Beste vrienden,
We kennen ze allemaal, hun beelden staan in onze kerken en soms ook nog in onze woningen. Ik heb het over de vele Heiligen die onze kerk toch kent. Heiligheid op zich is eigenlijk een vreemd en veelzijdig begrip. Aan de ene kant slaat het op de sacrale onaantastbaarheid van God zelf, een Heiligheid die tegelijkertijd schrikwekkend en fascinerend is.Aan de andere kant slaat het ook op de bovenmenselijke volmaaktheid van de ‘heiligen’ wier voorspraak wij soms vragen. Die ‘heiligen’ zijn in onze moderne geseculariseerde tijd om verschillende redenen wel wat in onbruik geraakt. Grotendeels doordat zij, vooral vanaf de 19e eeuw zo zeemzoetig voorgesteld worden, maar ook omdat ons dikwijls ontgaat waarvoor zij eigenlijk model staan, en ook omdat heiligheid voor sommigen vandaag weleens fundamentalistische trekjes oproept. De drie lezingen van deze zondag brengen aan het licht dat heiligheid juist het Bijbelse ‘recept’ is dat onze wereld zou kunnen vernieuwen. Maar die heiligheid staat dan wel diametraal tegenover de heiligheid die opgeëist wordt door fundamentalistische christenen, joden of moslims.
Door de heiligverklaring van pater Damiaan hebben veel mensen een nieuw inzicht gekregen in wat een heilige eigenlijk is. Die Jozef De Veuster uit Tremelo was immers helemaal geen doetje. Hij botste voortdurend met zijn oversten, was niet de gemakkelijkste om mee samen te leven of te werken, ging stijfkoppig zijn weg, en stoorde zich helemaal niet aan wat anderen onfatsoenlijk vonden. Maar juist al die tegendraadse houdingen brachten aan het licht dat hij gedreven was door iets dat hij hoger en belangrijker achtte. De schrijnende werkelijkheid waarmee hij geconfronteerd werd - de melaatsen op het eiland Molokai - was voor hem een appèl dat alle andere conventies overschreeuwde. Hij beschouwde het als zijn heilige plicht om zijn ganse leven in te zetten om het lot van deze uit de maatschappij uitgestoten mensen te verbeteren.
Beste vrienden, een ‘heilige’ plicht, dat is meer dan gewoon maar een taak of een verantwoordelijkheid die je door mensen of instellingen wordt toevertrouwd. Het is een gedreven ‘moeten’ dat groter is dan alle aardse motivaties. Je ervaart haar als een verplichting aan aan God zelf. Waar God zich ook openbaart in de Schrift, laat Hij daar geen misverstand over bestaan: Zijn heiligheid is zo maar geen louter hemelse onaantastbaarheid, maar een onuitputtelijke bron van, en ook een oproep tot, onbegrensde liefde.
‘Wees heilig, want Ik, de Heer, uw God, ben heilig’, zegt Hij tot de Israëlieten in Leviticus, en dat houdt op de eerste plaats in dat zij alle wrok en haat en rechteloosheid uit hun gemeenschap moeten bannen. De heiligheid van God is zoals een vuurtoren die zijn licht over de aarde laat strijken, en de mensen verlicht, waardoor zij elkaar kunnen zien en liefhebben. Het wordt nog eens kernachtig samengevat in ‘Bemin uw naaste als uzelf. Ik ben de Heer’.
Paulus werkt deze gedachte op beeldende wijze uit in de eerste brief aan de Corinthiërs: ‘Broeders en zusters, weet gij niet dat gij Gods tempel zijt, en dat de Geest van God in u woont?’; en: ‘Want de tempel van God is heilig, en die tempel zijt gij’. De “heiligheid” (of de Geest) van God in ons laten wonen, betekent voor Paulus een ander soort wijsheid aan de dag leggen dan die van de wereld. Het is een wijsheid die voor de wereld op dwaasheid lijkt.
Wij weten dat Paulus daarmee de dwaasheid van het kruis bedoelt, de zelfgave van Jezus Christus tot het uiterste. En tegelijk legt ook Paulus het verband tussen de navolging van Jezus’ levensproject en de verhouding met God: ‘Maar gij zijt van Christus, en Christus is van God’. Zo simpel is dat. Wat die schijnbare dwaasheid voor onze concrete omgang met elkaar betekent, vinden wij in de bergrede bij Mattheüs.
In de ganse Bergrede gaat Jezus terug naar de wortels van de joodse godsdienstigheid: de Wet, die een uitdrukking is van Gods heiligheid. Hij kan het niet langer aanzien dat zijn tijdgenoten de heiligheid van God maar netjes voor Zijn rekening laten, en dat die verder geen relevantie meer heeft voor het leven van de mensen op aarde. Het stoort Hem dat zij in het dagelijks leven hun eigen gang gaan, en zich laten leiden door hun menselijke passies en hun slimme handigheidjes om de Wet aan te passen of te omzeilen. ‘Weest volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is’,
zegt Hij, met een verwijzing naar de eerste lezing van vandaag. Die volmaaktheid of heiligheid verandert niets aan de Wet, maar realiseert wel wat de Wet bedoelt: ze heft alle grenzen op die de liefde tussen mensen verhinderen. Die grenzen, dat kunnen gevoelens zijn of vooroordelen, conventies, emotionele reacties, enzovoort. Allemaal dingen die wij heel ‘gewoon’ en ‘menselijk’ vinden, maar die ons altijd weer in het zelfde kringetje laten ronddraaien zonder dat wij in staat zijn de ban te doorbreken en iets ’nieuws’ te beginnen: een omgang en een levensstijl waarin de heiligheid van God ons aanzet tot verbazingwekkende en ontwapenende verhoudingen met onze omgeving.
In het stukje uit de Bergrede dat wij vandaag beluisterd hebben, maakt Jezus ons enkele verrassende consequenties duidelijk voor iedereen die de heiligheid van God, én dus ook van de Wet, heeft begrepen. Het klinkt helemaal niet vroom en gedwee, maar het vereist een bijna revolutionaire weerbaarheid en een voortdurend actief engagement: onrecht en geweld niet met onrecht en geweld bestrijden. Niet alleen de naaste, maar ook de vijand beminnen. De zon laten opgaan over goeden en slechten. Niet alleen beminnen die u beminnen, maar uw horizon verbreden, en het initiatief nemen tot nog meer liefde voor nog meer mensen.
Kortom, het nastreven van volmaaktheid of heiligheid onttrekt zich aan de ‘gewone’, al te menselijke reacties. Die blijven typerend voor heidenen en tollenaars, vindt Jezus. De Wet roept ertoe op om buiten het gewone te treden: ‘En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan?’
Alleen langs deze weg kunnen we de menselijke verhoudingen veranderen en de wereld vernieuwen.
Een eerlijke confrontatie met die oproep uit de Bijbel toont ons duidelijk hoezeer de fundamentalisten, of het nu christenen, joden of moslims zijn, zich verwijderd hebben van de Ene of de Heilige die zij geacht worden te dienen. Want onverdraagzaamheid en fanatisme, al dan niet gepaard gaand met geweld, staan diametraal tegenover de grensverleggende liefde die van God uitgaat, en die door Jezus vertaald wordt in een aantal praktische gedragingen. Amen