. Je kunt zijn hart van opwinding zien bonzen in zijn keel. Zijn liefde gaat zichtbaar op en neer tussen zijn veren. De geest, die witte vogel van de hoop die reeds vanaf het begin der schepping op verkenning is, maar bijna nergens kon landen in de geschiedenis der mensen – hij wiegt nu zachtjes heen en weer van ‘contentement’. Eindelijk is er een mens gevonden naar Gods hart. Dit is waarachtig een nieuw begin! En zie, een stem, een vleugelslag van zachte woorden klopt aan zijn gehoorbeen en fluister in zijn oor: ‘Jij bent mijn liefste zoon, jij bent waarachtig een mens naar mijn hart!’ het is de geest die dat zegt. Woorden van tederheid, een hemelse ervaring. Teken van bemoediging, signaal van hoop. Gods eigen Naam wordt als een zegel op zijn hart gelegd… Ach, mocht dat jou en mij ook ooit eens overkomen! Al was het maar even: die stem kunnen horen en die duif mogen zien. Wij zouden ons net als Jezus koningskinderen mogen noemen… Dit stukje evangelie over de doop in de Jordaan wil ons vertellen dat de hoop op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde niet vermetel is of vergeefs. Zij die hun leven durven om te keren weten soms één ogenblik lang, als in een visioen, dat het werkelijkheid wordt. Zij zien de hemel open en horen een stem die fluistert: ‘Jij bent een kind van God, méér waard dan al het goud van deze wereld…’ (Kard. Cardijn) geloof maar in je eigen taak en zending. Ik zal voor altijd met je zijn…’ Zó wordt ons Jezus’ roeping beschreven. Met dit visioen in zijn ziel is Hij naar de mensen gegaan. De Geest van god rustte op Hem vanaf die dag. Zijn roeping liet Hem niet meer los. Opgestegen uit de doop woonde Hij voortaan voorgoed in de landstreek van de hoop… Dan nog een kort postscriptum: ‘Terstond dreef de Geest Hem naar de woestijn…’ staat er direct na dit heerlijke verhaal over zijn doopsel in de Jordaan. Geen triomfantelijke intocht in het Beloofde land, dus! Maar direct de woestijn in, waar de bekoringen wachten en het gevecht met de dia-bolos, de uitéén-trekker, de duivel. Veertig dagen en veertig nachten lang het risico lopen van te verzanden, te verdwalen en te verschralen in niemandsland. Al die tijd met jezelf alleen in die duizelingwekkende ruimte met niets dan wildernis en zand. Ook dàt doet de geest ons aan. Hij drijft ons de woestijn in, die harde leerschool van de realiteit. Om veertig dagen lang te oefenen om zo goed als God te worden: horen en zien de ellende van de armsten; de ogen open houden voor wat gebeurt, het hart en het geweten niet afwenden. En afdalen – partij leren kiezen voor de ontrechten, bondgenoot proberen te worden van allen die proberen menswaardig mens te zijn. Wie zich gedoopt weet en geroepen, moet zoals Jezus beseffen dat de Geest ons geen andere keuze laat…
Bezinningsmoment over het zondagsevangelie
Gezinsgroep – vrijdag 10 januari 2003.
GEDOOPT IN DE JORDAAN…
Hij staat daar opeens, aan de oever van de Jordaan, tussen de mensen, als één van hen. Hij wil zich niet van hen onderscheiden door plechtige gewaden; Hij eist geen ereplaats op en maakt geen aanspraak op een bijzonder ceremonieel. Hij ontdoet zich van zijn kleed en daalt af in het water. Hij wil in het leven staan zoals de anderen. Hij wil Dienaar zijn van de Heer, zoals Jesaja schreef: niet roepen, niet schreeuwen, niet hoog van de toren blazen, niet met alle geweld, maar nederig en zacht, met veel geduld en mildheid, niet overhaast en nooit de mensen dwingend tot het onmogelijke. Hij wil niet degene zijn die ziet in plaats van de anderen, neen, Hij zal hen leren zélf te zien. Hij laat niet, op Zijn commando, de mensen in rijen van vier afmarcheren naar de vrijheid, neen, Hij zal hen leren zelf de weg naar de vrijheid te gaan. Zijn taak ligt niet buiten het leven, maar midden in het leven. Daarom wil Hij alles volbrengen wat bij het leven hoort.
