VERTELLING UIT AFRIKA
Het volgende verhaal is afkomstig uit Afrika en heeft als titel: “De verloren zaadkorrel”. Er waren eens drie mannen die in het oerwoud woonden aan de oever van een brede rivier.
De eerste van die mannen had een ongewoon goed gehoor.
De tweede kon ongelooflijk snel rekenen.
En de derde kon geweldig goed zien.
Op zekere dag moesten ze een mand met zaadkorrels de rivier over varen. Ze leenden een boot, zetten er de mand in en roeiden ermee weg. Maar de wind blies hard die dag. En een van de zaadkorreltjes viel in het water. “Luister”, zei de man met het goede gehoor, “er is een zaadkorrel in het water gevallen, ik heb het zelf gehoord”. De man, die snel kon rekenen, begon onmiddellijk de zaadkorrels te tellen. Toen hij klaar was, zei hij: “dat heb je goed gehoord, er ontbreekt één korrel”. Daarop sprong de man, die goed kon zien, meteen het water in. Hij dook in de diepte en zag het zaadkorreltje liggen in het zand op de bodem van de rivier. Hij raapte het op en zwom terug naar de boot. “Hier is het weer”, zei hij. Hij blies het zaadje droog en legde het voorzichtig terug in de mand. Daarna dekte hij de mand zorgvuldig toe.
Toen voeren de mannen opgelucht verder en bereikten veilig de overkant.
MET HET OOG OP DE DOOD
Drie waakzame mensen die met gespitste zintuigen ervoor zorgen dat er niets verloren gaat. Het evangelie van vandaag roept ons op tot waakzaamheid: “Weest waakzaam, want je kent dag noch uur. Dikwijls is deze tekst vertaald naar het einde van ons leven met de boodschap, dat wij dan waardig en zo volmaakt mogelijk de bruidegom tegemoet kunnen gaan. Zo’n interpretatie is niet onterecht, maar toch…..
Herhaaldelijk spreekt Jezus tot de mensen in gelijkenissen, parabels. Dikwijls heeft Hij het dan over het Koninkrijk der Hemelen of over het Rijk Gods. We doen Jezus onrecht als we dat beperken tot het hiernamaals. Dat rijk waar het voor alle mensen goed is om te leven, moet hier en nu al stukje bij beetje werkelijkheid worden; het Evangelie, de blijde boodschap moet handen en voeten krijgen in het gewone leven van elke dag.\
MET HET OOG OP HET LEVEN
Als mensen die in zijn voetspoor willen treden, roept Jezus ons op tot waakzaamheid, tot behoedzaamheid, tot liefdevolle aandacht voor elkaar en voor de schepping. Je zou hierbij kunnen denken aan een avondwake wanneer een dierbare overleden is. Zo’n avondwake in de kerk of thuis is niet meer op de eerste plaats een waken bij de dode. Want hij of zij is dood. Het is veeleer een waken bijelkaar. We houden elkaars hand vast, we steunen en troosten elkaar in deze verdrietige ogenblikken. En als het goed is, laten we het niet bij dat ene ogenblik. Waakzaamheid, behoedzaamheid, zorg voor elkaar, strekt zich uit over het hele leven; beperkt zich niet tot enkele ogenblikken of treffende gebeurtenissen. Maar al te dikwijls hoor je mensen die een dierbare verloren hebben zeggen, dat ze aanvankelijk overstelpt werden door bezoek en telefoontjes: mensen die beloven dat ze ook in de toekomst kontakt zullen blijven houden, dat je altijd een beroep op hun kunt doen, dat ze je niet alleen zullen laten, dat ze er altijd voor je zijn…. Mooie en ook dikwijls goed bedoelde woorden, maar het slijt zo snel en iedereen wordt geacht weer zo vlug mogelijk over te gaan tot de orde van de dag. Maar echt gemis of verdriet slijt niet en na maanden of jaren hebben ’n weduwe of weduwnaar, of ’n ouder die ’n kind verloren heeft, behoefte aan liefdevolle aandacht, aan ’n luisterend oor, aan een schouder om op uit te huilen, en die is er dan niet…\
NIET DE MOND, MAAR DE HANDEN VOL
Over elkaar waken, er voor elkaar zijn, er gevoelig voor zijn wanneer een ander een beroep op je doet, dat hebben we nodig op onze weg door het leven, dag in dag uit; op sommige ogenblikken wat meer expliciet, maar we kunnen er nooit buiten. Mensen verdorren, verharden, kwijnen weg, sluiten zich op in zichzelf, als er niemand meer is om het leven mee te delen. We hebben elkaar nodig en we moeten er samen voor waken dat niemand verloren loopt. Met gespitste oren en open ogen door het leven gaan en zorgen dat er niemand uit de boot valt. Met mensen omgaan zoals Jezus deed. Hij ging op mensen af en zei: “Ik zoek jou: tollenaar in de boom, farizeeër op het tempelplein, vrouw bij de put, man in de put, zieke op z’n bed, strompelaar op krukken, arme op zwart zaad en rijke op lauweren”. Hij zocht ze op en riep ze bijeen voor een oude droom die toch te doen moet zijn: elkaar op de been houden en niet alleen jezelf en leren vermenigvuldigen door te delen. Hij had de mond niet vol over God; daarvoor had Hij zijn handen veel te vol, maar Hij geloofde er heilig in, noemde Hem zijn Vader, papa van de overkant! En de overkant was voor Hem niet de hemel ver weg en na de dood, maar betere en menselijke dagen hier en nu, aan de overkant van ongeest, onrecht en onmin.
Hij huurde om zo te zeggen een boot, met twaalf bonkige maar betrouwbare vissers en stak van wal met zijn evangelie. Onder die twaalf waren er die goed konden zien, andere die scherp konden horen, en zelf was Hij goed in tellen: valt er niets of niemand uit de boot?