In het dorp waar hij opgroeide, was Jezus gekend als de zoon van de timmerman. Hij geraakte meer bekend wanneer hij vanuit Galilea naar de Jordaan trok om zich door Johannes te laten dopen. Nadien verbleef hij enige tijd in de woestijn.
Nadat Johannes was gevangen genomen, keerde Jezus terug naar Galilea en vestigde zich in Kafarnaüm om vandaar uit met een boodschap naar zijn medemensen toe te gaan. Deze was kort en bondig: “Kom tot inkeer, want het Rijk der hemelen is nabij” (Mt. 4,17). Al vlug zijn er mannen en vrouwen (Mt. 27,55) die hem volgen en zijn leerlingen worden. Hij trekt doorheen Galilea, hij brengt goed nieuws, hij had veel contact met zieken, met gekwelde mensen en hij genas er velen. Het succes is groot. Mattheus vat het samen: “Een grote menigte volgde hem vanuit Galilea, de Dekapolis, Jeruzalem, Judea en van de overkant van de Jordaan” (Mt. 4, 25).
Een kring van stillen en armen
Wat bezielde deze mensen? Nieuwsgierigheid, een ommekeer in de maatschappij, een verlangen naar geluk? Een aantal onder hen waren er allicht bij vanuit hun geloof in God en hun verwachting dat Jahweh zoekers tegemoet komt. De profeten hadden bij hen verwachtingen gewekt. Het bidden en zingen van psalmen hielp hen om met een ontvankelijk hart te leven. In Israël was er een kring van mensen die de geest van ontvankelijkheid cultiveerden. Sefanja spreekt over een kleine rest van Israël. In het kindsheidevangelie, vooral bij Lucas, zijn ze aanwezig. Ze heten Maria en Jozef, Elisabeth en Joachim, Anna en Simon. De herders uit de kerstnacht zijn er bij.
Ze worden gerekend bij de anawin, dit is het Hebreeuwse woord voor armen. Deze groep van de anawin, maar ook andere toehoorders willen weten wat Jezus te zeggen heeft, welk zijn blik is op Gods handelen met zijn volk. Wat Jezus zegt, raakt deze mensen.
In zijn evangelie geeft Mattheus daden weer die Jezus heeft verricht en woorden die hij heeft gezegd. Mattheus groepeert deze in vijf grote redevoeringen. De eerste grote groep is bekend onder de naam van de Bergrede. Deze begint met de zaligsprekingen. De Bergrede geeft een tableau van een christelijke levensstijl. Het lukt Mattheus om zijn gemeente en aan zijn lezers het charter van Jezus en enkele ankerpunten uit zijn boodschap weer te geven.
Toehoorders, zeker deze van de kring van de anawin, voelden zich aangesproken want zij stonden open voor het Rijk. Zij voelden zich herkend als Jezus sprak over hun lijden en hun behoefte aan troost. Zij wisten zich gelukkig als zachtmoedige en als mensen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Jezus prijst hen aan, hij bemoedigt hen en zegt: ga verder op deze weg. En marche!
“En marche” André Chouraqui gebruikt deze uitdrukking in zijn vertaling van de zaligsprekingen.
“En marche, les humiliés du souffle! Oui le royaume des ciels est à eux!
En marche, les endeuillés! Oui, ils seront réconfortés! En marche, les humbles! Oui, ils hériteront la terre! En marche, les affamés et les assoiffés de justice! Oui, ils seront rassasiés! En marche, les cœurs purs! Oui, ils verront Elohim! En marche, les faiseurs de paix! Oui, ils seront criés fils d’Elohim.”
Ongetwijfeld leeft in het hart van elke mens een verlangen naar goedheid en vrede. Hij hoopt op geluk en een vredig thuiskomen. Maar ondertussen neemt hij zelf deel aan een ruwe wereld, waar andere waarden voorop staan en waar vooral het recht van de sterkste geldt.
Rijken, sterren en vedetten worden toegejuicht.
Wie liegt wordt, geloofd en brengt het misschien tot president.
Wie al te moederlijk is in de zorg en niet assertief genoeg, wordt aan kant gezet.
De wereld applaudisseert voor wie rijk is en sterk.
