Homilie voor de viering in PCB Brugge
Vijfde Zondag door het jaar - A
4-5 februari 2023
‘Jullie zijn het zout der aarde…’
Zorgt dat het niet smakeloos wordt!
Jullie zijn het zout der aarde…(Matt. 5,13)
Een snuifje zout, voor een handvol eurocenten te koop in elke supermarkt. Wat keukenzout op elke tafel, gewoon en alledaags, maar het geeft smaak aan ons eten. Een knabbeltje of schnabbeltje, wat chips-met-zout erbij en het zondagsaperitief smaakt eens zo goed… Jullie zijn het zout der aarde! Maar als het zout zijn kracht verliest, waarmee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen te worden en door de mensen vertrapt… Jullie zijn het zout der aarde! Jullie allen zoals jullie hier zitten, gewone en alledaagse ook wel gekwetste mensenkinderen hier bijeen gewaaid en tegelijk toch ieder zo kostbaar en uniek – meer waard dan al het goud van deze wereld…
Zout geeft smaak
Jullie kunnen smaak geven aan het leven en samenleven hier in de gevangenis. Niet meedoen in het verzuurde klimaat dat hier vaak heerst. Niet meegaan in het pessimistisch of cynisch kijken naar jezelf en naar de toekomst. Er in geloven dat je samen met anderen iets positiefs in beweging kunt brengen. Je medebewoners bij momenten iets laten proeven van wat goed is en deugd kan doen.
Zout ontdooit en maakt wegen vrij
Zout maakt wegen vrij en begaanbaar op de aarde. Langs die wegen trekken mensen naar elkaar. Zijn er gladde wegen in de koude wintermaanden (zijn er wel andere maanden hier, in de gevangenis?): strooi er maar wat zout op, en ze worden weer berijdbaar. Breek het ijs tussen de mensen en maak platgetreden paden weer begaanbaar. Maak de weg van mens naar mens weer open, maak mensen bereikbaar voor elkaar. Werk aan een wegennet van zorg, van bekommernis en aandacht voor elkaar. Eén simpel woord van vrede en verzoening, één eerlijk gebaar van ‘Hoe gaat het met jou?’ kan met de klap onzeggelijk veel kilte en kou tussen mensen ontdooien. Als smelt- en strooizout in de winter zijn we wanneer we woorden van verzoening en van vrede spreken, iedere keer als mensen weer ijskoud met elkaar beginnen om te gaan. Sorry. Vergeef me. Het had niet mogen gebeuren. Geef je me nog een kans? Zo’n kleine korrel zout maakt al het koud bevroren ijs ineens weer zacht.
Zout is een oud betaalmiddel – ‘salaris’
Het woord ‘salaris’ betekent letterlijk: ‘zout-rantsoen’. Het was de courante manier waarop een Romeinse soldaat werd betaald. ‘Jullie zijn het zout der aarde’ wil in deze context zeggen: jullie zijn kostbaar en de moeite waard; jullie zijn belangrijk, stuk voor stuk. Zorg ervoor dat je nooit je gevoel voor eigenwaarde verliest. Laat je waardigheid niet afpakken, door niets of niemand. Blijf geloven in jezelf, wat er ook gebeurt. Laat je nooit ‘gebruiken’, loop geen waardeloze dingen achterna. Verkoop je ziel nooit aan de duivel van het geld. Want jullie zijn het zout der aarde!
Zout bewaart
Een goeie hesp op zolder of een zwijntje in de kuip zijn goud waard als er honger is of oorlog woedt in het land. En wanneer je hier een tijdje in de gevangenis zit dan weet je onderhand wel wat voor vlees je in de kuip hebt. Welnu: jullie zijn het zout in die kuip! Dat zout moet dienen om te bewaren: respectvol en voorzichtig omgaan met de diepste kern, het beste van jezelf en van je lotgenoten. Niet brutaal en ongepast inbreken in hun ziel, niet nog meer kwetsen of schenden – maar bewaren, dat wil zeggen: ‘waar’ laten worden. Het goede dat er is in iedereen tijd en kansen geven om te ontkiemen en te groeien…
Zout ontsmet en zuivert
Een kleine korrel zout van mildheid en wat humor op zijn tijd kan ons bewaren voor veel kwaad en onheil en voor het stilletjes wegzinken in de vergeetput hier…. Ontsmettend zout zijn we als we tegen de wereld durven in te gaan, een wereld van elk voor zich, een macho-wereld die zichzelf beschermt, een schijnwereld die muren bouwt, een wereld die de mens en de natuur niet respecteert. Zo kunnen wij het zout der aarde zijn. Elke keer dat we mensen verbinden, elke keer dat we elkaar bewaren, elkaar ontdooien, elkaar zuiveren en ontsmetten. Vele kleine korrels zout maken een weg vrij naar de toekomst Enkele kleine korrels zout breken wat dicht zit open en maken de wereld lief en zacht. Nog een laatste goeie raad van Tante Kaat: probeer niet op alle slakken zout te leggen, en neem de kritiek en ondank die komen liefst altijd met een grote korrel zout…
En dan mag het dan waar zijn dat wie hier zijn best doet en zich inzet misschien niet eens ‘het zout op zijn patatten verdient’, toch moet je blijven geloven: het is heel erg de moeite waard om dit eenvoudig dienstwerk voor elkaar te blijven doen. Je wordt er zienderogen rijker van, echt waar!
Kom, laten we er samen werk van maken om hier op die manier als ‘christenen’ aanwezig te zijn. Anders is ons leven en samenleven al snel waardeloos, en vroeg of laat wordt het dan weggegooid en vertrapt.
Mijn vader zaliger zei soms al lachend: ‘Als je het vogeltje geluk wilt vangen, moet je wat zout op zijn staartje leggen…’ In elk geval: onthoud het goed vanuit het evangelie van vandaag: echt waar: ‘Jullie zijn het zout der aarde’!
