De Bergrede eindigt met een plechtige belofte van Jezus: ‘Wie mijn woorden ter harte neemt, staat zo vast als een huis op een rots; wie dat niet doet, bouwt zijn leven op drijfzand.’ Hij laat er twee scherpe waarschuwingen aan voorafgaan. Het volstaat niet ‘Heer! Heer!’ te roepen om het koninkrijk der hemelen binnen te gaan. En het volstaat evenmin in zijn Naam te profeteren, duivels uit te drijven of wonderen te doen. We bekijken die twee opmerkingen even van naderbij.
Jezus vraagt van de mensen dat ze in Hem zouden geloven. Hij verlangt dat ze in Hem de Gezondene van God, de Messias en Redder zouden erkennen. Petrus drukt dat geloof uit in zijn fameuze belijdenis: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ Die geloofsbelijdenis is de rode draad doorheen heel het Nieuwe Testament. Christenen zijn mensen die van harte geloven dat Jezus van Nazaret Heer en Redder is. Bij die woorden laat Jezus nu plotseling een alarmbel klinken. Hij zegt uiteraard niet dat het verkeerd is Hem Heer te noemen. Maar dat volstaat niet. Hij wijst op een gevaar dat altijd op de loer ligt, namelijk dat het geloof pure lippendienst wordt. Mensen zeggen wel dat ze in Jezus Christus geloven, maar ze doen niet wat Hij vraagt. Zijn terechtwijzing wordt verrassend actueel als we ze vertalen in termen van ’een christelijke overtuiging’. Dan wordt geloof zowat synoniem met levensbeschouwing. Als het alleen maar dat is, als het niet ingrijpt in het concrete leven en niet leidt tot daden van gerechtigheid, dan heeft het in Jezus’ ogen geen waarde…
De tweede waarschuwing is veel verrassender. Ze is gericht tegen degenen die het niet bij woorden laten, maar bovendien een en ander doen: profeteren, duivels uitdrijven en wonderen verrichten. Net wat Jezus zelf doet! Hij heeft die volmacht ook doorgegeven aan zijn leerlingen, zoals blijkt uit het boek van de Handelingen. Het gaat om opzienbarende daden, die mensen niet op eigen krachten kunnen verrichten. Om duivels uit te drijven en wonderen te doen, hebben ze Gods kracht nodig. En toch zet Jezus dat allemaal op de helling: ‘Ik zal hun openlijk zeggen: “Nooit heb Ik u gekend!” ,
Mensen hebben altijd weer de neiging om Gods aanwezigheid te zoeken in het wonderbaarlijke. Nu zegt Jezus niet dat God daar helemaal niet te vinden is. Maar Hij relativeert het wel heel sterk. Het is allemaal bijkomstig en zelfs misleidend en gevaarlijk als dit ene uit het oog verloren wordt: dat onze God opkomt voor gerechtigheid. Grote woorden en spektakel verzinken in het niet als dat niet eerst komt: het doen van gerechtigheid. Wat dat dan is, staat uitgebreid beschreven in wat voorafgaat: de Bergrede, die men heel terecht het evangelie in zakformaat of de Magna Charta van het christendom genoemd heeft…