Gedoopt willen worden is in het evangelie een daad van werkelijkheidszin: je kent je plaats, je aanvaardt dat je één van de velen bent. Je bent een kind van die en die, geboren en getogen in een wereld vol ongerechtigheid, even bedreigd door de besmetting van het kwaad als ieder ander, lotgenoot van allen die uitzien naar bevrijding. Wie zich zoals Jezus door Johannes laat dopen, geven daarmee te kennen – meer door een daad dan door het woord – dat zij het leven van vandaag ervaren als een doodlopende weg. Tegelijk stellen zij een teken van hoop, ze ondergaan een doop-tot-bekering. Zij keren zich toe naar een andere weg, ze willen anders gaan leven dan tot nu toe het geval was. En zij hopen dat de droom van waaruit zij zo graag zouden willen leven: alle mensen tot hun recht gekomen, ooit wààr mag worden, openbaar geworden, dagelijkse werkelijkheid voor allen.
Het evangeliefragment over de doop van Jezus beeldt uit dat die hoop niet vermetel en tevergeefs is. Zij die hun leven omkeren, weten één ogenblik lang, als in een visioen, dat het ooit werkelijkheid wordt. Zij zien heel even de hemel open, zij horen een Stem die hen bevestigt: Jij bent Mijn kind, Mijn welbeminde…
Na Zijn onderdompeling is Jezus dan ook weer opgeklommen, aan de andere oever. Luctor et emergo. Omdat Hij anders verzonken zou geweest zijn in bodemloze eenzaamheid? Omdat Hij andersen hangen zijn in moedeloos makende zinloosheid of cynische onverschilligheid? Omdat Hij anders anderen fataal mee naar omlaag had getrokken? Want mensen kunnen elkaar opvissen uit zeven zeeën van ellende en verdriet, maar ze kunnen elkaar ook doen verdrinken in golven van negativiteit, van misverstand en dodelijke onverschilligheid…
Jezus van Nazareth begon Zijn ‘carrière’ als profeet niet voor zichzelf, toen Hij koos voor de nieuwe uittocht uit slavenland, voor de doortocht door het diepe water, en voor de intocht in het land van de toekomst, daar bij de Jordaan.
Rond mensen zoals Johannes de Doper en Jezus van Nazareth zal Gods Koninkrijk gestalte krijgen. Rond mensen van hun kwaliteit en met hun levenshouding komt een vernieuwende beweging op gang, die zich als een stroom door de tijd slingert. En iedereen die zich daarbij wil aansluiten, mag mee in die stroom gaan staan, in de Jordaan. Het zullen mensen zijn die hun plaats durven te zoeken binnen een traditie waar niet macht en geweld het laatste woord hebben, maar waar ruimte geschapen wordt voor het échte leven, adem, geest en zicht op nieuwe kansen. Het zullen mensen zijn die doordenkt werden van het water, overschaduwd door de Geest en geroepen door de Stem die ze daar bij ‘De Afdaler’ voor het eerst hebben gehoord.
De Jordaan is de grensrivier. Wie vanuit de woestijn Israël binnentrekt, die moet daar doorheen, willen of niet. Maar wanneer je er eenmaal doorheen bent, blijkt die zinderende woestijnvlakte geleidelijk te veranderen in een oase van groen, en meer nog: in vruchtbaar land, in een gebeid waar mensen tenvolle menswaardig kunnen leven. Zij die bewust in die stroom willen gaan staan, vertellen elkaar terwijl ze staan te wachten in die lange rij die oude verhalen van bevrijding en hoop, de verhalen over de grote profeten Jesaja en Amos, en al die anderen in wie de kracht van de Eeuwige levend te voelen was. En ze vertellen ook van hun God, die de kwijnende vlaspit niet zal doven, en het geknakte riet niet zal breken. En ze herhalen die onvergetelijke droom over de steppe die vroeg of laat zal gaan bloeien…
Eens stond Hij aan de Jordaan…
In de lange rij sluit Hij aan, een lange rij van geknakte mensen. Mens wordt Hij, met hen, door hen, mens onder de mensen, een keuze voor het leven, een keuze om leven te geven aan hen die het vlammetje van de vlaspit nog maar amper brandend kunnen houden.