Van bij de Schepping is gezegd: ‘Er moet Licht zijn…’
** Welnu: ‘Jullie zijn het licht van de wereld…’**
Zorgt dat het niet onder de korenmaat belandt…
Een oud verhaal, om dat gezegde uit het evangelie van vandaag nog even ‘toe te lichten’:
‘‘DE KERK VAN DE BRANDENDE LAMPEN’’
Zo heet in de volksmond een klein kerkje ergens in Frankrijk. Elke zondagavond komen de dorpsbewoners naar het kerkje, ieder met een ouderwets olielampje in de hand. Dat gebruik begon al in 1550. De olielampjes zijn eigendom van de kerk. Ieder die op twaalfjarige leeftijd belijdenis van zijn geloof doet, krijgt zo een lampje in bruikleen tot aan zijn dood. Het is vanaf die dag immers zijn roeping het licht brandend te houden en zich met zijn brandende lamp te laten opnemen in de grote gemeenschap van de Christusgemeente, die het licht van de wereld moet zijn. Al meer dan vierhonderd jaar gaan die lampen mee, en ze worden doorgegeven van generatie op generatie. In de kerk worden ze aangestoken en op de brede leuningen van de kerkbanken geplaatst. De parochianen komen elke zondag trouw naar de viering, omdat ze weten dat het een heel stuk donkerder wordt in het gebouw wanneer zij thuis blijven. Op deze wijze wordt daar in dat dorp in Frankrijk al honderden jaren de kerk verlicht. En na afloop van de dienst verspreiden al die lampjes zich weer over het dorp. Zo wil men het licht van Christus in de wereld brengen…
‘‘L’ÉGLISE DES LAMPES ALLUMÉES’’
C’est le nom populaire d’une petite église quelque part en France. Chaque dimanche soir, les villageois viennent à la petite église, chacun avec une ancienne lampe à huile dans la main. Cette coutume a commencé dès 1550. Les lampes à huile sont la propriété de l’église. Toute personne qui professe sa foi à l’âge de 12 ans reçoit une lampe en prêt jusqu’à sa mort. En effet, à partir de ce jour, sa vocation est de maintenir la lumière allumée et, avec sa lampe allumée, d’être envoyé dans la grande communion de l’Église du Christ, qui doit être la lumière du monde. Ces lampes fonctionnent ainsi depuis plus de quatre cents ans et se transmettent de génération en génération. Dans l’église, ils sont allumés et placés sur les larges balustrades des bancs. Les paroissiens viennent fidèlement à la célébration chaque dimanche car ils savent qu’il fait beaucoup plus sombre dans le bâtiment lorsqu’ils restent à la maison. C’est ainsi que l’église est éclairée dans ce village de France depuis des centaines d’années. Et après la fin du service, toutes ces lumières se répandent à nouveau dans le village. C’est ainsi qu’ils veulent apporter la lumière du Christ dans le monde.
Olielampje uit de eerste eeuw
‘‘THE CHURCH OF THE BURNING LAMPS’’
That is the popular name of a small church somewhere in France. Every Sunday evening the villagers come to the little church, each with an old-fashioned oil lamp in his hand. That custom began as early as 1550. The oil lamps are the property of the church. Each person who professes his faith at the age of 12 is thus given a lamp on loan until his death. After all, from that day on, his vocation is to keep the light burning and, with his burning lamp, to be included in the great community of the Church of Christ, which is to be the light of the world. For more than four hundred years those lamps have lasted, and they are passed on from generation to generation. In the church, they are lit and placed on the wide railings of the pews. The parishioners faithfully come to celebration every Sunday, because they know that it gets a whole lot darker in the building when they stay home. This is how the church has been lit there in that village in France for hundreds of years. And after the service is over, all those lights spread out over the village again. This is how they want to bring the light of Christ into the world….
Het evangelie zegt: wij zijn als licht en zout. We hoeven het niet te wòrden – we zijn het al. Het is ons als genade en gratuïte gave toegevallen. Maar tegelijk ook als een ernstige levensopdracht. Want wat doen we met dat licht en met dat zout? Het zout mag zijn kracht niet verliezen en het licht moet op een kandelaar staan om goed te kunnen verlichten. Het gaat in het evangelie van vandaag om een nieuwe manier van aanwezig zijn onder de mensen en in de wereld waarin we leven. Het gaat er om dat wij als leerlingen en volgelingen van Jezus, als christenen dus, de heilzame aanwezigheid van God zelf zichtbaar en tastbaar maken voor de mensen om ons heen. Wij moeten smaakmakers zijn in de samenleving, lichtbrengers in het donker en wegwijzers naar het geluk…
En let wel: klein kan veel…
We hoeven niet ‘groots en meeslepend’ te leven om Jezus te kunnen volgen. Het onmogelijke wordt niet gevraagd. Wel mogen we smaakmakers zijn, mensen die net dat ietsje méér geven. Zoals zout bederf tegengaat, zo mogen wij instaan voor mens en wereld. We worden geroepen om het leven te bewaren, Om te werken aan een goede toekomst. We hoeven daarvoor de barricaden niet op. We kunnen hier en nu echt mens zijn: zorgzaam, licht en warmte gevend. Jullie zijn het licht van de wereld. Jullie zijn het zout der aarde! Jezus vertrouwt ons vandaag deze opdracht toe. Hij ziet iets in ons – jawel: wij kùnnen dat! Maar we hoeven het niet alleen op te knappen. We mogen het samen doen. Hij vertrouwt erop dat we samen sterk staan, ook hier in de gevangenis. Klein kan immers heel veel, als we samen hand-in-hand gaan.
