Hoe zal God oordelen?

A-cyclus · Tijd door het jaar · 34e zondag · wit

Het kerkelijk jaar eindigt met een geweldige apotheose. Het feest van vandaag stelt ons Christus voor, die op het einde der tijden zal wederkomen in heerlijkheid om over levenden en doden te oordelen. Wanneer het oordeel komen zal, dat weten wij niet, maar wij weten wel dat er een oordeel zal zijn en wij weten ook hoe het oordeel zal verlopen. Daarom is het misschien toch wel heilzaam voor ons dat wij ons bij het einde van het kerkelijk jaar even bezinnen over dit oordeel van God.

Jezus zal ons zeggen: ‘Ik was hongerig, niet naar voedsel, want mijn koelkast lag vol en de supermarkt was juist om de hoek. Maar ik was hongerig naar dingen die je in mijn naam gemakkelijk aan mensen had kunnen geven. Ik was hongerig naar een mee-levende glimlach, toen ik in de put zat. Ik was hongerig naar een bemoedigend woord. Maar jij hebt me alleen op mijn fouten gewezen. Ik had een compliment verwacht toen ik zo goed mijn best gedaan had, maar jij hebt nooit acht gegeven op alles wat ik deed.

Ik was dorstig, niet naar drank, want ik had een waterkraan bij de hand en vlakbij in onze straat lag een café. Ik was dorstig naar een beetje erkenning, maar jij had geen tijd om naar mij te luisteren. Ik was dorstig naar een uurtje gezelschap, maar jij bent altijd haastig voorbijgegaan.

Ik was een vreemdeling, dat hoeft nog geen buitenlander of kleurling te zijn. Ik was alleen een beetje verschillend van jou, daarom heb je nooit iets met mij te maken willen hebben. Ik was een kind, maar jij verbood je kinderen om met mij te spelen. Ik was je buurman, maar jij hebt me nooit in je vriendenkring opgenomen, omdat ik van mindere stand was.

Ik was naakt, niet dat Ik kleren nodig had, Ik was behoorlijk gekleed, maar jij hebt Mij door kwaadspreken in mijn hemd gezet, je hebt me nooit verdedigd, nooit bekleed met de mantel van je liefde. Ik had mijn goede naam verloren en jij hebt geweigerd mij te bekleden met de mantel van je waardering. Ik was oud en jij hebt me uitgekleed, door mij geld af te troggelen voordat ik dood was.

Ik was ziek, niet naar het lichaam maar naar de geest. Ik was zenuwachtig en angstig en jij hebt me uitgelachen in plaats van gerust te stellen. Ik was gedeprimeerd en jij hebt mijn gezelschap gemeden.

Ik was gevangen, niet in een kerker met stalen tralies, maar gevangen door mijn ouderdom, door mijn ziekte en jij liet me wegkwijnen zonder naar me om te zien, zonder me even te komen bezoeken. Ik zou bevrijd zijn geweest door een woord van vergeving, maar jij hebt dat woord nooit uitgesproken'.

Bij het laatste oordeel zal het niet zozeer gaan om grote dingen, het zal gaan om heel eenvoudige kleine dingen, die we gemakkelijk hadden kunnen doen: een glas water gegeven uit liefde tot Christus, een gebaar van goedheid, een woord van erkenning.

Op dat ogenblik zullen we zeggen: hadden we dat maar geweten! Maar als je een goed hart hebt, dan doe je dat vanzelf. Je hoeft alles niet vooraf te weten. Mensen die leven zoals Jezus, die kunnen eenvoudigweg niet anders. Eigenlijk bestaat er voor een christen maar één zonde: niet te hebben liefgehad.

Jezus bouwt zijn koninkrijk nu reeds op overal waar mensen in stilte en verborgen zich toeleggen op de werken van barmhartigheid. Het laatste oordeel zal alleen aan het daglicht brengen wat nu reeds in het verborgene geschiedt. De vraag zal dan zijn: Heb jij ook meegewerkt aan de opbouw van het Godsrijk, of heb je van de komst van dit rijk nog niets gemerkt? Dat zou het ergste zijn, wat ons kan overkomen.

Zoeken in Preken Online