Situering van de tekst
Geert Dedecker
- Zoals zo vaak leunen de eerste lezing uit het boek Exodus en de passage uit het Matteüsevangelie dicht bij elkaar aan. Het gaat telkens om liefde op twee sporen. Het is ook danig concreet. Het gaat over weduwen en wezen, over vreemdelingen, over iemand die een kleed leent, over doven en blinden. Het gaat daarbij om meer dan om een warm gevoel voor wie zonder rechten of bestaansmogelijkheden is. Dat mag er zijn, maar moet zich tegelijkertijd uiten in een daadwerkelijk instaan voor de ander. Niet naïef, kritiekloos. Ook naastenliefde ontslaat niemand van de plicht ogen en oren de kost te geven en te zien wat een ander concreet nodig heeft. Dat is het eerste spoor: het spoor van mens tot mens. En God heeft daar van nabij mee te maken. Dat is het tweede spoor. In het gelaat van de mens ziet de mens het gelaat van God. En andersom. God is de instantie die wij contempleren en waarvoor wij ons geweten verantwoorden. De mens is de instantie die wij willen ontmoeten en helpen en steunen.
Hoe vinden die twee sporen elkaar? En hoe vatten wij ze samen in één beweging? Dat is een moeilijke evenwichtsoefening. Voor de moderne mens is deze oefening alles behalve vanzelfsprekend. Het is moeilijk omdat wij zo éénsporig bestaan en het bezwaarlijk anders kunnen. Tussen God en mens doen wij zo makkelijk aan apartheidspolitiek. Als leerlingen van Jezus zullen wij in een goede school ons‘pastoraal’ vak degelijk moeten leren. Vandaag wordt ons bij manier van spreken vanuit de eerste lezing wat aanschouwelijk onderwijs gegeven, aan de hand van een aantal ‘testcases’… - De ‘vreemdeling’ neemt in de joodse Schrift een zeer bijzondere plaats in. Zesenveertig maal waarschuwt de Tora tegen discriminatie of onheuse behandeling. Hier, bij de passage uit Exodus die vandaag wordt voorgelezen, staat het verbod op een slechte behandeling van de vreemdeling voorop, gevolgd door een hele reeks verboden aangaande nog heel wat andere zwakkere groepen in de maatschappij. Maar‘de vreemdeling’ komt eerst. Het lijkt wel alsof hij als het ware de toetssteen bij uitstek is voor een ‘menselijke maatschappij’, en zijn behandeling kan dienen als ‘testcase’ voor de graad van ‘humaniteit’ die wij ondertussen hebben bereikt.
- De opdracht tot bescherming van de vreemdeling wordt direct verbonden met het lot van de Israëlieten zelf: ‘Gij moet een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want ge hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond.’ (Ex. 22,21). Even verderop, in Ex. 23,9, wordt nadrukkelijk gesteld dat Israël niet alleen aan den lijve heeft ervaren wat dat betekent, maar ook weet wat het aan psychische belasting in een mensenleven meebrengt: ‘Jullie weten immers hoe het voelt om een vreemdeling te zijn, omdat jullie zelf vreemdelingen zijn geweest in Egypte'.
- Gastvrijheid is het eerste en minste wat de vreemdeling in Israël mag verwachten. De vreemde voorbijganger kan altijd een bode van God zelf zijn, met beloften voor de toekomst, zoals de drie mannen die Abraham bezochten (Gen. 18, 1-15) en de profeet Elisa die bij de Sunamitische kwam inwonen (2 Kon. 4, 8-17).
Maar gastvrijheid is niet genoeg: ‘Als een geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden, gij zult hem liefhebben als uzelf’ (Lev. 19,34).
