Dertigste Zondag door het jaar - A 29 oktober 2023
Evangelie: Matteüs 22, 34-40
Wat zegt Mgr. Romero ons op deze zondag?
Mgr. Romero geeft aan zijn homilie van vandaag de titel: “De Kerk, gemeenschap van leven, van waarheid en liefde voor de redding van de wereld”. Daarmee zijn ook de drie delen aangegeven waaruit zijn preek is opgebouwd. Voor deze bouwstenen vertrekken we bij een citaat uit het derde stuk: ‘De Kerk als liefdesgemeenschap’. Het is ook in dit deel dat Mgr. Romero de evangelietekst van deze zondag bespreekt.
“De originaliteit van de boodschap van Christus - laten we dat niet vergeten - is deze: dat Hij naast dat ene zware en voornaamste voorschrift: ‘Gij zult God liefhebben’, meteen een ander voorschrift plaatst op hetzelfde niveau: ‘… en uw naaste als uzelf’. Ja, dit is echt wel het originele van het christendom: dat hetzelfde motief waarmee je God liefhebt, ook het motief moet zijn waarmee je je naaste liefhebt. En dit maakt dan ook het typische kenmerk uit van wat in het Evangelie wordt gezegd. Daarom luidde het nieuwe gebod dat Christus meegaf aan Zijn leerlingen toen Hij afscheid nam van hen: ‘Hebt elkander lief zoals Ik u heb liefgehad’. Want – zo bedoelde Hij - Ik heb niet alleen mijn Vader liefgehad met heel Mijn hart, maar om Zijnentwil heb Ik ook u liefgehad, zelfs tot en met het geven van Mijn leven. Dit maakt de originaliteit uit van ons geloof, broeders en zusters. Het is heel gemakkelijk, en het is tegenwoordig bijna een courante uitvlucht geworden van te zeggen: ‘Ik ga naar de kerk, want ik wil God liefhebben, maar om mijn naaste geef ik weinig of niets’. Dan gaat het er aan toe zoals in de parabel van de barmhartige Samaritaan: terwijl de priester en de leviet in de tempel gingen dienst doen en bidden, lieten ze de arme gewonde man in de steek - en dus waren zij in feite helemaal geen naasten van die gewonde man daar langs de kant van de weg, zegt Christus.”
Dit citaat uit het derde deel van de zondagshomilie van Mgr. Romero begint met een duiding van het originele van de boodschap van het leven, het sterven en verrijzen van Jezus – **datgene wat dus ook het originele uitmaakt van het christelijk geloof. “Dit is echt wel het originele van het christendom: dat hetzelfde motief waarmee je God liefhebt, ook het motief moet zijn waarmee je je naaste liefhebt. En dit maakt dan ook het typische kenmerk uit van wat in het Evangelie wordt gezegd.“
Er is in de voorschriften die de ‘Wet’, de Thora ons geeft een tweeluik aanwezig dat onlosmakelijk samen hoort, zegt Jezus. Laten we beginnen bij de eerste kant daarvan: je moet geloven in God, en God liefhebben. Zeker in de regio’s die van de Westerse cultuur doordrenkt zijn, en ook elders op plaatsen waar het christendom door het Westen ingeplant werd (of opgedrongen werd), zullen veel mensen positief antwoorden op de vraag of ze in God geloven. Maar als we dan verder door gaan vragen: In wèlke God geloof jij? Wèlke God heb jij lief? Wèlke God aanbid jij..?, dan zullen de antwoorden waarschijnlijk wel een stuk genuanceerder klinken, of men zal het moeilijk vinden om de verdere uitleg en de concrete invulling van dat ‘geloven’ en ‘liefhebben’ uit te drukken. Toch eist die eerste opdracht van het christelijk geloof (God beminnen) dat we het aandurven van ons af te vragen welk beeld we van God hebben, en hoe we ons God voorstellen. De God waarin we met hart en ziel geloven bepaalt immers ook hoe we met andere mensen zullen omgaan. Elk godsgeloof impliceert immers een visie op de mens. Godsbeeld en mensbeeld hangen altijd onlosmakelijk samen. De God in Wie we geloven en tot Wie we bidden zal ten zeerste onze relaties met de andere mensen mee bepalen. Het beeld van een wraak nemende God bijvoorbeeld zal er ons al snel toe leiden om zelf ook wraak nemend te zijn tegenover onze medemensen. Het beeld van een bevrijdende God zal ons er toe aan zetten om mee te werken aan de bevrijding van mensen en volkeren. Zo zal ook het beeld van een liefhebbende God ons bekwaam maken om mensen lief te hebben.