(Wim Holterman osfs)
Een verhaal uit de concentratiekampen…
Tegen het einde van de oorlog werd een groep vrouwen uit Auschwitz verplaatst naar kamp Ravensbrück. Het laatste stuk van de reis gebeurde in open treinwagons waarin de vrouwen bovenop elkaar geperst waren. Eén van die vrouwen, Sara Przytyk beschrijft in haar dagboek hoe ze er in slaagde een verbindingsstuk tussen twee wagons te bereiken waar ze kon zitten. Maar ze had daar nog meer kou dan toen ze in de wagon vol lichamen verbleef. ‘Alstublieft mevrouw.’ Een luid gefluister en geklop op de wand van de wagon vóór me bereikte me als door een mist. ‘Alstublieft, steek uw hand uit en pak de deken, snel’, hield de dringende stem aan vanuit de andere wereld. ‘Denk er niet over na. Steek alleen uw hand uit.’ Ik stak mijn arm uit en iemand uit de wagon gaf me een grijze kampdeken. Het bleek dus toch geen droom te zijn, die stem die ik hoorde… Er is iemand in de wagon die me écht wil helpen, dacht ik. Iemand wil dat ik blijf leven. Ik gooide de deken over mijn hoofd. Ik wikkelde hem om mijn rug en mijn borst en begroef mijn handen erin. Nu klopte ik op mijn beurt op de wand. ‘Alstublieft, mevrouw. U hebt mijn leven gered. Ik heb het nu wat warmer. Hebt u de deken zelf niet nodig? ‘Nee’, fluisterde de stem terug. ‘We hadden twee dekens, mijn dochter en ik. We zitten nu samen onder één deken en we hebben het warm bij elkaar…’ Hoe is het mogelijk, dacht ik. Aan de ene kant al die beestachtigheid in zo’n concentratiekamp. En aan de andere kant zoveel haast onzichtbare menselijkheid, zoveel onzelfzuchtige aandacht en liefde voor een mens in nood. Ik kon het haast niet geloven… Sara Nomberg-Przytyk – in ‘Auschwitz: True tales from a grotesque land’
Toward the end of the war, a group of women were moved from Auschwitz to Ravensbrück camp. The last leg of the journey took place in open train cars in which the women were squeezed on top of each other. One of those women, Sara Przytyk, describes in her diary how she managed to reach a connecting piece between two wagons where she could sit. But she was even more cold there than when she stayed in the wagon full of bodies. “Please, ma’am. A loud whisper and knocking on the wall of the wagon before me, reached me as if through a fog. ‘Please, put out your hand and take the blanket, quickly,’ the urgent voice persisted from the other world. ‘Don’t think about it. Just hold out your hand.’ I held out my arm and someone from the wagon handed me a gray camp blanket. So it turned out not to be a dream after all, that voice I heard… There is someone in the wagon who really wants to help me, I thought. Someone wants me to live. I threw the blanket over my head. I wrapped it around my back and my chest and buried my hands in it. Now I knocked on the wall in turn. ‘Please, ma’am. You saved my life. I’m a little warmer now. Don’t you need the blanket yourself? ‘No,’ the voice whispered back. ‘We had two blankets, my daughter and I. We are now together under one blanket and we are warm together…’ How is it possible, I thought. On the one hand all this bestiality in such a concentration camp. And on the other hand so much almost invisible humanity, so much selfless attention and love for a person in need. I could hardly believe it… Sara Nomberg-Przytyk - in ‘Auschwitz: True tales from a grotesque land’
Vers la fin de la guerre, un groupe de femmes a été transféré d’Auschwitz au camp de Ravensbrück. La dernière partie du voyage s’est déroulée dans des wagons ouverts dans lesquels les femmes étaient serrées les unes sur les autres. L’une de ces femmes, Sara Przytyk, décrit dans son journal comment elle a réussi à atteindre une pièce de liaison entre deux wagons où elle pouvait s’asseoir. Mais elle avait encore plus froid là-bas que lorsqu’elle était dans le wagon rempli de corps. ‘S’il vous plaît, madame.’ Un fort chuchotement et des coups frappés sur le mur du wagon devant moi me parviennent comme à travers un brouillard. ‘S’il vous plaît, tendez la main et prenez la couverture, vite’, continuait la voix pressante de l’autre monde. ‘N’y pense pas. Tendez votre main.’ J’ai tendu le bras et quelqu’un du chariot m’a tendu une couverture de camp grise. Il s’est avéré que ce n’était pas un rêve après tout, cette voix que j’ai entendue… Il y a quelqu’un dans le wagon qui veut vraiment m’aider, ai-je pensé. Quelqu’un veut que je vive. J’ai jeté la couverture sur ma tête. Je l’ai enroulé autour de mon dos et de ma poitrine et j’y ai enfoui mes mains. Maintenant, je frappe au mur à mon tour. ‘S’il vous plaît, madame. Tu m’as sauvé la vie. Je suis un peu plus chaud maintenant. Tu n’as pas besoin de la couverture toi-même?’ ‘Non’, répond la voix en chuchotant. ‘Nous avions deux couvertures, ma fille et moi. Nous sommes maintenant ensemble sous une même couverture et nous avons chaud ensemble…’ Comment est-ce possible, ai-je pensé. D’un côté, toute cette bestialité dans un tel camp de concentration. Et d’autre part, tant d’humanité presque invisible, tant d’attention et d’amour désintéressés pour une personne dans le besoin. J’avais du mal à le croire… Sara Nomberg-Przytyk - dans “Auschwitz. Histoires vraies d’un pays grotesque”.
Kleine goedheid
Is het een stem van ooit
die zindert in hun hoofd?
Door wat gedreven?
Zij, de wakenden,
die met de ogen van hun ziel
en handen nooit genoeg,
blijven omringen
dat wat zorg verdient
in deze wereld?
Zij toveren met tijd.
Zij breken hem in stukken
om steeds rond te komen.
