Die dag zal komen

A-cyclus · Tijd door het jaar · 34e zondag · wit

De mensen hebben het tegenwoordig moeilijk met God. Je kunt aan God zo moeilijk een plaats geven in dit wereldgebeuren. Er is zoveel ongerechtigheid, er gebeuren zoveel gruweldaden in onze maatschappij, dat je je afvraagt: Hoe kan God dat allemaal toelaten, waarom komt God niet tussenbeide?

Mensen willen het nu zelf opknappen, zij zijn zichzelf tot norm en wet geworden. Zij hebben God niet meer nodig. Zulke mensen kunnen zich natuurlijk ook heel moeilijk voorstellen, dat die God die hier schijnbaar alles zo maar laat gebeuren, eens zal terugkeren in macht en heerlijkheid. En toch zou de boodschap van Jezus zonder dit geloofspunt: Hij zal wederkomen om te oordelen, levenden en doden, onvolledig blijven en dan zou de boodschap van de verrijzenis van Jezus alleen maar uit lege woorden bestaan. Zeker wij moeten wel een duidelijk onderscheid maken tussen het laatste oordeel en de beschrijving van het laatste oordeel. Wij hebben maar begrensde woorden en zwakke beelden om dat visioen van de wederkomst van de Heer voor te stellen. Om het onvoorstelbare voorstelbaar te maken hebben wij niets anders ter beschikking dan tijd-cultuurgebonden woorden. Tijdens dit leven met zijn vragen, duisternis en angst komt het visioen van God over deze wereld ons voor als de achterzijde van een borduurwerk. Je ziet daar alleen de wirwar van draden en kleuren. Alleen als wij de voorkant kunnen zien, wordt het duidelijk hoe elke draad en elke kleur zijn functie heeft om het beeld af te werken. Zoals wij ons leven eigenlijk alleen kunnen beschrijven vanuit onze toekomst, zo kan men de geschiedenis van deze wereld eigenlijk ook maar alleen beschrijven van uit haar einde.

Op ‘die dag van de Heer’ zal het duidelijk worden wat de echte fundamenten zijn geweest, die deze wereld gedragen hebben. Wij zullen zien dat niet macht en bezit de vooruitgang van de wereld gediend hebben, maar liefde en dienstbaarheid en veel van wat wij nu als gewichtig en onontbeerlijk beschouwen zal dan als ijdelheid en bedrog ontmaskerd worden.

Dan zal Christus zich openbaren als de herder van alles wat lijdend en verdrukt was, als de redder van alle hongerigen, daklozen en vreemdelingen. De maatstaf van de scheiding tussen het goede en het kwade zal heel eenvoudig zijn: wat heb je gedaan of wat heb je niet gedaan voor de geringsten van mijn broeders. Wij zullen zelf oordelen over onze daden en onze nalatigheden, wij zullen zelf aan de rechter- of aan de linkerkant gaan staan, als een magneet zullen de goeden door Christus aangetrokken worden. Maar hoe zullen wij ons zelf kennen? Ook onze goede daden zijn vaak vergiftigd door ijdelheid en hoogmoed, en ook in onze tekortkomingen zit vaak nog een korreltje van het goede. Jezus zelf zal ons laten zien, wie wij in werkelijkheid zijn. Gods oordeel zal rechtvaardig en waarachtig zijn, want het is gedragen door barmhartigheid en liefde. Voor ons christenen is die dag van de Heer geen dag van bedreiging en angst, maar een dag van voltooiing en hoop, volgens die prachtige zin van St.-Jan: ‘Ook als ons hart ons aanklaagt, God is groter dan ons hart en Hij weet alles’. Hij is liefde. Dat is onze hoop.

Als God ons thuisbrengt uit deze ballingschap dat zal een droom zijn.

Zoeken in Preken Online