De liefde voor de vreemdeling mag zich ook niet beperken tot lippendienst op afstand, maar wordt in de Schrift heel concrete omschreven in termen van brood en recht. God geeft zelf het voorbeeld, als hij zich ‘vierkant’, met al Zijn macht en majesteit, stelt achter de vreemdeling: ‘Want de Heer, Uw God, is de hoogste God en Heer. Hij handelt zonder aanzien des persoons en is onomkoopbaar; Hij verschaft weduwen en wezen recht, neemt vreemdelingen in bescherming en voorziet hen van voedsel en kleding. Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte.’ (Deut. 10,17-19) - Met de passage uit Exodus die vandaag als eerste lezing gelezen wordt, bevinden we ons midden in de afspraken, die horen bij het verbond tussen God en Zijn volk. In hoofdstuk 19 en 20 van Exodus is dat verbond plechtig gesloten: met dit volk wil God in zee gaan, om de toekomst die Hij met de aarde voor ogen heeft, vorm te geven. Dat resulteert in het geven van de ‘Tien Woorden’ op de Sinaï. Het volk heeft gezegd: ‘Ja, met deze God willen wij ons engageren!’ In de hoofdstukken daarna worden die ‘verbondsovereenkomsten’ voor allerlei concrete maatschappelijke situaties uitgewerkt. Zo ook hier, in deze passage:
* Het recht van de vreemdeling: wat doe je daarmee?
* Hoe zie je het lot van weduwen en wezen in de gemeenschap?
* Hoe ga je om met het uitlenen van geld aan mensen die in (geld)nood zijn,en vraag je dan al of niet rente?
* Opnieuw een vraag rond het lenen van iets aan een noodlijdende: wat neem je als onderpand, en staat daar een tijdslimiet op?
De gelijke noemer onder al deze ‘voorbeelden’ zouden we misschien kunnen benoemen als: hou goed de kwetsbaarheid van medemensen in de gaten en ontzie die. Ook als je zelf in betere doen bent, en dus bij machte hen te helpen, onthou dan dat je fundamenteel hun gelijke bent. Je mag meer geluk hebben gehad of onder betere omstandigheden zijn geboren, er hoeft maar iets te gebeuren of je blijkt even kwetsbaar te zijn als zij. Samengevat kun je ook zeggen: ‘Wat je niet wil dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet (aan)…' - Wat de gelezen evangeliepassage betreft: voorafgaand aan dit stukje tekst treffen we bij Matteüs twee stevige discussies aan met Farizeeën en Sadduceeën. Dat waren in Jezus’ dagen twee stromingen binnen het jodendom, die met elkaar verschilden in hun uitleg en toepassing van de Tora. Beide groepen hadden van tijd tot tijd moeite met Jezus’ eigen(gereide) benadering van die Tora. Bij Matteüs treffen we hier dus de laatste van drie dergelijke discussies aan.
- In vers 22,35 staat dat een wetgeleerde uit de Farizeeën kwam ‘om Jezus op de proef te stellen’. De vraag luidt: ‘Wat is het voornaamste gebod in de Wet?’ Die vraag klinkt in onze oren nogal formeel en wettisch. Alsof je één voorschrift of bepaling zou kunnen aanwijzen als het allerbelangrijkste. Voor de Farizeeën ging het hierbij veeleer om een diepste kern, waar je van leven kon; het moest je hart kunnen vervullen en zo je hele doen en laten kunnen bepalen.
- Het kernwoord lijkt voor Jezus ‘beminnen’ te zijn, ‘liefhebben’. Het komt terug in beide ‘geboden’ die Hij citeert: naar God toe en naar de medemens. In dat kernwoord ‘beminnen’ staat niet het vervullen van een plicht voorop; het is doortrokken van gevoel én verantwoordelijkheid, en dat van harte. ‘Als die grondhouding ontbreekt’, lijkt Jezus te zeggen, ‘kun je met Wet en Profeten (de Schrift) alle kanten op en eigenlijk dus géén kant'.
- God beminnen’ en ‘de naaste beminnen als uzelf’ zijn die twee geboden. Ze worden niet versmolten, maar staan naast elkaar. Toch kan het ene niet zonder het andere; ze zijn aan elkaar gelijkwaardig. God beminnen met alles wat je in je hebt, kan rijkelijk abstract blijven of zich beperken tot een reeks liturgische of rituele praktijken. God is immers niet zichtbaar. Je ontmoet Hem niet rechtstreeks. Hoe zou je Hem dan kunnen beminnen?