Een keuze die de bestaande kaders doorbreekt van goeden en slechten, zondaars en farizeeën. Want wie is goed en wie is slecht? Een keuze voor het leven, een keuze die Hij met Zijn leven zal moeten bekopen.
‘Hij daalt ootmoedig in het water, de vogel Geest komt aangesneld, God heeft in Hem Zijn welbehagen en alle zaligheid gesteld.
Tegen de stroom staat Hij ten teken, hier wordt des levens loop gewend, het blinde lot gestuwd tot zegen, wij zijn tot in de dood gekend’
(Tom Naastepad)
Misschien was Jezus nooit zo mens, zo medemens als hier. Als een wachtende in de lange rij, een file-ganger bij de jordaan. Geen voorkeursbehandeling voor Hem, want Hij wilde aan de mensen gelijk zijn, en zeker aan de kleinsten (die immers bijna altijd moeten wachten en in de rij staan). Hij wilde mee de weg banen van het niemandsland naar het land van melk en honing. Dat is toch gedoopt worden: iemand willen zijn, erbij willen horen, een naam willen hebben en een gezicht. Aanspreekbaar en verantwoordelijk willen zijn.
Dat wilde Jezus dus. Hij ging aan de kant staan van de oude verloren mens die het nieuwe zocht. Hij wilde die overgang zelf ook meemaken en aan den lijve ondervinden. Daarom stond Hij met lijf en ledenin het water en liet zich dopen. Op die manier was Hij net als al die andere gedoopten opgetekend en ingeschreven, geregistreerd en opgevorderd bij de verkenners van het Beloofde land.
En dan kantelt het verhaal ineens. Hij die aan de kant van de mensen stond, de Mensenzoon, wordt nu ineens tot Zoon van God verklaard. Maar zoveel is duidelijk: Hij kon niet de Zoon van God zijn, als Hij niet eerst broeder en lotgenoot wilde zijn van de mensen in de rij. Hier begint het eigenlijke evangelie: de kleine, gewone, solidaire mens is de Mens van Gods welbehagen, Zijn Zoon, een God-mens. Boven Hem ging de hemel open. Met Hem begint de wereld nieu, op-nieuw. Nu kan Hij die ondergedompeld is in ons troebel water, ook uitstijgen uit al onze menselijke troebelheid en Zijn nieuwe weg gaan. Hij is de begenadigde, de gezegende, de uitverkorene, Gods Zoon. Hij zal het oude openbreken tot een nieuw en vrij bestaan.
De Man van het Magnificat.
Jezus gaat letterlijk onder in het water … om er uit op te staan. Het is Zijn bewuste weloverwogen nederigheid die Hem daar toe beweegt.Geen slaafse onderweroing, maar een eerbiedig neerbuigen om een grotere zaak te dienen. Afdalen om deelgenoot te worden van de vele misdeelden die nog nooit vooraan op de eerste rij hebben gestaan.
Jezus gaat bewust aan de kant staan van de naamloze wachtende mens. Daar bij de Jordaan staat Hij in onze file. Dat is het meest menselijke en het meest herkenbare van elke moderne doorsneeburger: wij staan geregeld onontkoombaar en hulpeloos-wachtend in de file. Nergens voelt een mens zich zo overgeleverd aan de gang van het leven. En in die file was Hij een nameloze anonieme passant, een nummer. Dat heeft Hij echt gewild en bedoeld – Hij wilde zich bewust dat gevoel van even niemand te zijn eigen maken.
