* Johannes doopte in de Jordaan. De Jordaankloof is de diepste insnijding in de aardkorst. De naam “Jordaan” zou betekenen “afdaling” (Hebr. “yarad”: afdalen). De daling van die stroom is inderdaad indrukwekkend. Hij heeft zijn bronnen op de berg Hermon (meer dan 500 m. boven de zeespiegel), vloeit door het meer van Genezareth, door allerlei stroomversnellingen en meanders om na ca 300 km uit te monden in de Dode zee (bijna 400 m. beneden de zeespiegel): een daling van ca 900 m. Dit “afdalen” heeft een rijke betekenis, die vooral duidelijk wordt in Jezus’ doopsel.
* Die stroom herinnerde de Joden aan historische gebeurtenissen. Vooral na de woestijntocht met Mozes bleef de doortocht door de Jordaan onder Josua (Joz 4,18-19) onuitwisbaar en levendig in hun geheugen gegrift. De aankomst in het beloofde land was voor hen teken van zege en zegen.
1. Het is merkwaardig dat nu Jezus wilde gedoopt worden door Johannes.
(a) We lazen reeds dat vooral mensen uit de Jordaanstreek en Judea aankwamen om een doopsel van bekering te ontvangen, terwijl ze hun zonden beleden. Vreemd toch dat Jezus, die zonder zonde is, nu uit het verre Galilea aankomt om door Johannes gedoopt te worden. Zich aanmelden voor die doop betekende bekentenis van zonde. De Doper begreep het niet en wilde eerst Jezus van die gedachte afbrengen. Doch Jezus antwoordde met een zonderlinge zin: “Laat dit nu toe; want het hoort dat wij zo de gerechtigheid ten volle vervullen”. Wat betekent die moeilijke zin ?
- “Gerechtigheid” betekende bij de Joden: in eenklank leven en handelen met Gods heilsplan. Daarom nam Jezus die zonder zonde was, solidair met de zondige wereld die uitzag naar redding, de zondigheid van die wereld op zich. Hij nam de plaats in van de zondaars. Daarom wees de Doper Hem aan als “de Dienaar Gods die de zonde van de wereld wegneemt” (Joh 1,29). Het woord “Dienaar” (Aram. “talja”) betekent ook “Lam”. Later werd in die Dienaar de diepe realiteit van het “Lam Gods” herkend: “Als een lam dat voor de slachting verstomt voor zijn scheerders” (Jes 53,7). “Zie het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt” kwam zo ook in de liturgie.
(b) Jezus daalde (!) biddend af en dook onder in het water. Daarin steekt een rijke symboliek. De onderdompeling in het water verwijst naar het sterven. Het was een voorsmaak van zijn dood op het kruis. Daarom zal Jezus het altijd over zijn dood hebben, als Hij over zijn doopsel spreekt. Tot de Donderzonen zal Hij later zeggen: “Zijt gij in staat met het doopsel gedoopt te worden waarmee Ik gedoopt word ?” (Mc 10,38). En nog: “Ik moet een doopsel ondergaan, en hoe beklemd voel Ik mij totdat het is volbracht.” (Lc 12,50). Op oosterse iconen zien we hoe Jezus reeds door zijn doopsel heen verder afdaalt (!) in de onderwereld van de overledenen om deze te bevrijden. Het gaat om een totale afdaling (!) in de wereld van het kwaad, dat door Hem overwonnen wordt.
- Daarna stond Jezus op uit het water. Die wassing symboliseert reiniging. Maar water doet ook leven. Jezus’ kruisdood werd de levensboom. Het was een voorsmaak van de verrijzenis. De vier evangelisten zeggen dat de hemel openscheurde, dat de Geest over Jezus neerdaalde, en dat een stem weerklonk: “Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik welbehagen heb.” Deze woorden waren een echo van Jesaia’s profetie (Jes 42,1; eerste lezing). En ze bevestigden dat nu “gerechtigheid is gedaan”. Daarmee gaf Jezus het startteken van zijn openbaar leven en de juiste betekenis ervan.
2. Maar eerst had Johannes de Doper tot Jezus gezegd: “Ik heb uw doopsel nodig”.
-
Ook die uitspraak vraagt om uitleg. Jezus heeft niet zelf gedoopt. Hij gaf wel zijn leerlingen de opdracht om te dopen. Dit sacrament van het christelijk doopsel wortelt volledig in Jezus’ doopsel in de Jordaan. De kiemen ervan staken reeds in die sprekende afdaling en in het opstaan uit het water. Het is delen in het doopsel van Jezus, dat vervulling van de “gerechtigheid” was. Het brengt ons in eenklank met Gods heilsdroom, en betekent daardoor de verlangde redding en het herstel. Het is de toegangspoort tot het Leven. Het bezit een totaal nieuwe inhoud, die de Doper miste.
-
Ons doopsel is langs Jezus binnentreden in het volle leven van Gods Drie-eenheid, die zich liet zich blijken bij Jezus’ doopsel. Van daaruit is de H. Drie-eenheid verwoord gebleven in de zending: “Ga en onderwijs… en doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest.” (Mt 28,19). Onvoorstelbaar dat wij geroepen zijn om in Gods leven te delen. Het is de voortzetting van Jezus’ menswording in ons, naar het woord van de kerkvaders: “God is mens geworden opdat wij goddelijk zouden worden”. Dat gebeurt niet langs de weg van de hoogmoed en de grijpende ongehoorzaamheid, zoals bij de eerste Adam, maar door de “gerechtigheid”, door het gehoorzaam binnentreden in Gods heilsplan met de nieuwe Adam, Jezus: door met Hem af te dalen (!) en weer op te staan: “Hij die bestond in goddelijke majesteit… is als Dienaar onder ons verschenen, gehoorzaam tot de dood op het kruis. En daarom heeft God Hem zeer verhoogd…” (Fil 2,6-11).
Het is de aanzet van een omvorming in ons, die verder voltrokken wordt doorheen de beleving van de andere sacramenten, vooral in de H. Eucharistie. Vanuit deze transformatie mag elke gedoopte instrument worden in Gods hand om ook de wereld te helpen omvormen naar de droom van God.