De naaste ontmoet je wèl. Het scheppingsgedicht van Genesis zegt dat hij of zij ‘beeld en gelijkenis van God’ is. Als je de naaste écht ziet, zie je God. Je zou kunnen zeggen: God wordt door Jezus van zijn sokkel (op veilige afstand van ons, abstract) gehaald en tussen medemensen in gezet. Dat geeft Hem een menselijk gezicht. In het gelaat van die ander doet God een appèl op ons, om die concrete naaste te dienen. Daardoor is van de ene kant de afstand tussen ons en God minder veilig - wij voelen er ons ‘naakt’ en kwetsbaarder door; van de andere kant wordt God er Zelf ook kwetsbaarder door. Als wij de concrete medemens niet zien staan, is God daaraan overgeleverd en beschikt Hij niet over andere manieren om ons aan te spreken en de ander uit de nood te helpen. - In de eerste lezing gaat het er om recht te doen aan de medemensen die het kwetsbaarst zijn. De kwaliteit van het samenleven van mensen is daarbij in het geding. ‘Recht doen aan mensen’: daar hoopt God op. Alleen dàt doet recht aan Zijn verlangen en eert Hem om Zijn droom met deze aarde.
‘Beminnen’ verliest door de krachtige taal van die tekst uit Exodus de gevoelsmatige zachte of zelfs sentimentele klank die er aan kan kleven. Het gaat niet enkel om een warm gevoel voor anderen of voor God. Dat mag er gerust zijn, maar moet zich dan wel tegelijkertijd uiten in het daadwerkelijk beoefenen van sociale rechtvaardigheid. Dat vraagt een persoonlijke en een maatschappelijke keuze, is een zaak van taai volhouden, kan weerbarstig zijn en jezelf en je eigen groep kwetsbaar maken. Dat het je ook goed doet, mag je dan hopen. Die daadwerkelijke en heel praktisch-concrete kant van ‘beminnen’ wordt door de eerste lezing voor onze voeten geschoven, voor het geval we soms zouden vergeten zijn dat liefde inzet vraagt, verantwoordelijkheidszin, inlevingsvermogen, concrete en structurele maatregelen, politieke wil, herverdeling van goederen en nog zoveel meer…
\
Oriëntering
Huub Oosterhuis
Op zaterdag 4 november 2006, om 14.00 uur, was er op Het Plein in Den Haag een landelijke manifestatie ‘Kies voor een humaan asielbeleid, te beginnen met een Generaal Pardon’.
Scholen, vluchtelingenorganisaties, vakbonden, bekende Nederlanders, politici en bijna alle gemeenten in Nederland hadden zich uitgesproken voor een pardonregeling voor de asielzoekers die vóór het ingaan van de nieuwe vreemdelingenwet in 2001 naar Nederland kwamen. Al die mensen die zich al jarenlang inzetten voor vluchtelingen, en in het bijzonder voor ‘de 26.000 oude-wetters’, riepen op te kiezen voor een humaan asielbeleid. Ook de snelle en daarmee vaak onzorgvuldige procedure in de aanmeldcentra én de kinderen in vreemdelingenbewaring, waren punten in de nieuwe asielwet die om verandering vroegen.
Artiesten, bekende Nederlanders, politici en vluchtelingen deden vlak voor de verkiezingen nog één keer een oproep voor een Generaal Pardon voor de lang in Nederland verblijvende asielzoekers.
