De liefde begrijpt het mysterie van God

A-cyclus · Tijd door het jaar · Triniteit · wit

Een oud Joods verhaaltje vertelt dat een rabbi - een leraar van de Wet - de kamer van een leerling binnenging en hem vroeg: ‘Zeg mij eens, wat is dat: God?’ Een tweede en een derde maal her­haalde hij zijn vraag, maar kreeg geen antwoord. Tenslotte vroeg hij: ‘Waarom zwijg je?’ Toen zei de leerling: ‘Omdat ik het niet weet.’ Daarop stelde de rabbi zichzelf de vraag: ‘Weet ik er dan iets van? Het is duidelijk dat God bestaat en dat er buiten Hem niets bestaat. Verder weet ik niets!’

Het is goed dat we zulke woorden ook eens horen. Wij praten zo gemakkelijk over God. ‘God zal je straffen!’ ‘Dat kan God niet toelaten!’

De H. Schrift spreekt een heel andere taal. ‘Niemand heeft God ooit gezien.’ (Joh 1,18). ‘God woont in een ongenaakbaar licht. Geen mens heeft Hem gezien of is in staat Hem te zien.’ (1 Tim 6,16). En St. Paulus zegt: ‘O, onpeilbare rijkdom van Gods wijs­heid en kennis! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Wie kent de gedachte des Heren? Wie is zijn raadsman geweest?’ (Rom 11,33-34).

Als wij over God willen spreken, moeten wij zeer voorzichtig zijn. Hij is onuitsprekelijk, als wij alle woorden over God gezegd heb­ben, Hij is heilig, rechtvaardig, almachtig en barmhartig, dan hebben wij eigenlijk nog niets gezegd van God. Hij is onbegrijpe­lijk. Hoe dieper wij God kennen, des te ongenaakbaarder Hij voor ons wordt. Dat is al een natuurlijke wet van de liefde: hoe minder je van iemand houdt, hoe beter je de woorden kunt vinden om te zeggen wie of wat of hoe hij is, hoe meer je van iemand houdt, hoe vlugger je over hem uitgepraat bent: hoe meer je van iemand houdt, hoe groter mysterie hij voor je wordt.

Zo is het ook met God, hoe minder je God liefhebt, hoe meer je over Hem kunt praten, hoe meer je God liefhebt, hoe minder je over Hem zult zeggen.

De Heilige Schrift zegt ons nergens wie of wat God is, maar elke bladzijde van de Schrift zegt ons wel wat God doet, wat God doet voor de mens. De Schrift maakt zich niet druk over de vraag wie God is in zichzelf, maar alleen over de vraag: wat God is voor ons. Toch kunnen we ook weer niet zeggen dat we over God niets weten. Als wij zeggen dat God: één in wezen en drievoudig in per­sonen, een mysterie voor ons is, moeten wij heel goed weten wat er met een mysterie bedoeld is. Een mysterie is niet iets dat aan onze kennis onttrokken is. Wat wij niet kunnen begrijpen, kunnen wij ook niet geloven. Dan zouden wij zelfs niet weten wat wij moeten geloven. Alleen is datgene wat te kennen is zo ongehoord groot, dat wij in onze kennis nooit de grenzen van het kenbare zullen kunnen begrijpen. Er blijft nog altijd meer, oneindig meer, wat wij niet vatten, begrijpen kunnen. Er zijn geen menselijke woor­den die de goddelijke werkelijkheid kunnen bevatten. Toch weten wij veel over God, omdat Jezus ons het gelaat van de Vader zicht­baar gemaakt heeft. Veel mensen zeggen dat zij in ‘iets’ geloven, dat er ‘iets moet bestaan’. Jezus zegt: ‘Ik heb Uw naam geopen­baard aan de mensen.’ Dat is de openbaring die Jezus ons gege­ven heeft. Wij geloven niet in ‘iets’, wij mogen geloven in Iemand, die wij Vader mogen noemen. Door het leven en de woorden van Jezus weten wij dat God liefde is, dat God een op mensenheil bedachte God is.

Maar om dat te kunnen geloven hebben wij de H. Geest nodig, die in ons hart met onuitsprekelijke verzuchtingen roept: Abba Vader! Door de H. Geest worden wij opgenomen in het onuitspre­kelijk mysterie van het goddelijk leven. Wij leggen tegenwoordig graag het accent op de menselijkheid van God, maar wij mogen toch niet vergeten dat de mens het schoonste en het grootste is wanneer hij zich in nederig geloof neerbuigt voor God zelf. Niet door God te loochenen, maar door God te aanbidden, bereikt de mens de allerhoogste trap van menselijkheid. Hoe meer wij God liefhebben, hoe meer wij het mysterie van God zullen kennen. Alleen in de liefde van de Geest zullen wij met heel ons wezen kun­nen bekennen: Geprezen zij de Allerheiligste Drievuldigheid en Ongedeelde Eenheid, laten wij haar loven omdat zij ons haar barmhartigheid bewezen heeft…

Zoeken in Preken Online