Vertrouwd zijn zij,
als van nature,
met het oud geheim
van gave en van gratuïteit,
die mensen openvouwt
en bijna grenzeloos doet leven.
Voor wat zij doen
bestaan geen titels.
Noem het de naamloze
en kleine goedheid,
die niet voor zichzelf bestaat.
Maar waarmee men
soms bergen kan verzetten,
zonder het te weten.
Kris Gelaude in TGL – jg. 71, nr. 4 – juli-augustus 2015
La petite bonté
Est-ce une voix d’autrefois qui résonne dans leur tête? Conduit par quoi ? Ils, les vigilants, qui, avec les yeux de leurs âmes et des mains jamais suffisantes, continuent à entourer ce qui mérite d’être soigné dans ce monde? Ils conjurent le temps. Ils le cassent en morceaux pour continuer à venir. Ils sont familiers, comme si c’était naturel, avec l’ancien secret de cadeau et de gratification, qui déploie les gens et les fait vivre presque sans limites. Pour ce qu’ils font il n’y a pas de titres. Appelez ça ‘le sans nom’ et la petite bonté, qui n’existe pas pour lui-même. Mais avec lequel on peut parfois déplacer des montagnes, sans le savoir. Kris Gelaude
The little goodness
Is it a voice of ever that shimmers in their heads? Driven by what? They, the watchful, who with the eyes of their souls and hands never enough, continue to surround that which deserves care in this world? They conjure with time. They break it into pieces to keep coming around. Familiar they are, as if by nature, with the ancient secret of gift and of gratuity, which unfolds people and makes them live almost boundlessly. For what they do there are no titles. Call it the nameless and little goodness, which does not exist for itself. But with which sometimes one can move mountains, without knowing it. Kris Gelaude
Samenstelling: geert dedecker
‘Jullie zijn het zout der aarde…’(Matt. 5,13)
Zorgt dat het niet smakeloos wordt!
Jullie zijn het zout der aarde! Maar als het zout zijn kracht verliest, waarmee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen te worden en door de mensen vertrapt… Jullie zijn het zout der aarde! Jullie allen, gewone, alledaagse en ook wel gekwetste mensen die hier zitten…
Zout geeft smaak
Jullie kunnen smaak geven aan het leven en samenleven hier in de gevangenis. Niet meedoen in het verzuurde klimaat dat hier vaak heerst. Niet meegaan in het pessimistisch of cynisch kijken naar jezelf en naar de toekomst. Er in geloven dat je samen met anderen iets positiefs in beweging kunt brengen. Je medebewoners bij momenten iets laten proeven van wat goed is en deugd kan doen.
Zout ontdooit en maakt wegen vrij en begaanbaar
Langs die wegen trekken mensen naar elkaar. Zijn er gladde wegen in de koude wintermaanden (zijn er wel andere maanden hier, in de gevangenis?): strooi er maar wat zout op, en ze worden weer berijdbaar. Breek het ijs tussen de mensen en maak platgetreden paden weer begaanbaar. Maak de weg van mens naar mens weer open, maak mensen bereikbaar voor elkaar. Werk aan een wegennet van zorg, van bekommernis en aandacht voor elkaar. Eén simpel woord van vrede en verzoening, één eerlijk gebaar van ‘Hoe gaat het met jou?’ kan met de klap onzeggelijk veel kilte en kou tussen mensen ontdooien.
Zout is een oud betaalmiddel – ‘salaris’
Het woord ‘salaris’ betekent letterlijk: ‘zout-rantsoen’. Het was de courante manier waarop een Romeinse soldaat werd betaald. ‘Jullie zijn het zout der aarde’ wil in deze context zeggen: jullie zijn kostbaar en de moeite waard; jullie zijn belangrijk, stuk voor stuk. Zorg ervoor dat je nooit je gevoel voor eigenwaarde verliest. Laat je waardigheid niet afpakken, door niets of niemand. Blijf geloven in jezelf, wat er ook gebeurt. Laat je nooit ‘gebruiken’, loop geen waardeloze dingen achterna. Verkoop je ziel nooit aan de duivel van het geld.
Zout bewaart
Een goeie hesp op zolder of een zwijntje in de kuip zijn goud waard als er honger is of oorlog woedt in het land. En wanneer je hier een tijdje in de gevangenis zit dan weet je onderhand wel wat voor vlees je in de kuip hebt. Welnu: jullie zijn het zout in die kuip! Dat zout moet dienen om te bewaren: respectvol en voorzichtig omgaan met de diepste kern, het beste van jezelf en van je lotgenoten. Niet brutaal en ongepast inbreken in hun ziel, niet nog meer kwetsen of schenden – maar bewaren, dat wil zeggen: ‘waar’ laten worden. Het goede dat er is in iedereen tijd en kansen geven om te ontkiemen en te groeien…
Zout ontsmet en zuivert
Een kleine korrel zout van mildheid en wat humor op zijn tijd kan ons bewaren voor veel kwaad en onheil en voor het stilletjes wegzinken in de vergeetput hier…. Ontsmettend zout zijn we als we durven in te gaan, tegen een wereld van elk voor zich, een macho-wereld die zichzelf beschermt, een schijnwereld die muren bouwt, een wereld die de mens in al zijn kwetsbaarheid niet respecteert. Zo kunnen wij het zout der aarde zijn. Elke keer dat we mensen verbinden, elke keer dat we elkaar bewaren, elkaar ontdooien, elkaar zuiveren en ontsmetten. Vele kleine korrels zout maken een weg vrij naar de toekomst. Kom, laten we er samen werk van maken om hier op die manier als ‘christenen’ aanwezig te zijn. Anders is ons leven en samenleven al snel waardeloos, en vroeg of laat wordt het dan weggegooid en vertrapt.