Tijdens die demonstratie in Den Haag droeg theoloog en schrijver Huub Oosterhuis onderstaande tekst voor:
‘Ik ga mij richten tot de minister-president: u debatteert graag over de toekomst van Nederland, maar die 26.000 plus nog eens 12.000 - die horen niet bij de toekomst van Nederland? Voor u niet, voor ons wel. U wilt geen generaal pardon, u wilt gewoon deze daad van menselijkheid niet stellen, lijkt het. Mevrouw Verdonk zou er niet mee kunnen leven. En mevrouw Verdonk is erg belangrijk in de VVD, en u wil koste wat het kost een coalitie met de VVD. En dus wordt een ànder, humaan asielbeleid geofferd aan die coalitie. U toonde zich verontwaardigd over het dreigende einde van het tv-spelletje Lingo. Maar niet over die schàndelijke 48-uurs-procedure en die onleefbare detentiecentra. U schrijft een boek vol brieven aan godweet wie, maar niet aan een overlevende van de Schipholbrand.\
Onmenselijk
Ik kan me geen enkele humane, redelijke partijpolitieke overweging voorstellen op grond waarvan dit onmenselijke beleid is te verdedigen. Onmenselijk is het, volgens de beginselen van uw partij, als mensen zo worden vernederd, getergd, opgejaagd en tot wanhoop gedreven.
Uw beleid verloochent de kernwoorden van de joods-christelijke traditie over solidariteit met vreemdelingen, over mededogen, over genade-voor-recht. Die woorden hebben gedurende vele eeuwen onze beschaving beïnvloed en ons geweten gevormd - en ze zijn door het CDA uitdrukkelijk als haar grondslag erkend. Waarom legt u die woorden het zwijgen op? U wekt de indruk dat ze niet meer aan de orde zijn. Maar u wilt wel een debat over waarden en normen, over fatsoen. Talloze mensen, ook leden van uw eigen partij, hebben u gevraagd of het niet anders kan. Maar u legt uw andersdenkende partijgenoten het zwijgen op. En u gaat tot nu tot iedere confrontatie over deze brandende kwesties uit de weg - tot nu toe.
Meld u bij Andries Knevel, bij Paul en Witteman of bij Lijst Nul om hierover met een van ons van gedachten te wisselen. Laat ik het maar zo vriendelijk mogelijk voorstellen. Het zou wel eens een heftig woedend debat kunnen worden, het heftigste sinds tijden!\Tweede Wereldoorlog
U hebt de Tweede Wereldoorlog, 40-45, met jodenvervolging en al, niet meegemaakt. Dank God op uw blote knieën - die oorlog gaat een leven mee. Wat je gezien hebt, heb je gezien. Het is een groot taboe, om het huidige asielbeleid en zijn methoden en gevolgen te vergelijken met de jodendeportatie in de jaren 40-45. Het zou eens waar blijken te zijn dat er iets te vergelijken valt. Nog onlangs werd Tineke Huizinga van de ChristenUnie neergesabeld door mevrouw Rita Verdonk, omdat ze de gelijkenis had gezien.
Het vergelijkbare is niet het einddoel, de massale vernietiging. Het vergelijkbare is de manier waarop weerloze mensen worden behandeld. Dat lijkt wèl op elkaar: zo voelt het, de nietsontziende hardheid, zelfs kinderen worden niet ontzien. En zo heb ik het gezien op 20 juni 1943, in de Amsterdamse Rivierenbuurt. En dan dat beroep op ‘regel is regel’ díe mentaliteit: bevel is bevel: dat is ook vergelijkbaar met toen. En dat de uitvoering van deze politiek bijvoorkeur wordt overgelaten aan mensen met die mentaliteit - ik ken ook IND-medewerkers die wat hen opgedragen werd, niet met hun geweten konden rijmen en die ontslag hebben genomen. Dat was in de jaren 40-45 moeilijker dan nu. Dat is een groot verschil. Maar vergelijkbaar met de deportatiepraktijk van toen is het effect op honderden onschuldige weerloze mensen - al was het er maar één - en dat effect is pijn en vernedering, vertwijfeling en wanhoop, tot de dood er op volgt.
Wij zouden, minister-president Jan Peter Balkenende - en mevrouw Rita Verdonk - of hoe jullie allemaal ook heten - wij zouden toch moeten inzien dat dit schaamteloze asielbeleid niet kàn, dat het op een denkfout berust, dat minstens - dat het onze beste tradities verloochent. Hé Jan Peter Balkenende, CDA-top, VVD-top geef antwoord alsjeblieft - dat is beschaving, dat je antwoord geeft.’
