Als twee druppels water (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Als twee druppels water: zo luidt de titel van deze viering. Eigenlijk zijn er geen mensen die op elkaar lijken als twee druppels water. Zelfs bij zogenaamd identieke tweelingen kennen de ouders en naaste familieleden heel goed het verschil tussen beide. En alleen voorwerpen die in serie met een machine worden gemaakt lijken soms in alle details op elkaar.
We moeten het in een andere betekenis gaan zoeken. Als we een kraan laten lopen, of water van een fles in een beker gieten, zijn de druppels niet van elkaar te onderscheiden. Niet omdat ze zo op elkaar lijken, maar omdat ze onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. De ene druppel kan niet zonder de andere, hoort er onafscheidelijk bij.
Als twee mensen met elkaar huwen, beloven ze elkaar trouw te blijven in goede en kwade dagen. Die horen inderdaad bij elkaar, zonder de kwade dagen zou je trouwens de goede niet kunnen herkennen en ervan kunnen genieten. Van je kinderen draag je zowel de lusten als de lasten. Als je ergens gaat werken heb je zowel rechten als plichten. En tegen jongeren zeggen we - terecht - dat vrijheid niet kan zonder verantwoordelijkheid.
In die zin moeten we het zoeken. Twee druppels water, omdat de ene niet kan zonder de andere. Dat is het antwoord dat Jezus geeft aan de Farizeeën. Hun vraag is eigenlijk heel begrijpelijk. In de joodse Tora kwamen 248 geboden voor en 365 verboden. In totaal dus zomaar eventjes 613 wetsbepalingen. Logisch dat dan de vraag opduikt: wat is nu het grootste, het voornaamste gebod?
En Jezus geeft er niet één, maar twee. Je moet God liefhebben met hart en ziel en verstand. En je moet je naaste liefhebben als jezelf. En die twee geboden zijn allebei even belangrijk. Ze horen bij elkaar als twee druppels water.
Niet dat ze op elkaar lijken. Ze zijn van een andere orde. Het eerste gebod, God liefhebben, klinkt dagelijks in de joodse gebeden. Het Sjema - wat betekent: hoor Israël - baden de Joden elke dag en het roept op God lief te hebben met hart, ziel en verstand. Het is als het ware een antwoord op de liefde die wij van God mogen ervaren. God, die veel groter is dan wij, die ons gegeven is. De naaste heb je anders lief: als jezelf.
De naaste liefhebben als jezelf. Doe aan een ander niet, wat je niet wil dat aan jou geschiedt. Het klinkt mooi en we vinden het ook logisch. Als we in God geloven, als we geregeld samenkomen om ons geloof uit te spreken en te beleven, is het vanzelfsprekend dat we ook bereid zijn mee te werken aan dat rijk van God. En dat is een rijk van liefde en vrede. En dat kan alleen tot stand komen als wij de anderen liefhebben als onszelf. In theorie zijn we het er ongetwijfeld allemaal mee eens.

Het wordt iets moeilijker als we ook eens terugkeren naar de eerste lezing van vandaag. Even in herinnering brengen: “Je mag een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want je hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond. En weduwen en wezen mag je geen onrecht aandoen.”
Weduwen en wezen waren de kleinsten, de zwaksten in de samenleving. De machtelozen, zo gemakkelijk vergeten en over het hoofd gezien. En vreemdelingen zijn niet alleen mensen die komen uit een ander land. Het is ook een woord voor mensen die ons niet vertrouwd zijn, die er een andere, een afwijkende levenswijze op na houden. Mensen die in onze ogen zich raar gedragen, die ons echt vreemd zijn.
Als de naaste onze broer of zus is, of onze buurman, die even welgesteld is als wij, die zich in onze ogen netjes en keurig gedraagt, dan is dat gebod van God niet zo moeilijk om na te leven. Die naaste stelt zich tegenover ons ook vredevol en vriendschappelijk op. Hij is in de ware zin van het woord onze medemens.
Maar evenzeer is de vreemdeling onze medemens, onze naaste. We kennen allemaal de parabel van de barmhartige Samaritaan, het antwoord van Jezus op de vraag: “Wie is dan mijn naaste?” In die parabel is het de Samaritaan, de vreemdeling die zich als naaste, als medemens gedraagt.
De nauwe band tussen liefde tot God en liefde tot de naaste wordt in de Schrift altijd opnieuw benadrukt. En aangezien God op de eerste plaats de kleinsten en de zwaksten liefheeft, moet ook onze liefde tot de naaste allereerst gestalte krijgen in zorg voor de minsten.
Je moet je naaste liefhebben als jezelf. Dat betekent dat je ook jezelf mag liefhebben, moet liefhebben zelfs. Dat betekent niet dat je jezelf moet gaan ophemelen. De bekende dikke nek van de Antwerpenaar wordt hier niet als voorbeeld gesteld. En het is zeker ook geen aansporing om mee te doen met de huidige westerse cultuur van individualisme, van jezelf verwennen, van egoïstisch genieten en profiteren.
Jezelf liefhebben is eigenlijk: in vrede leven met jezelf. Tevreden zijn met de persoon die je bent. Vrede nemen met je eigen talenten én met je eigen beperkingen en tekortkomingen. Niet dat je niet naar beter of hoger mag streven. Maar wel dat je niet ongelukkig of afgunstig wordt om dat wat je niet hebt, wat je niet kan, wat je niet hebt bereikt.
In vrede leven met jezelf. Vrede nemen met wie je bent. En zo van jezelf ook houden. En dan: de naaste liefhebben als jezelf. Vrede nemen met de ander als persoon, als individu, als uniek wezen. Net als jij kind van God. Die wil dat we van Hem houden. En van onze naaste als van onszelf. Die twee geboden horen bij elkaar als twee druppels water …

Zoeken in Preken Online