Vous êtes le sel de la terre! Mais si le sel perd son pouvoir, avec quoi allez-vous saler? Il ne sert plus à rien qu’à être jeté et piétiné par les hommes… Vous êtes le sel de la terre! Vous tous, assis ici, des gens ordinaires et simples, et en même temps des gens blessés…
Le sel donne du goût
Le sel dégèle et rend les routes libres et praticables
Le sel est une ancienne monnaie – ‘salaire’.
Le sel conserve
Le sel désinfecte et purifie
You are the salt of the earth! But if the salt loses its power, what will one salt with? It is no more virtuous for anything than to be thrown away and trampled by men… You are the salt of the earth! All of you as you sit here, ordinary, simple and also somewhat hurt people…
Salt gives taste
Salt thaws and makes roads free and passable
Salt is an ancient currency - ‘salary’
Salt preserves
Salt disinfects and purifies
** ‘Jullie zijn het licht van de wereld…’ (Matt. 5, 14)**
Zorgt dat het niet onder de korenmaat belandt!
Een oud verhaal, om dat gezegde uit het evangelie van vandaag nog even ‘toe te lichten’:
‘‘DE KERK VAN DE BRANDENDE LAMPEN’’
Zo heet in de volksmond een klein kerkje ergens in Frankrijk. Elke zondagavond komen de dorpsbewoners naar het kerkje, ieder met een ouderwets olielampje in de hand. Dat gebruik begon al in 1550. De olielampjes zijn eigendom van de kerk. Ieder die op twaalfjarige leeftijd belijdenis van zijn geloof doet, krijgt zo een lampje in bruikleen tot aan zijn dood. Het is vanaf die dag immers zijn roeping het licht brandend te houden en zich met zijn brandende lamp te laten opnemen in de grote gemeenschap van de Christusgemeente, die het licht van de wereld moet zijn. Al meer dan vierhonderd jaar gaan die lampen mee, en ze worden doorgegeven van generatie op generatie. In de kerk worden ze aangestoken en op de brede leuningen van de kerkbanken geplaatst. De parochianen komen elke zondag trouw naar de viering, omdat ze weten dat het een heel stuk donkerder wordt in het gebouw wanneer zij thuis blijven. Op deze wijze wordt daar in dat dorp in Frankrijk al honderden jaren de kerk verlicht. En na afloop van de dienst verspreiden al die lampjes zich weer over het dorp. Zo wil men het licht van Christus in de wereld brengen…
‘‘L’ÉGLISE DES LAMPES ALLUMÉES’’
C’est le nom populaire d’une petite église quelque part en France. Chaque dimanche soir, les villageois viennent à la petite église, chacun avec une ancienne lampe à huile dans la main. Cette coutume a commencé dès 1550. Les lampes à huile sont la propriété de l’église. Toute personne qui professe sa foi à l’âge de 12 ans reçoit une lampe en prêt jusqu’à sa mort. En effet, à partir de ce jour, sa vocation est de maintenir la lumière allumée et, avec sa lampe allumée, d’être envoyé dans la grande communion de l’Église du Christ, qui doit être la lumière du monde. Ces lampes fonctionnent ainsi depuis plus de quatre cents ans et se transmettent de génération en génération. Dans l’église, ils sont allumés et placés sur les larges balustrades des bancs. Les paroissiens viennent fidèlement à la célébration chaque dimanche car ils savent qu’il fait beaucoup plus sombre dans le bâtiment lorsqu’ils restent à la maison. C’est ainsi que l’église est éclairée dans ce village de France depuis des centaines d’années. Et après la fin du service, toutes ces lumières se répandent à nouveau dans le village. C’est ainsi qu’ils veulent apporter la lumière du Christ dans le monde.
Olielampje uit de eerste eeuw
‘‘THE CHURCH OF THE BURNING LAMPS’’
That is the popular name of a small church somewhere in France. Every Sunday evening the villagers come to the little church, each with an old-fashioned oil lamp in his hand. That custom began as early as 1550. The oil lamps are the property of the church. Each person who professes his faith at the age of 12 is thus given a lamp on loan until his death. After all, from that day on, his vocation is to keep the light burning and, with his burning lamp, to be included in the great community of the Church of Christ, which is to be the light of the world. For more than four hundred years those lamps have lasted, and they are passed on from generation to generation. In the church, they are lit and placed on the wide railings of the pews. The parishioners faithfully come to celebration every Sunday, because they know that it gets a whole lot darker in the building when they stay home. This is how the church has been lit there in that village in France for hundreds of years. And after the service is over, all those lights spread out over the village again. This is how they want to bring the light of Christ into the world….
