Zusters en broeders,
Bij het lezen en herlezen van dit evangelie zijn me een paar dingen sterk opgevallen.
Vooreerst: de dag komt dat we ter verantwoording zullen geroepen worden. Jezus zegt letterlijk: ‘de Mensenzoon zal van op zijn troon van glorie alle volken in twee groepen scheiden.’ En wat me bij die scheiding dan weer opviel, was dat er nergens in de tekst sprake is van ‘oordeel‘. Jezus, God, oordeelt of veroordeelt niet. Wat Hij wèl doet, is ons een spiegel voorhouden, maar oordelen, nee, dat doet Hij niet. Dat is iets wat wij, mensen, doen. Ons hele leven hangt aaneen van normen en wetten waarop wij beoordeeld worden: op school moet ge vijftig procent halen, op uw werk moet ge zoveel presteren, op die plaats moogt ge maar zo snel rijden. Rijd ik meer, dan overschrijd ik een vastgestelde norm, en ik ben niet vrij om dat te doen.
En daar ligt het verschil met God: Hij heeft ons niet ingepakt in een web van normen en regels, maar ons geschapen als vrije mensen. Wij kunnen zèlf uitmaken hoe we door het leven gaan, en Hij respecteert die vrijheid tot in de eeuwigheid. En als we voor Hem zullen staan, zullen we zèlf zien wat we met die vrijheid hebben aangevangen. We zullen daar voor de spiegel die Hij ons voorhoudt staan zoals we zijn, ontdaan van alles waarmee we ons hier konden aankleden: een huis, een auto, welvaart, een hoge functie, gezondheid, een goede job. Dat valt allemaal weg, we staan er helemaal alleen voor. En we zullen er ook allemaal op dezelfde manier voorstaan. Geen voorkeursbehandeling dus, voor niemand. Paus, bisschop, eerste minister, vader of moeder, leerkracht of bedelaar: dààr zijn we allemaal gelijk. Zelfs een lange arm is er niet bij, en daar zullen wij, Belgen, het zeker moeilijk mee hebben. Nee, we staan er echt alleen voor, helemaal alleen met onszelf.
Die confrontatie met onszelf, die spiegel die God ons voorhoudt, zal aan het licht brengen wat in het verborgene is geschied. Want ook dat is me in de tekst opgevallen: schapen noch bokken wèten wanneer ze de Heer wèl of nièt te eten, te drinken enz. hebben gegeven. Het gaat m.a.w. om kleine dingen, die we gedaan of niet gedaan hebben. Dingen als de honger wegnemen bij iemand anders; bij ons Godzijdank meestal geen honger naar echt eten, maar naar een glimlach, een hartelijk woord, een schouderklop, een compliment. Of dingen als de dorst lessen van iemand; dorst, niet naar drank, maar naar erkenning, naar een uurtje gezelschap, naar een simpele goeie dag. Of dingen als vreemd zijn, niet eens een echte vreemdeling, maar gewoon een beetje anders. ‘Ik was die iemand die zo’n beetje anders was‘, zal de Heer zeggen, ‘Ik dàcht alleen maar een beetje anders dan gij, en ge wilde al niets meer met Mij te maken hebben. En Ik was zo’n beetje een ander kind, en uw kinderen mochten al niet meer met Mij spelen. En Ik was naakt, niet omdat Ik geen kleren had, maar omdat ge me met uw geroddel van mijn goede naam hebt beroofd, of in elk geval de roddels over mij niet hebt tegengesproken. En ik was ziek, òp van de zenuwen en de spanning, en in plaats van me op te beuren, hebt ge me geminacht.'
Niet om grote dingen zal het gaan, maar om eenvoudige dingen. Waarbij het me ook opviel hoe Jezus op geniale wijze het goddelijke met het menselijke verbindt. Gods-dienst wordt mensen-dienst, en mensen-dienst wordt Gods-dienst: wie zijn naaste negeert, negeert God. Maar andersom is het evenzeer juist: wie geen oog heeft voor God, heeft algauw ook geen oog meer voor zijn mensen. Maar òf Gods-dienst òf mensen-dienst, het blijft dienst. Jezus’ koningschap bestaat uit dienen, niet uit heersen.
Ten slotte vernemen we ook het resultaat van deze confrontatie met onszelf: het eeuwige leven of de eeuwige straf, zo zegt Jezus het letterlijk bij het einde van de lezing. En opnieuw blijkt hoe resoluut God onze vrijheid respecteert. Want wie ervoor gekozen heeft om door zijn eenvoudig gebaar van goedheid de ander te laten leven, kiest dus voor het leven, en erft dat leven dus in eeuwigheid. Maar wie weigert de levensbehoeften van anderen te zien en te vervullen, isoleert zich van de anderen, is dus dood voor de anderen. Welnu, ook in die keuze zal God hem respecteren hij zal eeuwige dood erven. Onze eeuwigheid, zusters en broeders, leggen we zelf vast. God beloont niet of straft niet, Hij geeft alleen een eeuwigheidswaarde aan de keuze die wij zèlf maken: leven of dood.
Zusters en broeders, laten we kiezen voor het leven. Het maakt onze wereld leefbaar, voor onszelf, maar ook voor de anderen, en het is de kern zelf van Jezus’ boodschap. Laten we ruimte scheppen voor onszelf èn voor de anderen, een ruimte die eeuwig wordt bij God. Amen.