30e zondag door het jaar (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Inleiding

Het woord ‘zoeken’ komt in verschillende vormen en verbuigingen drie keer terug in het intredelied, dat we zojuist gezongen hebben. ‘Vreugde voor hen die zoeken naar God. Zoekt de Heer en neem toe in kracht; zoekt zijn aanschijn zonder ophouden.’
Hoe komen mensen ertoe om constant naar iets of iemand te blijven zoeken? Dat houden ze vol als dat waar ze naar op zoek zijn, of diegene naar wie ze op zoek zijn, hun aan het hart gaat. Dat kan een hartstocht zijn, of goudkoorts, gelddorst, maar het is in ieder geval iets waar mensen dag en nacht mee bezig zijn. Ook mensen kunnen elkaar op die manier zoeken. Als ze door liefde worden gedreven, houden ze niet op elkaar te zoeken. De liefde maakt het gemakkelijk om te doen wat je zonder liefde, vanuit plicht of vanuit een gewoonte, onmogelijk kunt volbrengen. Liefde is de sterkste drijfkracht die de mensen kennen. Dat je de dingen doet met je hart, van harte, zoals we straks in het gebed zullen bidden: ‘Laat ons van harte doen wat Gij wilt.’
Hoe anders kunnen wij God zo voortdurend zoeken, Hem, die we niet zien en niet horen, dan dat wij merken dat Hij óns zoekt. Daar is Hij al mee begonnen toen wij nog helemaal niet konden zoeken. Hij heeft ons het eerste lief gehad. Het doopsel werd aan de meesten van ons toegediend op zeer jonge leeftijd, op een tijdstip dat we Hem nog niet bewust konden zoeken. Toen heeft Hij ons al gezocht en gevonden, en ons helemaal tot Zich genomen als zijn kind. Dat is wat we aan het begin van de zondagse eucharistie graag nog eens in onze gedachten willen oproepen en willen vieren.**

Homilie

“Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand.” Laten we eens met dat laatste beginnen: met geheel uw verstand. U moet zich eens voorstellen, dat je iemand bemint met geheel je verstand. Dat in al je gedachten God erbij is, dat je altijd aan Hem denkt, en dat, als je aan iets anders denkt, je dat doet in het licht van Hem. Eigenlijk kun je dan ook nooit verstrooid zijn, omdat je geen gedachten hebt zonder Hem erbij. Dat je steeds weer in je gedachten op God terugvalt, bij Hem terugkomt, ook als je aan andere dingen denkt. Dat je de dingen altijd ziet in het perspectief van God, met God erbij. Dat is precies hetzelfde als wanneer een moeder iets voor haar kinderen doet. Ze doet nooit iets voor het ene kind, zonder daarbij tegelijkertijd aan haar andere kinderen te denken, of ze die daarmee misschien iets te kort zou kunnen doen.

Het is dus niet onmogelijk om aan verschillende mensen tegelijk te denken. En zo is het dus ook niet onmogelijk om tegelijkertijd aan God én aan mensen te denken, want je ziet de ander in het licht van God. Je ontvangt die ander uit Gods hand, als verlost door Gods liefde. Zo kun je bij de aanbidding van het heilig Sacrament in de hostie de hele communiteit zien, de hele wereld zien.

“Met geheel uw ziel.” Stel het je maar eens voor. De woorden van het evangelie zijn groot! Het zijn grote woorden en die je even opheffen, en voordat je het weet is het alweer voorbij. Ze hebben je even in je gevoel geraakt. Maar wat is veranderlijker dan het gevoel? Het is zo weer weg. De woorden van het evangelie echter hebben een diepte. Je kunt in de Woorden van God afdalen in een bodemloze diepte, en dat is: met geheel uw ziel. Dat wil zeggen dat heel je bezieling, in al wat je doet, in elke inspanning, Gods bezieling is. Dat Hij je in alles bezielt. Dat je in heel je bezieling op Hem gericht bent en blijft, en dat Hij degene is die elke bezieling in je uitlokt.

De laatste manier waarop je God moet beminnen, en dat staat in Jezus’ Woord voorop, is: “Met geheel uw hart.” God beminnen met geheel je hart wil zeggen, dat er geen enkele liefde in je hart overblijft, niet voor iets en niet voor iemand, dat al je liefde voor Hem is, zodat je niemand en niets afzonderlijk kunt beminnen, los van Hem, maar alleen in Hem. In Hem de mensen en de dingen beminnen zoals ze werkelijk zijn. Niets en niemand bestaat er buiten Hem. Hij bestaat in alles en alles bestaat in Hem.

Stelt u zich nog maar eens het gebed voor van iemand die zo is. In het gebed van zo iemand kunnen geen verstrooiingen zijn, want alles wat hem zou kunnen verstrooien, is opgenomen binnen de liefde van God, binnen de bezieling naar God toe, binnen de gedachten aan Hem die sint Paulus in de tweede lezing noemt: “De levende en de waarachtige God.” God die zo levend aanwezig is in alles en in iedereen.