Het gaat in het evangelie van vandaag om een nieuwe manier van aanwezig zijn onder de mensen en in de wereld waarin we leven. Het gaat er om dat wij als leerlingen en volgelingen van Jezus, als christenen dus, de heilzame aanwezigheid van God zelf zichtbaar en tastbaar maken
voor de mensen om ons heen. Wij moeten smaakmakers zijn in de samenleving, lichtbrengers in het donker en wegwijzers naar het geluk… Want wat is een christen? Dat is een individu dat met één lichtje zijn hele omgeving kan verlichten. Eén echte christen die waarachtig werkzaam aanwezig is in een groep van mensen, kan de hele sfeer positief veranderen. En je moet weten: licht en vuur zijn zoals de liefde en zoals God: zij verminderen niet door zich mee te delen, integendeel…
Want… klein kan veel…
We hoeven niet ‘groots en meeslepend’ te leven om Jezus te kunnen volgen. Het onmogelijke wordt niet gevraagd. Wel mogen we smaakmakers zijn, mensen die net dat ietsje méér geven. Zoals zout bederf tegengaat, zo mogen wij instaan voor mens en wereld. We worden geroepen om het leven te bewaren, Om te werken aan een goede toekomst. We hoeven daarvoor de barricaden niet op. We kunnen hier en nu echt mens zijn: zorgzaam, licht en warmte gevend. Jullie zijn het licht van de wereld. Jullie zijn het zout der aarde! Jezus vertrouwt ons vandaag deze opdracht toe. Hij ziet iets in ons – jawel: wij kùnnen dat! Maar we hoeven het niet alleen op te knappen. We mogen het samen doen. Hij vertrouwt erop dat we samen sterk staan, ook hier in de gevangenis. Klein kan immers heel veel, als we samen hand-in-hand willen gaan. (Wim Holterman osfs)
Een verhaal uit de concentratiekampen…
Tegen het einde van de oorlog werd een groep vrouwen uit Auschwitz verplaatst naar kamp Ravensbrück. Het laatste stuk van de reis gebeurde in open treinwagons waarin de vrouwen bovenop elkaar geperst waren. Eén van die vrouwen, Sara Przytyk beschrijft in haar dagboek hoe ze er in slaagde een verbindingsstuk tussen twee wagons te bereiken waar ze kon zitten. Maar ze had daar nog meer kou dan toen ze in de wagon vol lichamen verbleef. ‘Alstublieft mevrouw.’ Een luid gefluister en geklop op de wand van de wagon vóór me bereikte me als door een mist. ‘Alstublieft, steek uw hand uit en pak de deken, snel’, hield de dringende stem aan vanuit de andere wereld. ‘Denk er niet over na. Steek alleen uw hand uit.’ Ik stak mijn arm uit en iemand uit de wagon gaf me een grijze kampdeken. Het bleek dus toch geen droom te zijn, die stem die ik hoorde… Er is iemand in de wagon die me écht wil helpen, dacht ik. Iemand wil dat ik blijf leven. Ik gooide de deken over mijn hoofd. Ik wikkelde hem om mijn rug en mijn borst en begroef mijn handen erin. Nu klopte ik op mijn beurt op de wand. ‘Alstublieft, mevrouw. U hebt mijn leven gered. Ik heb het nu wat warmer. Hebt u de deken zelf niet nodig? ‘Nee’, fluisterde de stem terug. ‘We hadden twee dekens, mijn dochter en ik. We zitten nu samen onder één deken en we hebben het warm bij elkaar…’ Hoe is het mogelijk, dacht ik. Aan de ene kant al die beestachtigheid in zo’n concentratiekamp. En aan de andere kant zoveel haast onzichtbare menselijkheid, zoveel onzelfzuchtige aandacht en liefde voor een mens in nood. Ik kon het haast niet geloven… Sara Nomberg-Przytyk – in ‘Auschwitz: True tales from a grotesque land’
Vers la fin de la guerre, un groupe de femmes a été transféré d’Auschwitz au camp de Ravensbrück. La dernière partie du voyage s’est déroulée dans des wagons ouverts dans lesquels les femmes étaient serrées les unes sur les autres. L’une de ces femmes, Sara Przytyk, décrit dans son journal comment elle a réussi à atteindre une pièce de liaison entre deux wagons où elle pouvait s’asseoir. Mais elle avait encore plus froid là-bas que lorsqu’elle était dans le wagon rempli de corps. ‘S’il vous plaît, madame.’ Un fort chuchotement et des coups frappés sur le mur du wagon devant moi me parviennent comme à travers un brouillard. ‘S’il vous plaît, tendez la main et prenez la couverture, vite’, continuait la voix pressante de l’autre monde. ‘N’y pense pas. Tendez votre main.’ J’ai tendu le bras et quelqu’un du chariot m’a tendu une couverture de camp grise. Il s’est avéré que ce n’était pas un rêve après tout, cette voix que j’ai entendue… Il y a quelqu’un dans le wagon qui veut vraiment m’aider, ai-je pensé. Quelqu’un veut que je vive. J’ai jeté la couverture sur ma tête. Je l’ai enroulé autour de mon dos et de ma poitrine et j’y ai enfoui mes mains. Maintenant, je frappe au mur à mon tour. ‘S’il vous plaît, madame. Tu m’as sauvé la vie. Je suis un peu plus chaud maintenant. Tu n’as pas besoin de la couverture toi-même?’ ‘Non’, répond la voix en chuchotant. ‘Nous avions deux couvertures, ma fille et moi. Nous sommes maintenant ensemble sous une même couverture et nous avons chaud ensemble…’ Comment est-ce possible, ai-je pensé. D’un côté, toute cette bestialité dans un tel camp de concentration. Et d’autre part, tant d’humanité presque invisible, tant d’attention et d’amour désintéressés pour une personne dans le besoin. J’avais du mal à le croire… Sara Nomberg-Przytyk - dans “Auschwitz. Histoires vraies d’un pays grotesque”.
Toward the end of the war, a group of women were moved from Auschwitz to Ravensbrück camp. The last leg of the journey took place in open train cars in which the women were squeezed on top of each other. One of those women, Sara Przytyk, describes in her diary how she managed to reach a connecting piece between two wagons where she could sit. But she was even more cold there than when she stayed in the wagon full of bodies. “Please, ma’am. A loud whisper and knocking on the wall of the wagon before me, reached me as if through a fog. ‘Please, put out your hand and take the blanket, quickly,’ the urgent voice persisted from the other world. ‘Don’t think about it. Just hold out your hand.’ I held out my arm and someone from the wagon handed me a gray camp blanket. So it turned out not to be a dream after all, that voice I heard… There is someone in the wagon who really wants to help me, I thought. Someone wants me to live. I threw the blanket over my head. I wrapped it around my back and my chest and buried my hands in it. Now I knocked on the wall in turn. ‘Please, ma’am. You saved my life. I’m a little warmer now. Don’t you need the blanket yourself? ‘No,’ the voice whispered back. ‘We had two blankets, my daughter and I. We are now together under one blanket and we are warm together…’ How is it possible, I thought. On the one hand all this bestiality in such a concentration camp. And on the other hand so much almost invisible humanity, so much selfless attention and love for a person in need. I could hardly believe it… Sara Nomberg-Przytyk - in ‘Auschwitz: True tales from a grotesque land’.
