31e zondag door het jaar A

A-cyclus · Tijd door het jaar · 31e zondag · groen

31e zondag door het jaar – Cyclus A – 23/10/2011 Mal.11, 14b-2,2b.8-10

Math 23,1-12

De spiegel die ons wordt voorgehouden.

Beste vrienden,

Farizeeër – voor ons is dat een scheldwoord. Het is synoniem voor huichelarij, schijnheiligheid en ongeloofwaardigheid. Farizeeërs zijn naar onze opvattingen mensen, die weliswaar imponerende redevoeringen houden maar er zich dan achteraf niet aan houden – of anders gezegd: “Die water prediken en zelf champagne drinken”.

Die kijk op de farizeeërs hebben we niet zomaar uit onze mouw geschud, maar kunnen ons ervoor op Jezus zelf beroepen. Die erkent in het evangelie van vandaag weliswaar uitdrukkelijk hun werkzaamheid als leraren – maar staat absoluut afwijzend tegenover hun gedrag. En waarom? Omdat zij het, als verantwoordelijken voor het geloof, als hun plicht beschouwden om de wet, die God ooit aan Mozes had gegeven om het leven van de mensen te laten lukken, zo pijnlijk penibel uit te leggen dat deze in de loop der tijden was uitgegroeid tot een zwaar drukkende last van meer dan 600 voorschiften en wetten. Zij zelf echter leefden meestal niet vóór wat ze verkondigden, maar letten er alleen goed op, dat de mensen klein en afhankelijk werden gehouden.

Is het verwijt dat in dit evangelie tot uiting komt alleen bedoeld voor de farizeeën? Ik denk het niet. Want Mattheus begint met de woorden: “In die tijd richtte Jezus zich tot het volk en tot zijn leerlingen”; dus verduidelijkt Mattheus één en ander ook voor de aanhangers van Jezus.

Het is niet de bedoeling van Mattheus om een polemische aanval op de joodse geleerden te starten – neen, hij wil eerder de jonge christelijke gemeenten vermanen.

Hadden zich daar ook reeds leer- en leidingsautoriteiten gevormd die meer op hadden met hun eigen titel dan met de dienst aan de gemeenschap? Waren er toen ook reeds ambtsdragers wier daden niet strookten met datgene wat ze verkondigden? Waren er toen ook reeds voorgangers die Jezus’ blijde boodschap omvormden tot een boodschap van dreiging en verdoemenis? Voorgangers die hun naasten onder nieuwe lasten doen bezwijken in plaats van hen, in Jezus’ zin, ervan te bevrijden?

Ik vermoed zoiets. Want Mattheus schrijft hier zeker niet tegen het jodendom, maar vóór zijn kerk. Met Jezus’ kritiek houdt Mattheus zijn eigen gemeente een spiegel voor – en in die spiegel vinden we vertekende beelden van christelijke en kerkelijke geloofwaardigheid die ook nu nog geldig zijn.

Want ook in onze Kerk vinden we structuren die niet altijd zeer broederlijk omgaan met de aanleg en de begaafdheid van ambtsdragers en leken. We vinden een overvloed van instructies en kerkrechtelijke voorschriften die met ons dagelijks leven niets meer gemeen hebben en die in het leven van alledag dikwijls uiterst onbarmhartig blijken. Daarbij denk ik bv. aan één van de besluiten van een recente bisschoppensynode waarbij hernieuwd werd vastgelegd dat hertrouwde gescheiden mensen wel worden uitgenodigd om de eucharistieviering bij te wonen, maar dat ze van de eucharistie zelf moeten worden uitgesloten.

Of nog: Enerzijds worden de gelovigen ertoe aangezet om regelmatig (liefst wekelijks) het eucharistische brood te ontvangen, maar er worden geen stappen ondernomen om een regelmatige eucharistieviering in alle parochies mogelijk te maken. Zo krijgt men echter de indruk dat onze Kerk het belangrijker vindt om alles naar de letter van het kerkelijk recht te regelen, in plaats van zichzelf te zien als wegbegeleidster van de mensen met al hun noden en vragen.

