Zalig die vrede brengen, want ze zullen kinderen van God worden genoemd.
De betekenis van deze uitspraak van Jezus moge ons duidelijk worden door twee verhalen.
Er was eens een vergadering tussen twee groepen die onenigheid hadden. De deelnemers gaven elkaar geen hand bij het binnenkomen. De sfeer was om te snijden. Er moest nog op twee mensen gewacht worden. Dat wachten was ronduit vreselijk. Traag kropen de minuten van wachten voorbij. De meeste gezichten stonden strak. Men keek alleen naar een ander, als de ander niet keek. De stilte was niet om uit te houden. ‘Het is hier frisjes’ zei iemand, om toch maar wat te zeggen. ‘Ja, het is dan ook nog geen augustus’, zei iemand anders, kijkend in zijn papieren voor zich. Stilte. Een hele tijd. ‘Er waren meer dan 200 sollicitanten voor die vacature’, zei iemand. Gelukkig, een veilig onderwerp. Iemand wist een verklaring: ‘Werkloosheid’, zei hij zonder de ander aan te kijken. Weer stilte. Zo werden de minuten van wachten overbrugd. Eindelijk kwamen die twee. De vergadering kon beginnen.
De voorzitter zei dat hij verheugd was dat allen aanwezig waren. Dat was helemaal niet waar, want hij keek niet verheugd. Het behoorde gewoon bij zijn vergadertechniek. Niemand deelde dan ook in zijn niet-bestaande vreugde. Die twee groepen zaten tegenover elkaar. Zo zijn ze ook blijven zitten. Ze hadden van elkaar een beeld gevormd dat negatief was. En zij wensten dat negatieve beeld niet te corrigeren. De verwijten kwamen op tafel. Ze werden door de andere groep ontkend. Maar het was duidelijk dat dat niet hielp. Men werd zeer emotioneel. Het negatieve beeld bleef bestaan. De voorzitter vergat te vragen of de andere groep ook irritaties had, of - in vergadertaal - negatieve gevoelens. Die had men natuurlijk ook. Maar die kwamen niet op tafel. Dat had ook weinig zin gehad. Men was niet bereid naar elkaars argumenten te luisteren. Na een lang uur werd de vergadering gesloten. Men ging weg.
Weer gaf men elkaar geen hand. Vergadertechnisch was deze bijeenkomst een flop. Wat menselijkheid betreft was het nog minder dan een flop. Misschien dat één groep dacht: we hebben ze het in ieder geval eens goed gezegd. Dat is dan het enige resultaat van een verloren uur. Een soort onanieachtige zelfbevrediging van machtsgevoel. Geen illustratie van: zalig die vrede brengen, want men wilde helemaal geen vrede.
Een van de deelnemers liep naar huis, een beetje kapot van die nare vergadering. Onderweg dacht hij: ‘och, het is nog vroeg, ik kon wel eens even binnenwippen bij een vriend van me’. Die vriend was heel ernstig ziek. Iemand die misschien nog een paar dagen te leven had. Hij belde aan. Hij was welkom. Hij werd naar de zieke gebracht, die boven lag. Hij gaf hem een hand. Ze keken elkaar aan. ‘Fijn, dat je gekomen bent’, zei de zieke. ‘Ik had je eigenlijk verwacht’, zei hij, maar nog niet zo vroeg. Hij lag daar, uitgemergeld door kanker. Vader van vier kinderen. Goed veertig jaar.
‘We hadden vergadering’, zei de bezoeker, ‘toen was het niet meer de moeite aan het werk te gaan’. ‘Waar ging het over?’ wilde de zieke weten. De bezoeker had nog een rood hoofd van die vergadering. Hij had zich erg opgewonden. Hij durfde het niet te zeggen. Het geschilpunt werd zo belachelijk, tegenover een doodzieke mens. Hij keek hem aan. Hij hield nog steeds zijn hand vast. Hij klaagde niet. Hij klaagde trouwens nooit. Toch moest hij veel pijn hebben. En hij wist, dat hij wist dat het hopeloos was. Hij was alleen maar blij om dat stomme bezoekje. Zijn woede van de vergadering schrompelde ineen. Hij dacht, terwijl hij hem aankeek: wat ben jij toch een geweldig mens. ‘Nou?’, vroeg de zieke, ‘waar ging het over?'
Daar stond een gezonde mens oog in oog met een zieke, die - klaar met het leven - al was begonnen aan de dood. Die zieke wist wat echt belangrijk was: vrede, vrede met jezelf, vrede met je omgeving. Hij wist niet dat hij die vrede bracht aan een gezonde mens, die met zijn hoofd nog vol futiliteiten toen gevoeld heeft, wat echt belangrijk was.
Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God worden genoemd.