Van: geertrui verdonck verdonckgeertrui@gmail.com Verzonden: dinsdag 7 februari 2023 22:50 Aan: Geert Dedecker geertdedecker@outlook.be
Onderwerp:
Dag Geert,
Vandaag een gesprekje met Myriam uit de vrouwenafdeling van de gevangenis PCB Brugge.
Ze schreef nav je viering dit weekend een gebedsgedicht (zoals zij dat noemt)
God,
Zout geeft smaak aan ons eten. Mogen wij mensen zout worden voor anderen op deze aarde: zin geven aan onze medemensen hun vreugde en geluk brengen Laat ons zout zijn, mijn God, liefde brengen aan wie we liefhebben en zo ons licht brengen zodat zij blijheid kennen.
amen
lieve groet! geertrui verdonck – aalmoezenier vrouwengevangenis PCB Brugge
Homilie voor de viering van de
Vijfde Zondag door het jaar - A
4-5 februari 2023
*Voor de homilie bij het evangelie van vandaag **kan het zinvol zijn wat ‘aanschouwelijk materiaal’ bij de hand te hebben. Het gaat meer bepaald om twee van de meest gewone en herkenbare kerkelijke ‘attributen’ - ze zijn zonder twijfel in elke sacristie binnen handbereik: een kandelaar en een domper, een zogenaamde ‘kaarsensnuiter’. **Ook houdt men best de grote Paaskaars **binnen *het gezichtsveld, en binnen handbereik. *De onderstaande tekst, bedoeld voor de homilie, maakt duidelijk dat we vanuit het evangelie van deze zondag voor de keuze worden gesteld. Voor welke van die twee attributen kiezen we? Plaatsen we het licht op de standaard en op de kandelaar, met een vlammetje afkomstig van de grote Paaskaars, zodat dit licht kan helpen om het donker en **het duister om ons heen te verdrijven? Of plaatsen we dat licht **liever **onder de korenmaat, **of sterker nog: doven we het meteen helemaal en voorgoed? Hanteren we zonder **genade liever stelselmatig de domper, die ‘*rare snuiter’, om de kwijnende vlaspitvan de hoop in onszelf en in zoveel andere kleine, bange mensen te doven..?
De kaars en de domper
In de winkel, in het schap van de kaarsen, zie je hem steeds vaker te koop liggen: de kaarsendomper. Hij ziet er uit als een klokje aan een lange stok. Een domper dient om makkelijk kaarsen uit te doven. Hij kan zonder veel fantasie symbool staan voor onze verzuurde en pessimistische samenleving, voor alles wat zwartkijkers en criticasters maar al te graag doen: het licht in de wereld uitdoven… Hoe geheel anders en tegengesteld gaat het er aan toe met de Paaskaars vooraan in de kerk. Zij staat symbool voor de levende Christus, de Verrezene, het Licht van de wereld. Het Licht dat de wereld verlicht. De kaarsendomper is een klein en handig instrumentje om kaarsen te doven, dat vanouds dicht bij de hand is in haast alle sacristieën van al onze kerken en kapellen. Wanneer je de lange stok ter hand neemt, en het koperen klokje voorzichtig boven de brandende kaars houdt, dooft het licht van die kaars als vanzelf bij gebrek aan zuurstof. Tot slot verspreidt zich een stinkende walm over de omgeving, wat meteen helemaal duidelijk maakt dat er van het tere licht niets meer over blijft… De domper is steeds meer een populair en vaak gehanteerd instrument in onze verzuurde samenleving. Het is bij uitstek het geliefkoosde instrument van de criticaster en zwartkijker. Telkens opnieuw, in het klein en het groot, zetten zij maar al te graag de domper op alle kwetsbare tekens van licht en leven… De klaagzang van de verzuurde samenlevingen van de gedoodverfde zwartkijker is tegenwoordig ellenlang. Zo zeggen zij: ‘Ge kunt tegenwoordig niet meer veilig op straat komen’; ‘Wij kunnen al die problemen van arme landen toch niet oplossen!’; ‘Europa, wie wordt daar beter van?’ ‘De jeugd van tegenwoordig, daar zit niets meer in!’ Vervolgens gaat de klaagzang verder: *‘Zelfs aan de kleine criminaliteit wordt niet mee gedaan.’ ‘Alles in onze samenleving draait rond oppervlakkigheid en goedkoop amusement, het komt altijd weer neer op *geld en macht en seks…’ ‘Och kind, gij zult harder en vooral langer moeten werken dan ik, want de pensioenen zullen straks onbetaalbaar zijn.’ En telkens opnieuw hanteren we in onze samenleving maar al te graag die kaarsendomper, die grote dooddoener: ‘Leg je daar maar bij neer. Er is toch niets aan te doen…’ Het cynisme en fatalisme is al altijd de grootste kaarsendomper geweest in het leven en samenleven. Een fatalist gaat er van uit dat niet in het leven en in onze omgeving ten goede kan veranderen. Dat we regelrecht met onze samenleving de afgrond aan het in rijden zijn. Het gebruik van de domper werkt aanstekelijk, els een zeer besmettelijk virus of een kwalijke ziekte. Op het laatst doen we – als we niet opletten – met zijn allen het licht uit. Een stinkende walm verspreidt zich dan over de samenleving, met een flauwe rookpluim, terwijl wij samen in het donker achterblijven. En je vraagt je af: waarom doen we dat toch zo graag, dat hanteren van die domper? Zitten we dan zo graag bij elkaar in het duister van de berusting en het fatalisme..? Hoe heel anders is het met de kaars gesteld – bijvoorbeeld met de grote Paaskaars die we week na week aansteken in de kerk, bij het begin van elke