Dat leert ons de evangelist met dit verhaal. Hij leert ons dat Jezus heel bewusten heel uitdrukkelijk aan Johannes om dat doopsel heeft gevraagd. Door aan te schuiven in de rij werd Hij zodanig onze broeder, dat de schriftgeleerden en farizeeën zich toen al aan Hem begonnen te ergeren, en dat vele rechtgelovigen zich voor Hem begonnen te schamen. Dat heeft Hem echter niet kunnen tegenhouden. Hij wilde mens zijn. In Bijbelse termen: Hij wilde een Mensenzoon zijn. Hij ging aan de kant staan van de oude verloren mens die het nieuwe zocht. En Hij zocht ook naar vaste grond, ergens op de andere oever. We zien hier dus waarachtig God op mensenmaat.
Met Zijn doopsel speelt Jezus gevaarlijk spel. Gaandeweg zal Hij ondervinden hoe riskant de keuze was die Hij hier heeft gemaakt (het was werkelijk kruis of munt!) het christendom toont hier zijn ware gelaat. Het is een godsdienst van mensen, en wel van kleine mensen. Nooit en nergens was God zo gewoon. Wanneer Jezus zich laat dopen, laat Hij zien dat God aan onze kant staat. De mens interesseert God. Aan ons om in dit neerdalende en nederige gebaar van Jezus iets te proeven van Gods dienende aanwezigheid. Dat is zelfs Zijn naam vanaf den beginne: ‘Ik-zal-er-zijn-voor u’… Daarom is Jezus met zijn twee blote voeten in de Jordaan gaan staan. Hij wordt hiet zeer groot, omdat Hij zich eerst heel klein heeft gemaakt. Dat is de betekenis van Zijn doopsel. Vanaf dit moment gaat Hij nu voor en is Hij de koploper in de lange stoet van vele, vele magnificatmensen. En zonder te spreken wil Hij met dit gebaar zeggen: het kan ook anders op onze oude aarde…
Soms denk ik, dat wij ons op dat punt grondig in ons doopsel vergissen. Wij spreken van het feit dat het doopsel consequenties heeft. Wij geloven dat elk mensenkind na de doop onvoorwaardelijk en voorgoed mag geloven dat hij of zij van Iemand is, dat wij voorgoed aan God toebehoren. En dat is zondermeer waar. Maar evenzeer is waar (en daar wordt meestal minder nadruk op gelegd) dat ik door mijn doopsel voorgoed verbonden ben met mijn medemens, ook en vooral met de minste van de mensen. Het doopsel heeft mij met alles in een groot verbond geplaatst, een breed verband. En de broederschap wordt vanaf dat moment mijn eerste opdracht en mijn roeping.
samenstelling: geert dedecker
Glasraam in de grote ‘kerk aan het meer’ bij de Chinese stad Suzhou - De doop in de Jordaan
‘Hij moet groter worden, en ik kleiner’ (Joh. 3,30)
Nadenken over kerk-zijn in tijden van corona en lockdown…
Tot christen herdoopt in voorbereiding van het ‘nieuwe normaal’.
