Beste dorpsgenoten.
Het is een heel uitdagende titel die Jezus gekregen heeft van Paus Pius XI toen hij in 1925 het feest instelde dat de Kerk vandaag viert.
Één keer noemt Jezus zichzelf koning, als hij als een armzalige gevangene voor Pilatus staat. Die vraagt hem, na een discussie over de koning der Joden, “Gij zij dus toch koning?” Jezus antwoordt dan: “Ja, koning ben ik.”
In het evangelie van vandaag beschrijft de evangelist hoe het zal gaan op het einde der tijden. Hij stelt een koning voor die als rechter optreedt en daarbij als norm gebruikt of de mensen hem herkend hebben in armen, zieken, naakten en gevangen.
Matteüs heeft nog een verhaal dat in deze context niet vergeten mag worden: De moeder van twee apostelen komt met haar zonen naar Jezus en vraagt hem: “Laat deze twee jongens van mij in uw koninkrijk zitten, één aan uw rechter- en één aan uw linkerhand.” Jezus liet haar weten dat het de Vader is die de plaatsen in het koninkrijk zal vergeven.
" En tot de tien anderen zei hij: “Gij weet dat heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen, zoals ook de mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen. (Mat. 20, 20-28)
Aan “Christus, Koning van het heelal”, zitten nogal wat mitsen en maren, die Paus Pius XI niet allemaal overzien heeft.
Het is geen kleinigheid om met een koning om te gaan. Een herder is heel wat toegankelijker, juist als iemand die geen diensten van ons vraagt en daarentegen juist voor ons beschikbaar wil zijn.
En zo biedt het evangelie van vandaag, ondanks de grootse titel van het feest, toch een praktische handleiding om met Jezus om te gaan.
We komen wel geen hongerigen of dorstigen tegen, vreemden wat vaker, maar geen naakten of gevangenen. Hoe kunnen we zijn woorden van hem toch waar maken in ons alledaagse leven?
Als we hem aan zijn eigen woord houden, uitgesproken tegenover Pilatus, toen er niets van hem over was, “Ja, koning ben ik,” dan zouden we hem als alledaagse koning kunnen “eren”. Niet in de zin van ordinair, goedkoop, banaal, maar als de arme donder die door de barmhartige Samaritaan uit de sloot werd gehaald, als de jongste zoon die als een arme sloeber bij zijn vader terugkwam, koninklijk onder het verdriet, de pijn, de eenzaamheid, de mislukking, zoals wij mensen daar vroeg of laat allemaal ons deel van krijgen.
Ik moet denken aan psalm acht, die ons mensen voorstelt temidden van Gods schepping: “Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd, wat is dan de mens, dat Gij aan hem denkt, de zoon van Adam, dat hij u ter harte gaat?
En toch hebt Gij hem bijna een god gemaakt en hem met glorie en luister gekroond. Gij doet hem het werk van uw handen beheren en alles hebt Gij aan zijn voeten gelegd, schapen en runderen, alles en alles, en ook de dieren in het vrije veld, de vogels van de hemel, de vissen van de zee, al wat er wandelt op de paden van het water”.
Konden wij ook maar zo tegen de ander opkijken. Want “de ander” is het meest alledaagse en dat zal hij weten! “De ander is als jij”, hebben we geleerd.
In het verslag van de uitvoering van een cabaret las ik: “water dat liefdevol wordt toegesproken, vormt de mooiste kristallen als het bevriest. Water dat “jij idioot” krijgt toegeschreeuwd, blijft bevroren achter als een klont ijs. Mensen, de ander, bestaan voor 70% uit water, kun je nagaan wat negatieve taal met ons doet.
Vaak hangt er een negatieve gifwolk om ons heen. Bevrijd ik mezelf daarvan, dan red ik anderen. Want ook die gifwolk kan resoneren, zich uitbreiden of verder drijven en daar een bom laten ontploffen: de uitwerking op afstand van onze negatieve gevoelens en gedachten. Ver gezocht?”
Hoog tijd dat we in de ander het grootse, het koninklijke, het bijna goddelijke gaan ontdekken, zoals in de psalm, of ons er tenminste ernstig op toeleggen. Dan worden we voor elkaar barmhartige Samaritaan, goede herder, vader die zijn verloren zoon hartelijk naar binnen haalt.
Dan wordt barmhartigheid het kleed dat ons koninklijk karakter uitstraalt, “met glorie en luister gekroond” in de woorden van psalm acht.
Zo was Jezus koning. En wij?
Christus, Koning van het heelal (2008)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 34e zondag · wit