S/Preekwijzer
Huub Oosterhuis
HEB LIEF DE VREEMDELING…
De wereldgeschiedenis heeft ons niets te melden over gouden tijden van liefde. Maar wel is er, binnen de geschiedenis en tegen de gevestigde chaos in, een getuigenis te horen, in lied-en-verhaal, dat het leven bezingt als een mogelijkheid tot liefde.
In het bijbelse lied-en-verhaal wordt het menselijk bestaan niet verheerlijkt of betreurd als een ondoorgrondelijk mysterie, maar bezongen als een opdracht en zegen. Menselijk leven is geen pas op de plaats, geen kringloop, geen vogelvlucht, maar een weg op aarde, begaanbaar-onbegaanbaar, naar ‘een land’ van ‘rust’ en ‘vrede’, schaduw van bomen, vrijheid van angst.
‘Bezongen’ betekent: uitgeheven boven dood-zwijgen, strijd- en angstkreten, logica en orakeltaal. In lied-en-verhaal wordt aan het leven van ‘de mens’ (wat betekent: van ‘iedere mens’) een bestemming gegeven: liefde - liefde? moet je horen! Ja, dat moet je hóren: Hoor Israël, hoor mens, hoor jij.
Het is in Israël geboren, dat getuigenis. Dat het niet ‘overal ter wereld’ is geboren, maar ergens in een toevallige streek van de wereld; dat het niet ‘van alle tijden’ is, maar van toen en toen (ook al is het voor alle mensen en voor heel de toekomst bestemd), dat is aanstootgevend. Dat het een joods verhaal is, is voor velen ook na Auschwitz nog aanstootgevend.
2.
‘Hoor Israël. Hij-Alleen is onze god. Eén is Hij. Jij zult Hem liefhebben, jouw god, met heel je hart, met heel je ziel, met al je kracht’ ( Deut.6, vers 4-5).
‘En nu, Israël, wat vraagt hij anders van jou, dan dat je hem kent met ontzag en gaat op zijn weg; dat je hem liefhebt en volgt met je hart en ziel, aldoende zijn woorden. Besnijd de voorhuid van je hart, en wees niet langer hardnekkig. Want die jouw god is, is de god der goden, heer der heren; boven alle machthebbers en onrechtbedrijvers is hij de sterke; de enige die ontzagwekkend is, niemand naar de ogen ziet, niet om te kopen; die recht doet aan weduwen en wezen; die liefde doet aan de vreemdeling, hem brood en kleding geeft.
Heb dan lief de vreemdeling, want zelf ben je vreemdelingen geweest in Egypte’ (Deut. 10,12 e.v.)
Het komt wel eens voor, zelfs in onze tegen allerlei eventualiteiten verzekerde samenleving, dat iemand de ongemakkelijke eer te beurt valt een ‘vreemdeling’ tegen het lijf te lopen, een jongen uit het Midden-Oosten bijvoorbeeld, die voor godweetwat op de vlucht is, naar een ‘beloofd land’.
Heb hem lief die jouw god is of, met andere woorden, heb lief de vreemdeling: dat heb je niet zelf bedacht, je keek wel uit; dat heb je gehoord, of je wilde of niet, eerst wilde je niet, toen heb je geluisterd.
Als je ‘in contact’ komt met een vreemdeling, kan het je duidelijk worden hoe concreet de mogelijkheid tot liefde is, en wat dat behelst, ‘liefde doen’.
Liefde omvat recht en genade, rechtvaardigheid en ontferming. Maar wat halen die uit zonder volharding? Wat heeft een vreemdeling, wat heb jij, aan één moment van ontferming? Liefde omvat dus volharding, trouw.
Maar trouw vraagt om geduld. En geduld vraagt om tact. Maar tact breng je niet op zonder hoop, de redelijke hoop dat al die liefdestactiek tot iets leiden zal. Dus behoort tot de liefde dat je een nuchtere taxatie maakt: wat kan ik aan, en wat heeft hij het eerst nodig, en hoe moet het dan verder; waar haal ik de tijd en het geld vandaan; waar zal hij zich veilig voelen, en hoe houden we het vol met elkaar - is het redelijk te denken dat het onmogelijke zal lukken? Dat zijn liefdesoverwegingen, zo vraagt en denkt het hart.
