Inleiding
Het woord ‘zoeken’ komt in
verschillende vormen en verbuigingen drie keer terug in het
intredelied, dat we zojuist gezongen hebben. ‘Vreugde voor hen die
zoeken naar God. Zoekt de Heer en neem toe in kracht; zoekt zijn
aanschijn zonder ophouden.’
Hoe komen mensen ertoe om constant naar
iets of iemand te blijven zoeken? Dat houden ze vol als dat waar ze
naar op zoek zijn, of diegene naar wie ze op zoek zijn, hun aan het
hart gaat. Dat kan een hartstocht zijn, of goudkoorts, gelddorst, maar
het is in ieder geval iets waar mensen dag en nacht mee bezig zijn. Ook
mensen kunnen elkaar op die manier zoeken. Als ze door liefde worden
gedreven, houden ze niet op elkaar te zoeken. De liefde maakt het
gemakkelijk om te doen wat je zonder liefde, vanuit plicht of vanuit
een gewoonte, onmogelijk kunt volbrengen. Liefde is de sterkste
drijfkracht die de mensen kennen. Dat je de dingen doet met je hart,
van harte, zoals we straks in het gebed zullen bidden: ‘Laat ons van harte doen wat Gij wilt.’
Hoe
anders kunnen wij God zo voortdurend zoeken, Hem, die we niet zien en
niet horen, dan dat wij merken dat Hij óns zoekt. Daar is Hij al mee
begonnen toen wij nog helemaal niet konden zoeken. Hij heeft ons het
eerste lief gehad. Het doopsel werd aan de meesten van ons toegediend
op zeer jonge leeftijd, op een tijdstip dat we Hem nog niet bewust
konden zoeken. Toen heeft Hij ons al gezocht en gevonden, en ons
helemaal tot Zich genomen als zijn kind. Dat is wat we aan het begin
van de zondagse eucharistie graag nog eens in onze gedachten willen
oproepen en willen vieren.**
Homilie
“Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand.”
Laten we eens met dat laatste beginnen: met geheel uw verstand. U moet
zich eens voorstellen, dat je iemand bemint met geheel je verstand. Dat
in al je gedachten God erbij is, dat je altijd aan Hem denkt, en dat,
als je aan iets anders denkt, je dat doet in het licht van Hem.
Eigenlijk kun je dan ook nooit verstrooid zijn, omdat je geen gedachten
hebt zonder Hem erbij. Dat je steeds weer in je gedachten op God
terugvalt, bij Hem terugkomt, ook als je aan andere dingen denkt. Dat
je de dingen altijd ziet in het perspectief van God, met God erbij. Dat
is precies hetzelfde als wanneer een moeder iets voor haar kinderen
doet. Ze doet nooit iets voor het ene kind, zonder daarbij
tegelijkertijd aan haar andere kinderen te denken, of ze die daarmee
misschien iets te kort zou kunnen doen.
Het is dus niet
onmogelijk om aan verschillende mensen tegelijk te denken. En zo is het
dus ook niet onmogelijk om tegelijkertijd aan God én aan mensen te
denken, want je ziet de ander in het licht van God. Je ontvangt die
ander uit Gods hand, als verlost door Gods liefde. Zo kun je bij de
aanbidding van het heilig Sacrament in de hostie de hele communiteit
zien, de hele wereld zien.
“Met geheel uw ziel.”
Stel het je maar eens voor. De woorden van het evangelie zijn groot!
Het zijn grote woorden en die je even opheffen, en voordat je het weet
is het alweer voorbij. Ze hebben je even in je gevoel geraakt. Maar wat
is veranderlijker dan het gevoel? Het is zo weer weg. De woorden van
het evangelie echter hebben een diepte. Je kunt in de Woorden van God
afdalen in een bodemloze diepte, en dat is: met geheel uw ziel. Dat wil
zeggen dat heel je bezieling, in al wat je doet, in elke inspanning,
Gods bezieling is. Dat Hij je in alles bezielt. Dat je in heel je
bezieling op Hem gericht bent en blijft, en dat Hij degene is die elke
bezieling in je uitlokt.
De laatste manier waarop je God moet beminnen, en dat staat in Jezus’ Woord voorop, is: “Met geheel uw hart.”
God beminnen met geheel je hart wil zeggen, dat er geen enkele liefde
in je hart overblijft, niet voor iets en niet voor iemand, dat al je
liefde voor Hem is, zodat je niemand en niets afzonderlijk kunt
beminnen, los van Hem, maar alleen in Hem. In Hem de mensen en de
dingen beminnen zoals ze werkelijk zijn. Niets en niemand bestaat er
buiten Hem. Hij bestaat in alles en alles bestaat in Hem.
Stelt
u zich nog maar eens het gebed voor van iemand die zo is. In het gebed
van zo iemand kunnen geen verstrooiingen zijn, want alles wat hem zou
kunnen verstrooien, is opgenomen binnen de liefde van God, binnen de
bezieling naar God toe, binnen de gedachten aan Hem die sint Paulus in
de tweede lezing noemt: “De levende en de waarachtige God.” God die zo levend aanwezig is in alles en in iedereen.
