Homilie op het Feest van Christus, Koning van het Heelal (Ez. 34, 11-12.15-17 en Mt. 25, 31-46)
Tielt, 23 november 2014
We vieren vandaag het feest van Christus, Koning van het Heelal.
Maar de lezingen van vandaag spreken niet over een koning.
In de eerste lezing beschrijft Ezechïel God als een zorgzame herder die zijn kudde bij elkaar houdt, het afgedwaalde schaap gaat zoeken, de beste weiden uitkiest met mals gras en fris drinkwater, de zwakkeren in de kudde beschermt, maar, - en dat is verrassend! -ook een herder die recht spreekt en ervoor zorgt dat er geen ruzie is tussen sterke bokken en weerloze schapen.
Een dergelijke rechtsprekende herder speelt ook bij Mattheüs een grote rol in de evangelielezing die bij ons goed gekend is als het evangelie van het laatste oordeel. Het laatste oordeel, dat is het eindexamen van het leven. Examens afleggen, dat is niet plezant. Het leven op school zou veel plezanter zijn indien er geen examens waren. Niet omdat ik één enkele leerling of student verdenk van intellectuele luiheid of gebrek aan weetgierigheid. Veeleer is er bij elk examen en zeker bij een eindexamen dat onbehaaglijke gevoel dat je bekruipt omdat je voor een taak staat waarvan je niet precies weet wat de opdrachtgevers van je verwachten. Dat is precies het vervelende van een examen: je hebt opgelet in de les, je hebt geblokt en je daarbij een boeiende voetbalmatch ontzegd en dan stel je vast dat die leraar of lerares of die prof soms net niet vraagt wat jij belangrijk vindt, maar blijkbaar veel belang hecht aan wat in jouw ogen slechts detail is.
Dat is niet zo op het laatste oordeel, het eindexamen van het leven. Nochtans een belangrijk en onherroepelijk examen, want herexamen of 2e zittijd in niet mogelijk. Een heel moeilijk examen en toch weer zo gemakkelijk, omdat je vooraf en heel tijdig weet welke vragen zullen gesteld worden.
Wij hebben die zopas beluisterd in de evangelielezing op dit feest van Christus Koning.
Er zijn er drie, waarover je tijdig moet nadenken.
Vooreerst, stellen we ons dienstbaar op ten opzichte van de mensen in ons midden, die onze zorg en onze aandacht nodig hebben? Kortom, zijn we echt barmhartig ten opzichte van de geringste mensen, de misdeelden in ons midden, o.a. de armen die afhankelijk zijn van de voedselbank omdat ze tot die ongeveer 10 procent behoren die onder de armoedegrens leven of er niet voor durven uitkomen dat ze hulpbehoevend zijn, omgerekend voor Tielt is dat 2000; de haveloos geklede daklozen die tijdens de winter wat warmte zoeken in een station; de gedetineerden, die door iedereen met de vinger gewezen worden of de moeder die in het geniep een kind ter wereld bracht en het lijkje van haar pasgeboren baby verborg in de bergruimte van een chirolokaal, omdat ze bang was van de banbliksems van mensen in haar omgeving; de illegale werknemers, die hier werken om in eigen onderhoud te voorzien en graag wat geld opsturen naar hun familie in nood; de mensen die opgenomen zijn in een psychiatrisch instelling en door hun omgeving beschouwd worden als zwakkelingen en plantrekkers…? Durf je hen benaderen met barmhartigheid? Eerste vraag op het laatste oordeel! Wat is jouw antwoord?
Tweede vraag: Hoe wil jij behandeld worden als je in de positie komt te verkeren van die “geringste mensen”?
En zeg niet te gauw: daar hoor ik niet bij. Vroeg of laat hoor je bij die geringste mensen. Omdat je een te zware lening voor je huis moet afbetalen en in de schuldsanering terecht bent gekomen: de kredietcrisis bestaat niet alleen in de Verenigde Staten of Spanje of Griekenland, maar ook bij ons en soms in middens waar je dat niet verwacht. Misschien raak je in de problemen door een echtscheiding, die niet alleen veel psychisch leed met zich meebrengt, maar meestal een onoverzichtelijke berg financiële problemen. Of misschien word je afgedankt in een bedrijf met moeilijkheden of gaat je eigen zaak failliet. Misschien zie je niet goed in hoe je met je klein pensioentje de rustoordfactuur zal kunnen betalen, vooral nu je aandelen op de beurs het zo slecht doen. Komt daarbij dat je je armoede moet verbergen; want anders word je verdacht van slecht beheer. Wat een zegen is het dan als er mensen zijn die je dan als mens behandelen, je begrijpen, naar je omzien, je een uitweg bieden, dingen voor je regelen, kortom, die je koninklijk behandelen!
Maar Mattheüs stelt ons nog een derde vraag, - misschien de belangrijkste! - namelijk of we ons realiseren dat Jezus zich juist met die geringste mensen identificeert. “Wat je voor die geringsten hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan”, zegt Hij. Jezus heeft geen afkeer van hen. Hij gebruikt geen smoesjes van “ik kan niet tegen ziekenhuislucht” of “gevangenissen vind ik eng” of “ik steun al een weeshuis of een huis voor gehandicapten in Afrika of India”. Jezus sluit juist die mensen in zijn hart en Hij ziet in hen hun menselijke waardigheid.
Hoe je hen en daarmee Jezus zelf behandelt, dat is zijn maat. Is het ook onze maat?
Jean Vannier, de stichter van de Arkgemeenschappen voor gehandicapten, resumeert het heel raak: “We moeten Christus zien in de zieke, de bedroefde, de gehandicapte, de arme. Maar waarom niet de arme zien en ontdekken in onszelf?”
Pas dan word je, naar Jezus’ voorbeeld, een koninklijke herder.
Wel een hele opgave!
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt