In de jaren 50 trokken we in Alkmaar op het feest van Christus Koning massaal naar de Sint Jozefkerk. Voor die kerk staat een Christus Koningstandbeeld. Heel katholiek Alkmaar zong op die zondagmorgen uit volle borst het: “Aan u, o Koning der eeuwen”:
- Aan U, o Koning der eeuwen, aan U blijft de zegekroon,
Onsterf’lijk schittert uw glorie door alle haat en hoon!
De volkeren verdwijnen, maar luider klinkt het lied:
De wereldzon blijft schijnen, haar glansen sterven niet! (2x)
\- Hoor! Juub’lend naderen d’eeuwen, met psalmen vol hoger gloed,
In brede koren weerklinken de Koning huld’ en groet!
Hoe schateren hun zangen, langs aard’ en luchtgebied:
De Koning aller ere, zij leven, liefd’ en lied! (2x)
In de tijd van het Rijke Roomse leven was dit een soort strijdlied, waarin Christus bezongen werd als “Koning van het Heelal”. Het werd gezongen bij grote kerkelijke plechtigheden en op het feest van Christus Koning. Paus Pius XI heeft het feest in 1925 ingesteld. Aanvankelijk stond het feest op de laatste zondag van oktober. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie is het feest op de laatste zondag van het kerkelijk jaar geplaatst. Dus eind november.
In de nadagen van de absolute monarchieën in Europa heeft men het niet zo over het koningschap. De triomfalistische kleur - het is bijna een strijdlied - spreekt velen in onze tijd niet meer zo aan. Maar is het niet merkwaardig dat de lezingen van vandaag een heel andere kleur hebben? Geen triomfalisme, maar “een herder die omziet naar zijn kudde”(Ezechiël 34:12). In het evangelie gaat het over het laatste oordeel “Want ik had honger en jij hebt Mij te eten gegeven, ik was naakt en jij hebt mij gekleed. Ik had honger en jij hebt mij te eten en te drinken gegeven” (Matteüs 25). Een koningschap dat zich kenmerkt, niet door macht, maar door dienstbaarheid. Ons voorgeleefd door onze Heer die bij het Laatste Avondmaal het werk van een slaaf op zich nam en de voeten van zijn leerlingen waste. Een koningschap in dienstbaarheid.
Een oude Russische boer droomde ervan dat hij tijdens zijn leven God zou mogen ontmoeten. Op een nacht verscheen God hem en zei: “Morgen wil Ik je ontmoeten om twee uur op het kruispunt van het dorp.” Wat was de boer zenuwachtig. Hij trok zijn beste pak aan en was wel drie uur vantevoren aanwezig. Maar hoe hij ook wachtte - zelfs tot zes uur! - geen God te bekennen. ’s Nachts verscheen God hem weer in een droom en de boer viel uit: “Heb ik daar uren staan te wachten, komt er niemand opdagen!” “Niemand?”, vroeg God. “De enige die ik heb gezien heb”, zei de boer, “was mijn buurman die met zijn kar vastzat in de modder…”
Zo laat God zich ontmoeten in een mens in nood. Het evangelie - ook vandaag genomen uit de vijfde en laatste rede van Jezus - geeft ons antwoord op de vraag: waar komt het in ons leven op aan? Naar welke maatstaf zullen wij beoordeeld worden? “Wat je gedaan hebt voor de geringste van mijn broeders heb je gedaan voor Mij!” Er zijn veel verhalen en legendes in omloop. De heilige Elisabeth van Thüringen verzorgde graag zieken. Haar man was het daar niet altijd mee eens. Op een dag kwam er een melaatse aan de poort van het kasteel. Om gepraat te voorkomen stopte ze de melaatse in het bed van haar man. Toen die thuiskwam en in zijn slaapkamer keek, zag hij Jezus zelf in bed liggen! Sint Franciscus van Assisi was een ijdel mens. Op een dag kwam hij een melaatse tegen. Hij sprong van zijn paard en kuste hem, want hij zag in het gezicht van de melaatse het gezicht van Jezus zelf. En wat te denken van de soldaat Sint Martinus, die de helft van zijn krijgmantel aan een bedelaar gaf? Heerlijke verhalen, die soms ook erg eigentijds kunnen worden:
Bij het laatste oordeel zal niet Jezus de aanklager zijn, maar zij die door het leven genadeloos onderuit zijn gehaald. Heb je je oren laten hangen naar dat uitgemergelde volk met zijn holle ogen, die starende kinderen met hun opgezwollen buikjes? Zij dicteren ons duidelijker de rechten van de mens dan alle klerken van de Verenigde Naties bij elkaar! Zij lijken hongerlijders, maar zij zijn de rechters van ons geweten. Wie hun te eten geeft is een koningskind in een notendop! De dorstigen, onderuit gehaald door de droogte, de lippen gebarsten, de kelen schor. Zij zijn het die geschiedenis zullen maken. Wie hun te drinken geeft is een koningskind in een notendop! Richt je ogen naar de vreemdelingen. De Schrift zegt ons dat wij hen gastvrijheid moeten bieden. Wat goed dat ze hier zijn, zonder hen waren we dat gebod van God bijna vergeten. Zij frissen ons geheugen op. Wie hen in huis haalt, rekening met hen houdt, is een koningskind in een notendop!
De naakten, de schooiers van her en der, de zwervers over de wereld, met geen ander bezit dan de plunje die ze dragen? Ze houden ons een spiegel voor dat we zelf nog steeds niet het kleed van de liefde dragen. Wie een naakte kleedt, dunt zijn garderobe uit, maar krijgt er liefde voor in de plaats. Wie weet te delen is een koningskind in een notendop! Wees gespitst op de zieken. Zij vertellen je hun wel en wee. Ze lijken lichtelijk aangeslagen, maar je kunt iets van zieken leren. Wie zieken niet vergeet is een koningskind in een notendop! De gevangenen? Sommigen zitten terecht hun straf uit. Maar wie of wat ook, door alle tralies ter wereld, roepen zij ons toe: ben je wel echt vrij zolang er nog iemand gevangen zit? Wie aandacht heeft voor gevangenen, is een koningskind in een notendop!
Jezus, van Nazareth, van zijn voetstuk gevallen, verslagen en vernederd Ook Hij is een schijnbare mislukkeling die later een geboren koningskind bleek. Net als al die anderen, maar Hij is, namens al die anderen, de eerste en de laatste. Ons oordeel zal niet alleen gaan over het kwaad dat we gedaan hebben, maar over het goede, dat we hadden kunnen doen maar niet gedaan hebben. Christus als Koning erkennen, is Hem dienen in de mensen die in nood zijn. Lucas zegt: “De komst van het Rijk Gods kun je niet waarnemen. Je kunt niet zeggen: Kijk, hier is het, of daar is het. Want het Rijk Gods is midden onder u."(17,21) Midden onder u staat Hij die gij niet kent! Daar waar mensen elkaar van dienst zijn, groeit het Koninkrijk van God. Als we elkaar niet van dienst willen zijn, zullen we nooit delen in het Koningschap van Jezus. Daartoe zijn we geroepen: om uit te groeien van mensenkinderen tot Koningskinderen, tot échte kinderen van God.
En dat vinden we ook terug in de eerste lezing. De verhouding tussen de koning en zijn onderdanen wordt vergeleken met de verhouding tussen de herder en zijn schapen. Er klinken woorden vol warmhartigheid: “Ik zoek mijn kudde op” (vers 11), “Ik breng ze in veiligheid” (vers 12), “Ik weid ze en laat ze rusten” (verzen 15-16), “Het ene dier wordt recht gedaan tegenover het andere” (vers 19). Hier is niet een machtige koning aan het woord, maar een “Goede Herder”, die zelfs zijn leven wil geven voor zijn schapen. Toen koningin Juliana nog een klein meisje was, vroeg ze, staande op het balkon van het koninklijk paleis in Amsterdam: “Mam, zijn al die mensen nu van mij?” “Nee”, zei Wilhelmina, “Jij bent van al die mensen”. Over het ware koningschap gesproken! Christus’ Koningschap berust niet op macht, maar is gebaseerd op het dienende herdersschap. Jij bent er voor de ander, zoals God er is voor jou.