Welk nut hebben de mooiste kerkgebouwen als de mensen er zich niet meer thuis kunnen voelen? Als ze meer en meer het gevoel hebben dat er een tegenspraak bestaat tussen datgene wat als bevrijdende blijde boodschap van het evangelie wordt verkondigd, en datgene wat alle dagen door de Kerk wordt voorgeleefd? De sleutels van de Hemel – barmhartigheid en liefde – die gelden ook voor het kerkelijk recht want daarin staat ook dat het heil van de ziel de opperste wet is.

Het evangelie blijft echter niet staan bij de ambtsdragers, maar het gaat nog een stapje verder; Jezus zegt: „Jullie moeten… „ en houdt ieder van ons een kritische spiegel voor!

En dan gaat het plots om onze manier van leven en om het besef dat het „Farizeïsche denken“ toch wel in ieder van ons schuilt: bv. in de neiging om in ons hoofd heimelijk boek te houden over onze eigen verdiensten en over de fouten van de anderen; in de neiging om onze eigen goede daden steeds hoger in te schatten dan die van de anderen en onze fouten natuurlijk geringer.

Wanneer ik dat allemaal zo overdenk voel ik toch heel duidelijk aan: Als ik de woorden van Jezus alleen maar gebruik tegen de kerkelijke hiërarchie, dan ben ik onredelijk en zelf een grote Farizeeër. Maar als ik bereid ben om niet de anderen met de vinger te wijzen, maar Jezus’ woorden zelf ernstig te nemen, dan worden die voor mij, en voor ieder van ons, tot een echt verzoek. En dat verzoek luidt: “Hoe gaan jullie met elkaar om? Hoe leven jullie met elkaar – in jullie familie? Hoe gaan jullie als collega’s en zakenmensen met mekaar om? Hoe als vakantiegangers met de andere gasten en met het hotelpersoneel?”

Jezus legt ons een nieuwe omgangsstijl aan het hart: En daartoe vaardigt Hij geen gedetailleerd reglement uit en stelt ons ook geen verzameling van rechtsparagrafen ter hand. Neen, Hij schenkt ons zijn Geest, die ons op die nieuwe weg zal leiden en begeleiden. En die weg leidt ons tot de Vader: Voor Hem is ieder van ons even dierbaar; kleinen en groten, vrouwen en mannen, jong en oud!

Ook al is de weg naar Hem toe verschillend: voor Hem zijn we allemaal even belangrijk. Deze gelijkheid voor God veronderstelt echter ook dat we aandacht schenken aan mekaar en elkaar waarderen: door bv. naar mekaar te luisteren en met mekaar naar een betere toekomst – ook van onze kerk – te streven.

Die weg voert ons ook naar Jezus Christus: Hij, die zich de dienaar van de mensheid heeft betoond, nodigt ons vandaag uit om de mond, de handen en de voeten van zijn blijde boodschap te zijn. dat wil echter zeggen dat wij die boodschap niet alleen moeten beluisteren en in gebed aannemen, maar dat we ze in ons dagelijks leven ook in de praktijk moeten brengen.

Hij beoordeelt niet wat en hoe dikwijls wij bidden, maar of we zelf ook vóórleven wat we verkondigen. En daar hoort natuurlijk ook bij dat we voor al diegenen zorgen die aan de rand van onze maatschappij leven en waarvan de bestaanszekerheid steeds weer wordt bedreigd.

Christus heeft ons voorgehouden: Wat gij voor de geringsten van de mijnen hebt gedaan, hebt ge voor mij gedaan; in de armsten van de wereld ben ik jullie nabij, misschien meer nabij dan jullie lief is. Wordt onze geloofwaardigheid als christenen misschien daarom zo dikwijls betwijfeld omdat we Christus in zijn menselijke gestalte uit het oog zijn verloren?

Voor mij zijn dat de markeringen op de weg waar Jezus ons roept. Als we ieder voor onszelf en ook samen als kerk die weg ten einde gaan, als zowel de gelovigen als de ambtsdragers die weg met overtuiging volgen, dan ben ik niet meer bang voor de toekomst.

De geloofwaardigheid die we op deze weg terug winnen, zal vrucht dragen – want op deze weg kunnen de mensen zich in de Kerk en in Christus’ aanwezigheid herademen en zich terug geborgen voelen. Amen!

Frank Theré

Diaken St. Jozef – Kapellen Hoogboom

17-10-2011

Zoeken in Preken Online