Heb lief de vreemdeling, die mens die ineens je pad kruist, zonder waarom, onoverkomelijk concreet, heb lief. Want als je in zo’n vreemdeling, tot wie je je niet aangetrokken voelt, je naaste herkent, dan mag je hopen dat je ook je vrienden, je geliefde, je kinderen en allen tot wie je je wèl voelt aangetrokken, als ‘naasten’ zult bejegenen en onbaatzuchtig, om niet, zult liefhebben.
Van de joodse schrijver Abel Herzberg is de zin dat ‘de sociale belangstelling bloeit op de bodem van het eigenbelang. Maatschappelijke problemen kunnen wij alleen begrijpen, meende hij, als we tor de ontdekking komen dat het onze eigen problemen zijn.
Volgt hieruit dat het ‘probleem’ van steeds meer asielzoekers en vreemdelingen alleen maar is op te lossen, op grote schaal, als steeds meer mensen hoogstpersoonlijk op kleine schaal bereid zijn zich te verplaatsen, in te leven, zich te identificeren, met asielzoekers en andere vreemdelingen? Kan dat? Kun je je oefenen in het besef dat jijzelf een vreemdeling zou kunnen zijn die ‘liefde’, ofwel, brood, kleding en papieren moet krijgen omdat je zonder dat alles in onze westerse maatschappij geen mens kunt zijn?
Om te leren wat liefde is, moet je je wagen aan de moeilijkste liefde: de liefde tot de vreemdeling. Opdat de samenleving der mensen niet zal wegzakken in schijn-liefde, apen-liefde, bezitters-liefde, bloed-liefde, bloed-en-bodem-liefde, daarom wordt ons gevraagd de vreemdeling lief te hebben.
Zoals ‘liefde’ tot je naaste wortelt in het besef van gelijkheid, dat je bent zoals hij of zij; zo wortelt ‘liefde’ tot de vreemdeling in het besef dat je ook zelf een vreemdeling bent, geweest bent, kunt worden. Wie het leven en zichzelf een beetje kent, sluit dat niet uit. En hoe met als ‘vreemdeling’ bestempelde mensen in onze maatschappij wordt omgegaan, zie je tegenwoordig voor je ogen gebeuren. Dan kun je maar beter een ander ‘die is zoals jij’
proberen lief te hebben…
Bij het begin van de passage uit de eerste lezing van vandaag wordt wel duidelijk te verstaan gegeven wat er met ‘de vreemdeling liefhebben’ bedoeld wordt.: ‘Gij moet hem niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken…’ (Ex. 22,20). Het gaat dan over de vreemdeling binnen je poorten, je wijk, je buurt.
Er staat niet dat je ze moet omarmen en niet dat je warme gevoelens voor ze moet koesteren. ‘Liefhebben’ blijkt in dat vers over de vreemdeling te betekenen: in leven laten; in het leven, dat meest kostbare mensenrecht. De nadere uitleg van dat alles is elders in de bijbel: ‘Geef hem brood en kleding’. Brood en kleding zijn elementaire levensbehoeften. ‘De vreemdeling liefhebben zou dan ook op vandaag kunnen betekenen: die mens het recht op een eigen identiteit en op ‘papieren’ niet ontnemen; hem de toekomst niet ontzeggen, - toekomst is kans op groei en ontwikkeling en nieuw begin…
Dit woord uit de eerste lezing van vandaag is de kortste samenvatting, en de hevigste toespitsing, van de bijbelse levensleer.En in talloze verhalen laat de bijbel zien wat er met een samenleving gebeurt, als deze woorden niet aanvaard worden als laatste norm.