En dan het tweede gebod, gelijkwaardig aan het eerste: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.”
Hoe kan dat nu? Eerst zegt Jezus dat je heel de liefde van je hart moet
opeisen voor God, heel je ziel, al je gedachten moet wijden aan Hem en
dan vraagt Hij dat je diezelfde liefde nog eens aan je naaste geeft.
Als je alles al gegeven hebt, dan blijft er toch niets meer over? Op is
op! Je kunt een euro maar een keer uitgeven! Je houdt toch niet iets
over, als Hij je eerst heeft gevraagd alles te geven, met heel je hart,
heel je ziel, heel je verstand!? Laten we die moeilijke woorden van de
Schrift maar door de heilige Schrift zelf oplossen.
Er is in de
heilige Schrift iemand van wie gezegd wordt, dat hij een vriend is van
God en dat hij zielsveel van zijn eigen vrouw houdt. Dat is Jakob.
Jakob wordt de vriend van God genoemd, maar hij gaf al zijn krachten om
zich zijn vrouw Rachel te verwerven. “Zo kwam het dat
Jakob zeven jaren werkte om Rachel te krijgen. Die jaren leken hem maar
enkele dagen; zoveel hield hij van haar” (Gn 29,20). Hieraan kun je
zien dat die twee elkaar niet in de weg staan: de liefde voor God,
vriend zijn van God, en de liefde voor de naaste, vriend zijn van je
vriendin, van je relatie, van je vrouw. Integendeel, het leren kennen
van God schept in de mens een nieuwe diepte, een nieuwe intensiteit,
een nieuwe mogelijkheid om te beminnen. Daarom ook dat als twee mensen
die een huwelijk gaan sluiten, zich voorbereiden om elkaar het
sacrament van een christelijk huwelijk toe te laten dienen, dat doen op
grond van een ervaring dat die ander hem of haar door God gegeven is.
Zoals er ook staat: “Wat God verbonden heeft mag de mens niet scheiden”
(Mt 19,6; vgl. Mc 10,9). Er moet iets diepers zijn dan alleen maar de
wederkerige gevoelens van genegenheid of sympathie, doordat, als die
gevoelens zich ooit minder sterk zouden aandienen, er dan nog iets
overblijft, iets op de bodem van het hart van de ander, namelijk: de
liefde van God. Christelijk trouwen gaat eigenlijk pas als je gevoeld
hebt hoe er iets diepers is dan je eigen gevoelens.
Zo is het
in alle menselijke verhoudingen. U bent ook niet ingetreden omdat u de
zusters kende, die u als naasten zouden worden gegeven om lief te
hebben, maar omdat u God kende, omdat u liefde voor Hem heeft.
Het is dus iets goddelijks van mensen te kunnen houden voor je ze
gezien hebt, en om van hen te kunnen blijven houden en te groeien in de
liefde, ook als je gevoelens niet zo meezitten. Gevoelens van
genegenheid, sympathie, die voor de menselijke liefde onmisbaar zijn,
maar die voor de goddelijke naastenliefde best mogen ontbreken. Een
goed voorbeeld daarvan speelde zich af in de communiteit van onze
wereldkampioene in de naastenliefde, de kleine Theresia, die in haar
communiteit, een klein communiteitje, een medezuster had die over het
talent beschikte om haar in alles te mishagen. Er groeide in haar een
oprechte liefde, een bovennatuurlijke, goddelijke liefde.
In de
eerste lezing zijn het de vreemdelingen waarvoor onze liefde wordt
gevraagd, de vreemdelingen, de weduwen, de wezen. Diegenen die een
normale omgeving moeten missen om hen die liefde te geven, bescherming,
hulp. Daarom wordt er van de gelovige gevraagd voor hen te zorgen, want
zij staan in het liefdesverbond van God. Naar hen moet je liefde
uitgaan, want God staat er achter. *“Roept hij tot Mij om hulp, dan zal Ik hem verhoren, want Ik ben vol medelijden.”*
Straks
geeft u elkaar de vredesgroet, en dat doet u niet vanuit persoonlijke
gevoelens, omdat je die ander zo aardig vindt, sympathie voor die ander
hebt, maar op grond van Gods verbondenheid met u en met die ander. Het
is zijn vrede die u elkaar toewenst. Zo ontstaat er een nieuwe
gemeenschap, een gemeenschap die bijeen gehouden wordt niet door de
natuurlijke gevoelens van solidariteit of verwantschap,
bloedverwantschap of volksverwantschap, maar die bijeen gehouden wordt
door een nieuwe band, en dat is de liefde van onze Heer en God.
En
als wij ons geloof belijden, dan belijden wij eigenlijk niets anders
dan ons geloof in de liefde van God voor ons, dat die liefde een nieuwe
schepping voortbrengt, een nieuw volk van God.