Vroeger toen de mis nog in het Latijn werd gedaan,
werd er aan het einde van de viering gezegd: Ite, missa est,
meestal vertaald met: ga, de mis is uit.
Of zoals men nog wel eens zegt bij het uitgaan van de kerk:
zo dat hebben we weer gehad. Maar eigenlijk klopt dat niet.
Als de mis uit is, dan begint het pas:
namelijk in je gewone leven in praktijk brengen
wat je in de kerk is voorgehouden en wat je biddend en zingend gevierd hebt:
verbondenheid rond Jezus van Nazaret, verbondenheid met elkaar.
Als je echt in Jezus’ boodschap gelooft,
ben je niet klaar als je naar de kerk geweest bent,
dan moet je dat waar maken in je leven van alle dag,
in je zorg en aandacht voor de medemens.
Dat wordt ons heel duidelijk gemaakt in het evangelie van vandaag.
Geen hoogdravende preek, maar een aantal heel concrete voorbeelden.
Toen ik honger had heb je me te eten geven, of negatief:
toen ik honger had heb je me niet te eten gegeven.
Mensen die honger hebben zijn er genoeg, wel 900 miljoen.
Maar wat doen wij eraan?
Als een baby honger heeft, dan wordt die meteen door zijn moeder gevoed,
of door zijn vader als het met de fles gebeurt.
Dan denken ze echt niet aan het evangelie van vandaag.
Ik herinner me nog de hongerwinter van 44-45.
Toen trokken veel mensen uit Amsterdam naar Overijssel
om daar eten te gaan kopen.
Heel velen kwamen bij ons thuis langs,
want we woonden toen aan de rijksweg naar Zwolle.
En elke dag klopten er velen aan om wat eten.
Mijn moeder kookte elke morgen een grote pan pap.
Daar aten we zelf van en ook de evacués uit Arnhem die bij ons woonden.
En daarna werd er uitgedeeld aan de mensen die honger hadden,
tot de pan leeg was.
Dat was letterlijk eten geven aan hongerige mensen,
maar ik betwijfel of mijn ouders ooit gedacht hebben
aan het evangelie van vandaag.
Een paar jaar geleden stond er bij mij een man aan de deur
die om geld vroeg om eten te kopen.
Hij vertelde dat hij een dakloze was, met de fiets op weg naar Breda
waar hij onderdak zou krijgen. Hij had de hele dag nog niets gegeten, zei hij.
Dan vraag je je af of dat echt zo is, of dat je wordt beduveld,
want helaas, de praktijk leert dat dit vaak het geval is.
Ik vind het eigenlijk heel triest dat je meteen achterdochtig bent
als iemand tegen je zegt dat hij honger heeft.
Dat komt in onze samenleving niet voor, denken we.
Maar goed, ik zei tegen de man dat ik geen geld gaf,
maar ik heb hem wel een fles melk gegeven
en ik heb een zak met broodjes voor hem gekocht.
Of ik echt een hongerige te eten heb gegeven, weet ik niet,
maar aan het evangelie van vandaag heb ik toen echt niet gedacht.
Nu hoeft dat natuurlijk ook niet.
De betekenis van dit evangelie gaat veel verder
dan eten geven aan hongerige mensen en drinken aan dorstige mensen.
Het gaat hier om een bepaalde levenshouding naar anderen toe:
een houding van zorg en aandacht, van bereidheid tot helpen,
je hart laten spreken als je weet dat iemand eenzaam is,
het moeilijk heeft vanwege ziekte, of vanwege andere problemen..
Zorg en aandacht voor concrete medemensen, daar gaat het Jezus om,
en dat verwoordde hij glashelder in deze gelijkenis.
Dat ouders heel veel liefdevolle zorg hebben voor hun pasgeboren kindje
dat vinden we allemaal vanzelfsprekend,
je kunt je eigenlijk niet voorstellen dat er ouders zijn
die hun kindje verwaarlozen.
Liefdevolle zorg zie je ook als ouders oud en hulpbehoevend zijn geworden.
Dan is het vaak heel indrukwekkend hoe kinderen zorgen voor de ouders.
Maar die zorg moet zich in de geest van Jezus ook uitstrekken naar anderen,
in allerlei vormen en allerlei gradaties.
Want in die zorg voor en verbondenheid met anderen
beleven we onze verbondenheid met Jezus,
daarin is hij aanwezig in ons dagelijks bestaan.
En als we verbondenheid met Jezus vieren in de eucharistie
dan is dat ter ondersteuning van die verbondenheid in het dagelijks leven,
anders mist de eucharistie zijn ware zin en betekenis.
Feest van Christus Koning (2008)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 34e zondag · wit