Dit woord over de liefde tot de vreemdeling is geen bevel maar een voorbede, het smeekt ons. En het gaat ervan uit dat wij ons herkennen in de vreemdeling. Het zegt: Je bent toch zelf ooit een vreemdeling geweest, in een of ander angstland, in een of meerdere diensthuizen? Ben je dat niet? ‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht’, zeg je. Het leven was dus tot nu toe nog altijd zo dat die gedachte niet in je opkwam - of was je leven tot nu toe zo dat je die gedachte altijd meteen onderdrukte?
Denk je dan nú eens in: dat ze weg zijn, je vrienden, je geliefde, je kinderen, je ouders, allen die wij ‘onze relaties’ noemen - en wèg ook alle rechten, zekerheden en bezittingen die daarmee gegeven zijn. Stel dat het jouw positie en ‘status’ was: vreemdeling, iemand dus die op genade en ongenade overgeleverd is in de handen van mensen.
De mens als vreemdeling heet een boek uit 1960, over het grote thema van de moderne literatuur. Maar je hoeft Kafka in zijn labyrinten-wereld, en Camus en Eliot en Beckett niet gelezen te hebben om in uren van verbeelding (of is het realiteitszin?) je zelf te zien rondzwerven in een vreemde ongastvrije wereldstad, een wildvreemde taal en nog erger.
Als het waar is wat in het bijbelse verhaal gezegd wordt aan alle mensen die ter wereld
komen: dat zij de mogelijkheid tot liefde in zich dragen, dan is er dus hoop voor jou, als het ooit zover komt dat je niets meer bent dan ‘een vreemdeling op aarde’.
‘Hebt hem lief die jouw God is, heb lief de vreemdeling,’ staat er elders in de bijbelse tekst. Alsof dat een en hetzelfde is. Dat ís een en hetzelfde, zo werkt dat in de godsdienst van de bijbel.
Hem, die jouw God is liefhebben en volgen is: zijn woorden liefhebben en doen: met heel je hart, intuïtie, taalgevoel, vingertoppengevoel; met heel je ziel, binnenkant, adem, met alles wat onzichtbaar is, onschendbaar, onvervreemdbaar in je is; met al je kracht, ook met je zwakke kracht, je instortingen en depressies.
Heb lief deze woorden die een beroep doen op alles in je, op al je dromen en hartstochten, al het vurige en duistere in je. Dat alles wordt in de bijbelse levensleer niet verheerlijkt, niet ontkend, niet laatdunkend bejegend, en niet ontraadseld. Maar wel wordt er een richting aan gewezen: laat het meewerken ten gunste van al die opgejaagden en verworpenen; moge al wat ín je is je gevoeliger maken voor die ene vreemdeling die misschien ooit onverhoeds je naaste wordt.
Van dit woord, dit heilige ‘smeekschrift’, wordt gezegd dat het te volbrengen is. Het is te doen, omdat het gedaan is. De redenering, aanvoeling, hartenwens, harten-wetenschap en gedachtegang van de bijbel is eenvoudig en helder als licht: wat eens geschied is, kan weer geschieden. Liefde is gedaan door ontelbare onbekenden, oneindig maal ‘zesendertig rechtvaardigen’ - hoe zou deze wereld anders nog bestaan? Eén van hen heet Jezus van Nazareth.
Waarom zouden ook wij niet gerechtigheid doen, ontferming, trouw, vriendschap - alles wat wij weten dat goed, ja zelfs het best denkbare is voor deze aarde, ‘god’ dus? Zoals Jezus was, zo goed als god voor deze wereld, zo moge je zijn.
De bestemming van Israël ligt volgens de bijbel in zijn naam besloten: verzoening brengen, en vrede. De zegen die hij in het nachtelijke gevecht bij de Jabbok (Gen. 32,25-32) ontvangt van die ander die alle anderen is, de Ander, de Gans Andere, die zegen is de opdracht om vrede te stichten op aarde, broederschap en verzoening tussen alle volkeren, een samenleving te bouwen waarin ieder nietig mens veilig is en bestaansrecht heeft. Hoor Israël!