En dan het tweede gebod, gelijkwaardig aan het eerste: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” Hoe kan dat nu? Eerst zegt Jezus dat je heel de liefde van je hart moet opeisen voor God, heel je ziel, al je gedachten moet wijden aan Hem en dan vraagt Hij dat je diezelfde liefde nog eens aan je naaste geeft. Als je alles al gegeven hebt, dan blijft er toch niets meer over? Op is op! Je kunt een euro maar een keer uitgeven! Je houdt toch niet iets over, als Hij je eerst heeft gevraagd alles te geven, met heel je hart, heel je ziel, heel je verstand!? Laten we die moeilijke woorden van de Schrift maar door de heilige Schrift zelf oplossen.

Er is in de heilige Schrift iemand van wie gezegd wordt, dat hij een vriend is van God en dat hij zielsveel van zijn eigen vrouw houdt. Dat is Jakob. Jakob wordt de vriend van God genoemd, maar hij gaf al zijn krachten om zich zijn vrouw Rachel te verwerven. “Zo kwam het dat Jakob zeven jaren werkte om Rachel te krijgen. Die jaren leken hem maar enkele dagen; zoveel hield hij van haar” (Gn 29,20). Hieraan kun je zien dat die twee elkaar niet in de weg staan: de liefde voor God, vriend zijn van God, en de liefde voor de naaste, vriend zijn van je vriendin, van je relatie, van je vrouw. Integendeel, het leren kennen van God schept in de mens een nieuwe diepte, een nieuwe intensiteit, een nieuwe mogelijkheid om te beminnen. Daarom ook dat als twee mensen die een huwelijk gaan sluiten, zich voorbereiden om elkaar het sacrament van een christelijk huwelijk toe te laten dienen, dat doen op grond van een ervaring dat die ander hem of haar door God gegeven is. Zoals er ook staat: “Wat God verbonden heeft mag de mens niet scheiden” (Mt 19,6; vgl. Mc 10,9). Er moet iets diepers zijn dan alleen maar de wederkerige gevoelens van genegenheid of sympathie, doordat, als die gevoelens zich ooit minder sterk zouden aandienen, er dan nog iets overblijft, iets op de bodem van het hart van de ander, namelijk: de liefde van God. Christelijk trouwen gaat eigenlijk pas als je gevoeld hebt hoe er iets diepers is dan je eigen gevoelens.

Zo is het in alle menselijke verhoudingen. U bent ook niet ingetreden omdat u de zusters kende, die u als naasten zouden worden gegeven om lief te hebben, maar omdat u God kende, omdat u liefde voor Hem heeft. Het is dus iets goddelijks van mensen te kunnen houden voor je ze gezien hebt, en om van hen te kunnen blijven houden en te groeien in de liefde, ook als je gevoelens niet zo meezitten. Gevoelens van genegenheid, sympathie, die voor de menselijke liefde onmisbaar zijn, maar die voor de goddelijke naastenliefde best mogen ontbreken. Een goed voorbeeld daarvan speelde zich af in de communiteit van onze wereldkampioene in de naastenliefde, de kleine Theresia, die in haar communiteit, een klein communiteitje, een medezuster had die over het talent beschikte om haar in alles te mishagen. Er groeide in haar een oprechte liefde, een bovennatuurlijke, goddelijke liefde.

In de eerste lezing zijn het de vreemdelingen waarvoor onze liefde wordt gevraagd, de vreemdelingen, de weduwen, de wezen. Diegenen die een normale omgeving moeten missen om hen die liefde te geven, bescherming, hulp. Daarom wordt er van de gelovige gevraagd voor hen te zorgen, want zij staan in het liefdesverbond van God. Naar hen moet je liefde uitgaan, want God staat er achter. *“Roept hij tot Mij om hulp, dan zal Ik hem verhoren, want Ik ben vol medelijden.”*
Straks geeft u elkaar de vredesgroet, en dat doet u niet vanuit persoonlijke gevoelens, omdat je die ander zo aardig vindt, sympathie voor die ander hebt, maar op grond van Gods verbondenheid met u en met die ander. Het is zijn vrede die u elkaar toewenst. Zo ontstaat er een nieuwe gemeenschap, een gemeenschap die bijeen gehouden wordt niet door de natuurlijke gevoelens van solidariteit of verwantschap, bloedverwantschap of volksverwantschap, maar die bijeen gehouden wordt door een nieuwe band, en dat is de liefde van onze Heer en God.
En als wij ons geloof belijden, dan belijden wij eigenlijk niets anders dan ons geloof in de liefde van God voor ons, dat die liefde een nieuwe schepping voortbrengt, een nieuw volk van God.

Zoeken in Preken Online