Wat voor de wereld zwak is
Paulus maakt het in Korinthe mee dat zij die met welsprekendheid en geleerdheid uitpakken meer gehoor en gezag krijgen. Paulus is niet met schone en grote woorden naar Korinthe gekomen. Hij brengt zijn lezers bij dat God wel een andere maatstaf gebruikt. “Neen, wat voor wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen.” In wat Paulus schrijft over de wie klein is en onbeduidend, klinkt als het ware een echo van de zaligsprekingen: “Wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend heeft God uitverkoren, wat niets is om teniet te doen wat iets is” (1 Kor. 1,28). God heeft zijn kerk opgebouwd met de kracht van de eenvoudigen. Een van deze is Bernadette Soubirous (1844-1879). Op haar feestdag van 18 februari kan dit fragment uit de brief van Paulus (1 Kor. 1, 26-31) gelezen worden. Kleinen en eenvoudigen blijven veel betekenen om aan het evangelie vlees en bloed te geven.
In zijn kerklied God heeft gesproken in de tijd (ZJ 537) vernoemt de Nederlandse dichter Tom Naastepad “het groot getal der stillen in den lande.” Hij verwoordt hun vreugden wanneer zij horen van Gods komst.
Waar Hij gehoord wordt en verstaan
doet Hij de armen hopen,
de steppe komt in bloei te staan,
de dorre twijg gaat open.
Wie ging gebukt wordt opgewekt,
Hij vult de lege handen,
en zingen zal het groot getal
der stillen in den lande!
Vanwaar komt de uitdrukking ‘stillen in den lande’? Psalm 35 heeft het over valse vijanden en zegt over hen volgens de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) in vers 20 uit deze psalm: “Waarlijk, van vrede spreken zij niet, en tegen de stillen in den lande beramen zij bedrieglijke dingen.”
Stillen te lande
De benaming ‘Stillen in den lande’ is bekend in protestantse kringen in Duitsland en Nederland. Het waren mensen uit de vriendenkring van Gerhard Tersteegen (1697-1769), die naar zijn voorbeeld een leven trachtten te leiden in stille afzondering, in aanbidding en bezinning. Het gaat over hen die het evangelie trouw willen zijn en zowat leven aan de rand van het officiële - naar hun oordeel te vrijzinnige - protestantisme. Zij hebben eerder een mystieke en piëtistische inslag. Het zijn mensen met veel vroomheid, die in de ogen van de machtigen niet meetellen en toch de kerk dragen. Zij identificeerden zich met de stillen te lande van psalm 35,1-20).
“Stillen in den lande, dat waren zij, de eenvoudige vromen die een eeuw geleden in de hervormde kerk niet meer gesticht werden en daarom besloten thuis in gezelschap bijeen te komen om een preek van een oude schrijver te lezen.”
‘Stille in den lande’, ze zijn er tot op vandaag en zullen er altijd zijn. Ze drijven niet mee met de mainstream.
‘Stillen in den lande, mensen die zonder veel omhaal van woorden, zorg hebben voor medemensen.
‘Stillen in den lande’, in de hoek geduwd en toch niet opgeven.
‘Stillen in den lande’, mensen trouw aan het geloof dat ze ontvangen hebben en het doorheen wisselvalligheden bewaren. Ze lijden en hebben pijn omdat ze dit zelf niet aan de volgende generatie kunnen doorgeven.
‘Stillen in den lande’, die zich verloren voelen binnen herschikkingen van het kerkelijk landschap en zich als overbodig afgeschreven voelen, maar de hoop bewaren.
‘Stillen in den lande’, de vrouw die jarenlang de kerststal plaatste en te horen kreeg dat dit geen plaats meer had in een vernieuwde locatie.
‘Stillen in den lande’, die geen bedelbrief onbeantwoord laten.
‘Stillen in den lande’, die zich deemoedig op de borst kloppen.
In de Bergrede horen ze dat Jezus hen ziet en hen aanmoedigt.
Gaat, stillen in den lande,
uw koning tegemoet,
de intocht is ophanden
van Hem die wonderen doet.
Gij die de Heer verwacht,
laat ons vóór alle dingen
Hem ons hosanna zingen.
Hij komt, Hij komt met macht.
Vat moed, bedroefde harten,
de koning nadert al.
Vergeet uw angst en smarten,
daar Hij u helpen zal.
Er is weer nieuwe hoop:
Hij noemt u zijn beminden,
in ’t woord laat Hij zich vinden,
in avondmaal en doop.
Wees onbezorgd, gij armen,
aan kinderen gelijk;
in koninklijk erbarmen
maakt God u groot en rijk.
Hij die het veld bekleedt,
de vogelen kan spijzen,
wil ook zijn kind bewijzen
dat Hij zijn noden weet.
Gij schenkt met volle handen,
die zelf de armoe draagt.
Gij maakt uzelf te schande,
die steeds naar zondaars vraagt.
Wij willen, groot en klein,
die ’t al van U ontvingen,
U ons hosanna zingen
en eeuwig dankbaar zijn.
Liedboek van de kerken (lied 127, strofe 1, 2, 4 en 7)