Beste dorpsgenoten,
“Gij allen, ootmoedigen van het land, die zijn geboden naleeft; zoekt de gerechtigheid, zoekt de ootmoed. Dan vindt gij misschien een schuilplaats op de dag van de toorn van de Heer.” En dan volgen nog woorden als “een ootmoedig, bescheiden volk.”
Ik heb een keer, als leerling van de Lagere School, straf gehad van de meester, omdat ik mijn muts niet afdeed toen hij voorbij fietste. Daar moet ik altijd aan denken als ik dat woord ootmoed tegenkom. Ik werd gestraft omdat ik dat gevoel van onderdanigheid en onderworpenheid tegenover mijn meerdere miste. En in die tijd was Jezus nog het voorbeeld van ootmoed. Ootmoed tegenover meerderen, bovenstaanden, en zeker tegenover God met zijn toorn.
Die God, die onderdanigheid en nederigheid van onderdanen verwacht, is nog lang niet de kerk uit, getuige de lezingen van deze zondag.
Maar er bestaat een ander Godsbeeld, dat al terug te vinden is in de oude psalmen, b.v. in psalm 104, waarmee de Latijnse intredezang van deze zondag begint: in vertaling: “Zoekt de Heer en neemt toe in kracht.” Een God, die niet meer verwacht dat we de muts voor hem afnemen, die ons liever in kracht ziet toenemen en die trots op ons is: dàt bevestigen de woorden, die Jezus hoorde na zijn doopsel: “Dit is mijn zoon, mijn veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb.” Ook voor ons zijn die woorden bedoeld. Jezus trok zich die woorden aan en daarom is hij geworden zoals we hem kennen. Daarentegen wordt ons, die toch mensen zijn als Jezus, sterk ontraden in die woorden te geloven. Wij zijn en blijven nu eenmaal zondaars. Dat is het refrein van elk lied dat de kerk zingt.
Wij moeten het doen met de acht zaligheden die we in het evangelie gehoord hebben. Eeuwenlang is er over deze woorden op hoge toon gepreekt en geschreven.
Zalig de armen van geest, zalig de treurenden, zalig de zachtmoedigen. De wereld zit vol van dit soort mensen. Het is maar heel zelden dat ze mogen ondervinden wat die heilige woorden hen beloven.
Dezer dagen heb ik de gelegenheid gehad te kijken naar een groots concert van het orkest van André Rieu met het keizerlijk paleis Schönbrun op de achtergrond. Wat mij diep ontroerde waren de blije gezichten van duizende mensen, jong en oud, musici en toeschouwers. Ze wiebelden, en zongen en dansten mee, met stralende gezichten. Dàt waren zalige mensen. Toen ik dat meemaakte kwam dit gevoel bij me naar boven: Deze blije mensen maken de wereld gelukkiger. Zo blijft er dan toch wat hangen van dat rijk der hemelen. Zo komt God tot zijn recht, helemaal.
Deze mensen waren ontvankelijk en lieten zich raken door elkaars blijdschap.
Juist zoals intens arme mensen in Afrika bijna altijd blij kijken: “They celebrate relationships,” zij zijn blij dat ze er voor elkaar zijn.
Woensdag begint de veertigdaagse vasten. Dit jaar géén mis met askruisje en de boodschap: “Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.” Dat is niet bemoedigend. God ziet heel wat anders in ons.
Als we van onze vasten iets willen maken, dan liever door te zoeken naar het gezicht van blije mensen en door blije gezichten te maken. Belangstelling tonen voor de ander, in plaats van belangstelling vragen voor je zelf. Ontvankelijk zijn voor wat de ander te bieden of te zeggen heeft, of voor wat de ander op dat moment goed zou doen. Dan laten wij de ander de weerklank horen van die woorden die God over Jezus zei: in hem heb ik mijn welbehagen, ik beleef genoegen aan hem. Dat wil iedereen horen, dat doet iedereen deugd, dat maakt iedereen blij, ook in de vastentijd.
Zo is het.