viering. We hebben een vlam van hoop aangestoken. We hebben de vonk van Pasen laten oplichten, en hebben dat licht op de kandelaar en op de standaard geplaatst; we hebben er een vuurtoren van gemaakt, die ons kan leiden naar de veilige haven, waar we kunnen thuiskomen bij elkaar. En dat heeft altijd zijn effect. Want inderdaad, wanneer het pikkedonker is in het eigen leven, dan maakt het aansteken van één zo’n kaars een heel verschil. Zelfs het licht van een klein waakvlammetje maakt het wachten en waken in het donker een stuk draaglijker. Het licht dat voorgoed in de pikdonkere nacht van ons leven doorgebroken is, is dat van de Verrezen Christus. Hij was niet zomaar een Man van licht en leven, Hij was hét licht van de wereld. En een kaarsendomper hanteren, daar moest Hij niets van weten. Daar kon Hij niet mee omgaan – of beter: Hij wilde het niet leren. ‘Ik ben gekomen opdat zij leven zouden bezitten’, heeft Hij ooit gezegd. ‘…en wel: leven in overvloed…’ (Joh. 10,10) (naar Rudy Pareyns in Homiletische suggesties – 20.04.2014)
Met een beetje licht kan je een hele kamer, en misschien wel de hele wereld vullen…
Want wat is een christen? Dat is een individu dat met één lichtje zijn hele omgeving kan verlichten. Eén echte christen die waarachtig werkzaam aanwezig is in een groep van mensen, kan de hele sfeer positief veranderen. En je moet weten: licht en vuur zijn zoals de liefde en zoals God: zij verminderen niet door zich mee te delen, integendeel… Moet je horen naar dit verhaal – het is een Arabisch sprookje: Er was eens een koning met twee zonen. Slechts één van beide kon zijn koninkrijk erven. Om uit te maken aan wie hij zijn rijk het best kon toevertrouwen, gaf de koning beide jongens een som geld en de opdracht: ‘Met dit geld moet je iets kopen waarmee je de grote zaal van ons kasteel helemaal kan vullen.’ Wie het best in deze opdracht zou slagen, zou het koninkrijk erven. De eerste zoon dacht: ‘Stro is heel goedkoop. Ik koop zoveel stro als ik voor dit geld kan krijgen.’ Maar de zaal van het kasteel raakte slechts voor de helft gevuld met het stro. De tweede zoon kocht een pot van aardewerk, wat olie en een wiek, en maakte daarmee een lamp. In de grote zaal van het kasteel stak hij de lamp aan en kijk, het licht vulde de zaal tot in de verste hoeken. Als wij nu eens écht als christenen, individueel en als kerkgemeenschap, zouden beginnen te leven vanuit een echte Paasspiritualiteit, de spiritualiteit ook van de zaligsprekingen die we verleden week in de liturgie hebben horen voorlezen? Als wij nu eens vanuit het licht dat we zelf kunnen zijn zouden omzien naar anderen. Als we nu eens resoluut zouden kiezen voor de kandelaar in plaats van voor de kaarsendomper. Wat een energie zou dat niet geven aan zoveel mensen die in het donker dreigen te verdwalen. Hun dagen én onze dagen zouden lichter worden. Een nieuw gerucht zou door de straten gaan: Mensen, het Licht der wereld is geboren! En allen die het horen zouden zeggen: ‘Kijk daar – hoog op die berg, daar is een stad van vrede gelegen, een plek waar het goed is om bij elkaar te wonen. Daar willen wij naartoe.’ Want het is waar wat het evangelie van vandaag zegt: ‘Een stad die op een berg gelegen is, kan niet verborgen blijven…’ (Matt. 5, 14)
** De lamp onder de korenmaat - Christian Dare**
Lieve mensen van deze kerkgemeenschap,
Ik bid en wens en hoop dat er altijd licht mag zijn in jullie ogen om steeds het goede in elkaar te ontdekken en elkaar te blijven zien zo goed als nieuw.
Ik bid om licht in jullie harten om er ruimte in te scheppen en plaats te maken voor zeer velen in wereldwijde solidariteit.
Moge er licht zijn in jullie gedachten om altijd te komen tot nadenken en eerlijke besluiten. Licht in jullie huizen: dat er vriendschap en gastvrijheid heerst vooral voor wie in het donker dwaalt en nergens meer een uitweg weet. Licht in jullie dagelijkse omgang met elkaar om niet doelloos en onvindbaar te zijn voor wie jullie hulp nodig heeft en niet weg te lopen van wat jullie te doen staat.
Moge er licht zijn in al jullie werk en engagementen, dat jullie zorg en bekommernis oude en jonge mensen zou helpen om meer mens te kunnen worden of te kunnen blijven. Moge het licht van de gerechtigheid en vrede steeds meer over de wereld schijnen vanuit jullie strijd en jullie verzet.
Moge er licht schijnen vanuit jullie barmhartigheid en mededogen voor alle mensen op de vlucht of in andere nood en ook voor ons hier samen – het lichtje dat op de gang blijft branden voor als we soms niet kunnen slapen omdat we zo bang zijn voor het donker buiten.
Bedankt alvast voor het licht dat jullie willen zijn voor deze wereld. God zegene en beware jullie allen. Hij make jullie tot een zegen voor elkaar en voor zeer velen. Amen.
Een stad op de berg kan niet verborgen blijven…
Jan Borkent: Kerk De Hofstad in Apeldoorn
Jan Borkent: Kerk De Hofstad in Apeldoorn – de koepel
Jan Borkent: Kerk De Hofstad in Apeldoorn – venster boven de ingang
Kunst in de open ruimte – Borgloon
Samenstelling: geert dedecker