Dit is een visioen. Dat visioen staat honderdvoudig in de bijbel opgeschreven, in verhaal en lied. Wat wij onze beschaving noemen is uit dat visioen geboren; verzoening tussen mensen is het perspectief van onze beschaving. Er is in Nederland geen politieke partij die zo’n verheven statement bestrijdt.
Hoe komt verzoening tussen mensen tot stand? Door ‘inleving’. Dat je leert je in te leven in anderen. Dat je leert denken vanuit anderen, met name vanuit die anderen die nietig zijn, bedreigd, op de vlucht, arm.
En nu dan Israël, wat vraagt Adonai die jouw God is anders van jou dan dat jij hem bejegent met ontzag, dat je hem liefhebt, - dat je de vreemdeling liefhebt, dat je je inleeft in die ander die je naaste is, je ongewilde naaste, dat je je indenkt in die vreemde anderen, dat je als Nederlander je indenkt, invoelt, inleeft in die man en vrouw uit het Rifgebergte, in uit Iran gevluchte homoseksuelen; dat je je als christen of verlicht agnost inleeft in een moslim voor wie Mohammed heilig is. Zo, en niet anders komt broederschap, verzoening, vrede en een menswaardige wereld tot stand.
Dat kan ieder kind leren begrijpen. En beschaving is dat je probeert elkaar dit te leren begrijpen, onder álle omstandigheden, tegen geweld en angst en welvaartskoorts in.
Er is een wereldliteratuur en een Nederlandse literatuur die bewijst dat mensen tot inleving in anderen in staat zijn en ernaar verlangen. Literatuur is inleving, herkenning, verzoening. Rembrandt heeft het geschilderd, Gerard Reve en Oek de Jong en al die anderen hebben het neergeschreven en door alle zangers van het levenslied wordt het gezongen. En er is in Nederland geen politieke partij die dit bestrijdt.
Maar er is in Nederland een coalitie van politieke partijen aan de macht die een Servisch meisje van zeventien wegjaagt. En 270 Syrische vluchtelingen terug wil geven aan een moorddadig regime en vindt dat Iran veilig genoeg is voor homoseksuelen. Die mensen zonder de nodige papieren gevangen zet en vernedert, en op elkaar loslaat in detentieboten in de Rotterdamse haven, huiveringwekkend. En die zich daarvoor beroept op een wet, en blijkbaar over een apparaat beschikt dat bereid is die wet uit te voeren. Een wet die nietige, bedreigde, vluchtende mensen opjaagt is een onmenselijke wet. In een beschaafd land moet zo’n wet herschreven worden. Geen van de oppositiepartijen heeft nog in het vooruitzicht gesteld die wet te zullen herschrijven als zij aan de macht zijn.
‘Nood breekt wet’, weet ons geweten, in onze taal verankerd. Daar gaat de hele bijbel over, en heel veel wereldliteratuur. En alle muziek. Wij worden geregeerd door mensen die de nood van uitgeprocedeerde asielzoekers niet kunnen inschatten, en dat ook niet willen.
Misschien ging het hier nog niet zolang geleden in deze kerk ook al over. Moet het nu weer? Ja weer, desnoods iedere week, omdat er iedere week op ons visioen wordt ingebeukt. En omdat we in een mum vergeten waar het om gaat en afstompen en verharden en geneigd zijn de evidentie van het visioen in te ruilen tegen ingewikkelde laffe redeneringen.
Wij zijn nog ver weg van het grote verhaal, van dat visioen van verzoening. Wij zijn ver weg van wat wij zingen over wat ons te wachten staat ‘Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap…’ Maar juist daarom is het, dat wij het zingen.
Waar het bij dit alles om gaat? Om onze moeizaam bevochten beschaving, om onze waardigheid, geloofwaardigheid, om onze geloofwaardigheid voor onze kinderen. Die komen er ooit achter dat de generatie van hun ouders in meerderheid dat inhumane asielbeleid wel goed vond. God geve dat zij zich over ons schamen…
een collage van fragmenten uit teksten van Huub Oosterhuis. Wij mochten met de vriendelijke toestemming van de auteur gebruik maken van zijn teksten voor deze bijdrage aan de S/Preekwijzer