Dit is het voornaamste en eerste gebod: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Het tweede is daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.”
Zusters en broeders, deze twee geboden vormen samen één groot en onafscheidelijk gebod. Eerbied voor God en respect voor de mens zijn bij manier van spreken twee zijden van hetzelfde muntstuk. Kop en munt: samen vormen ze één munt. Geen muntstuk zonder kop, geen muntstuk zonder munt. Ontbreekt een van beide, dan gaat het om een vervalsing, om een waardeloos stukje metaal. Liefde voor God en onachtzaamheid voor de mens kunnen niet samengaan. Willen we christen zijn, dan moeten we dat ene gebod tot het onze maken en er ook naar leven. Zoals Jezus ons heeft voorgeleefd.
Verleden week las ik in de krant onder de titel ‘Belgen blijven gulle gevers’ dat de solidariteitsactie voor de slachtoffers van de tsunamiramp begin dit jaar het recordbedrag van 53 miljoen euro had opgeleverd. Hulporganisaties die nadien giften wilden ophalen, vreesden dat ze nog maar weinig zouden krijgen, maar het tegendeel was waar: eind dit jaar zouden ze met zijn allen zo’n dertig miljoen meer ingezameld hebben dan de vorige jaren, waardoor het totaal aan giften op zo’n 330 miljoen euro zou uitkomen, de 53 miljoen voor de tsunami niet meegerekend. Dat is een heel mooi bedrag, en het is meteen ook een uiting van de zorg die wij aan onze naaste, aan mensen in nood besteden. Ik hoop trouwens dat we die zorg ook op Missiezondag zullen tonen. Helemaal in de lijn van wat Jezus ons als gebod meegeeft: ‘Bemin uw naaste als uzelf.'
En toch stel ik me daar soms vragen bij. Misschien illustreert onze vrijgevigheid dat het veel gemakkelijker is van onze naaste te houden als hij veilig en ver van ons af woont. We zien zijn leed, we zien zijn ellende, en we gaan in onze portemonnee. Eigenlijk kost ons dat niet veel moeite. Gewoon in onze portemonnee gaan en een bedrag overschrijven dat we bovendien van onze belastingen mogen aftrekken. Geef toe, moeilijk is dat niet. Waarbij ik me afvraag of we ook zo mild zouden zijn, mocht die arme met al zijn leed en al zijn ellende voor onze deur staan. Zouden we hem dan ook zo graag zien, of zouden we hem eerder als bedreigend ervaren? De manier waarop we met vreemdelingen, asielzoekers en zogenaamde illegalen omgaan, laat hier niet veel goeds vermoeden.
Zusters en broeders, Jezus stelt in zijn tweede gebod, dat gelijkwaardig is aan het eerste, heel duidelijk: ‘Bemin uw NAASTE als uzelf.’ En die naaste, dat zijn in de eerste plaats de mensen met wie we dagelijks omgaan, de mensen die we op het werk, in de trein, in de winkel en op straat ontmoeten, en dat zijn natuurlijk ook onze familieleden en onze buren. Zij zijn ons het meest naast. En misschien zijn we tegenover hen helemaal niet zo vrijgevig in ons doen en laten, in ons spreken en in ons handelen, als tegenover hen die ver weg in nood zijn. Misschien zijn we hen zo gewoon dat we hen niet eens meer als onze naasten beschouwen. Misschien gedragen we ons tegenover hen helemaal niet zo christelijk als we dat zouden moeten doen.
Zusters en broeders, misschien beperken we ons geloof teveel tot bidden, naar de mis komen, een kaarsje branden en op bedevaart gaan. Dat is allemaal heel goed, en ook allemaal heel noodzakelijk, want ze zijn de invulling van het eerste gebod dat Jezus ons geeft: ‘Bemin God bovenal’. Maar we mogen ook het tweede gebod niet vergeten: ‘Bemin uw naaste als uzelf’. En die naaste, dat is iedere mens met wie we omgaan. Misschien wordt het iets makkelijker als we ons spiegelen aan Jezus: Hij ging werkelijk met iedereen om, voor iedereen had Hij aandacht en een goed woord, nooit sloot Hij iemand uit. Vorige week hoorden we: ‘Geef aan de keizer wat aan de keizer toekomt, en geef aan God wat aan God toekomt’. Welnu, vandaag horen we hetzelfde, maar met andere, heel duidelijke woorden.
Aan iedereen geven wat hem toekomt: liefde, respect, zachtmoedigheid. Je weet wel: de Zaligsprekingen. Dan zijn we op de goede weg. De weg van Jezus. Amen.