Hoe blijf je staande in een cultuur die gevaar loopt zichzelf te vernietigen? Niet door weg te vluchten voor die stroom, maar door er midden in te gaan staan, tegen de stroom in, en je daarin te laten onderdompelen. Je wordt weerspiegeld in het water en ontdekt dat je tot nu toe alleen oog had voor jezelf. Je komt weer boven, je keert je af van het water en je krijgt oog voor de ander. André Lascaris in ‘Dopen met groene vingers’
Toen ik een aantal jaren geleden op reis trok naar Griekenland, in de voetsporen van Paulus kwam ik aan in Filippi en nam daar deze foto op de plaats waar Paulus met een groepje mensen voor de eerste keer probeerde kerk te vormen. Zo eenvoudig was het toen blijkbaar om gedoopt te worden en daar de consequenties van in te zien - maar het ontroerde me diep:
Afdalen in het water, je laten onderdompelen en laten dopen in de stroming van het leven. En dan weer recht krabbelen en opklimmen. ‘Opstaan’ en verrijzenis ervaren aan den lijve. Meteen zie je een klein tafeltje staan daar aan de overkant en je wordt uitgenodigd om zo goed mogelijk gemeenschap te maken met de mensen die je gegeven zijn… (het kleine kapelletje dat je ziet, dat zijn de structuren van de Kerk: je hebt ze enkel nodig om even te schuilen wanneer de zon te fel schijnt of regen en wind ongenadig te keer gaan buiten…)
Zo simpel is het christen worden en kerk-zijn in principe, zo heb ik daar geleerd. We moesten er maar eens op-nieuw mee beginnen…
Beste Geert, oprecht bedankt: ook voor mij is dat “beeld” uit Filippi van het stromende water, de drie trappen om erin af te dalen en drie om eruit op te staan en dan die witte, ronde tafel, een archetype van ons christelijk “zijn”. Twee sacramenten, die op elkaar aansluiten, voorbij de dood, het leven in broederlijk delen, onder één gemeenzame Vader. Alles bij elkaar. Konden we dit als ademhaling terugvinden in onze christelijke beweging te midden van alle culturen en volkeren, vanuit de basis telkens weer, tot in gevangenissen en vluchtelingenkampen, de marges - soms verfoeid - van onze samenleving. Bedankt om dit “model” of archetype weer in herinnering gebracht te hebben! Vrede en verbondenheid, en veel creativiteit in de nieuwe fase waar je binnentreedt.
Benoît Standaert – die mij deze plaats ooit aanwees en er de duiding bij gaf.
**Afdalen en opklimmen **
Stil houden bij het water ootmoedig afdalen van de trappen en in het water gaan staan je laten onderdompelen doordrenkt worden van het troebele water in de stroom staan van het leven zelf van de beperkingen tekortkomingen van het nog niet…
Om het harde, het onbuigzame op te lossen gaat er niets boven water.
Water… meer dan druppels. Water valt uit de hemel weldoend en zegevierend lavend en verfrissend.
Dat uw Geest als water over ons wordt uitgegoten. Dat we herboren worden. Afdalen en na de onderdompeling voorzichtig opklimmen met een vernieuwde tred naar de mensen toe, naar de tafel van gemeenschap.
Doopbelijdenis’ - Herman Verbeek
Als dit het water is en hier het gif en ginds die tegengif waar zul jij dan gaan?** ** Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan. Als dit het water is hier is teveel en ginds wordt leeggeroofd waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Als dit het water is hier is de winst en ginds is zonder werk waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Als dit het water is hier is de bom ginds staat voor ban de bom waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Als dit het water is hier zijn ze hard ginds die de omkeer doen waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Als dit het water is hier sterft de vis maar ginds springt de dolfijn waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Als dit het water is hier sterft het land ginds staat het voorjaar op waar zul jij dan gaan?
Dan zal ik door het water gaan en wij met jou en jij met ons wij zullen samen gaan.
Je laten dopen betekent dat je bereid bent om af te dalen in het water dat komt uit de Bron, en dat je je wilt laten onderdompelen in de stroom van het alledaagse leven. Dat je van het water wilt leren wat het is: ‘dienaar-diaken van de mensen’ te zijn. Het water is nederig, zei de Poverello Franciscus ooit. Want het zoekt altijd de laagste plaats op… Franciscus heeft “zuster water” dan ook tot symbool gemaakt van de nederigheid en noemt haar “nuttig, nederig, kostbaar en kuis”. Inderdaad, water verheft zich nooit, stijgt nooit op, maar daalt altijd neer, tot het zijn laagste punt bereikt. Niet voor niets heeft Jezus van Nazarteh zich bij het begin van Zijn ‘openbaar leven’ laten dopen in het water van de ‘Jordaan’ – dat betekent letterlijk: ‘De Afdaler’…