In Psalm 82, 2-3 wordt al verwezen naar ‘… de goden die onrechtvaardig oordelen en partij kiezen voor wie kwaad doen’ – dat terwijl de God van de Bijbel integendeel recht doet aan weerlozen en wezen, opkomt voor verdrukten en zwakken, bevrijdt wie arm zijn en zonder verweer, hen redt uit de greep van wie kwaad wil… Zoveel is duidelijk: in ons handelen, in ons doen en laten, in ons spreken en zwijgen wordt zichtbaar in welke God we geloven.
Daarmee willen we ook onmiddellijk duidelijk maken dat die eerste kant van het tweeluik aan voorschriften waar Jezus ons in het evangelie van vandaag aan herinnert, ons ook zonder enige andere mogelijkheid bij de God van Jezus van Nazareth brengt en bij geen andere. Niet bij de idolen van de wereld dus, maar ook niet bij andere religieuze Godsbeelden. Het originele van het christendom bestaat er dus eigenlijk niet zozeer in dat gesteld wordt dat God beminnen (eerste luik) tegelijkertijd betekent ook je naasten beminnen (tweede luik), maar wel dat geloven in en vertrouwen op die God van Jèzus – Zijn Vader en onze Vader – en Hèm liefhebben, onlosmakelijk daarvan ook een radicale keuze inhoudt om van mensen te houden zoals Jezus het gedaan heeft.
In de Evangelies vinden we sporen van allerlei discussies over wie dan wel onze ‘naasten’ zijn en wat het kan betekenen hen lief te hebben. Het antwoord van Jezus op die vraag werd volop duidelijk in de parabel van de ‘barmhartige Samaritaan’. “Dit is zoals het er aan toe gaat in de parabel van de barmhartige Samaritaan: terwijl de priester en de leviet in de tempel gingen dienst doen en bidden, lieten ze de arme gewonde man in de steek - en dus waren zij helemaal geen naasten van die gewonde man daar langs de kant van de weg, zegt Christus." Daaruit blijkt dan meteen ook overduidelijk - hoe contradictorisch het misschien ook lijkt - dat de God van die Samaritaan uit het verhaal in feite veel dichter bij de God van Jezus staat, dan de God van de toenmalige joodse Schriftgeleerden, priesters en levieten. Dat, terwijl de Samaritanen door de Joden nochtans beschouwd werden als ketters, als meer dan halve heidenen, als aanhangers van valse goden…
Mgr. Romero beperkt zich niet tot de kritiek op de joodse religieuze leiders van destijds, maar hij verwijst al evenzeer naar de situatie van vandaag: “Het is heel gemakkelijk, en het is tegenwoordig bijna een courante uitvlucht geworden van te zeggen: ‘Ik ga naar de kerk, want ik wil God liefhebben, maar om mijn naaste geef ik weinig of niets’. Daarom is het duidelijk dat wie niet leeft en doet zoals de Samaritaan, en niet handelt zoals de Vader uit de parabel van de verloren zoon, in feite helemaal niet gelooft in de God van Jezus.
Het is van belang ook de tekst van de Eerste Brief van Johannes in dezelfde lijn te verstaan, waar die zegt: ‘Ieder die liefheeft (zoals Jezus dat gedaan heeft) komt uit God (de God van Jezus) voort. Wie niet liefheeft (op de manier zoals Jezus het gedaan heeft) kent God (de God van Jezus) niet.’ (1 Joh. 4, 7b-8).
God, de Vader van Jezus, laat Zich zien en horen in arme en kleine mensen, en in hen roept Hij ons op om ons te verbinden met mensen in nood die we op onze weg tegenkomen. In Matt. 25 laat Jezus zien dat diegenen die zich aansluiten bij en zich bekommeren om mensen die te kort hebben, Gods heerschappij voltrekken. Daar ligt de ware betekenis van het geloof in de God van Jezus. Als er één volwaardig en uniek beeld van God is, dan is het dat van de kleine en gekwetste mens. Van elk van hen gaat een appel uit dat tot ons is gericht, om de ander niet te vernederen of uit te sluiten, maar integendeel om hem of haar te bevestigen en te genezen, te verheffen tot menswaardigheid en recht te verschaffen. Geloven in de God van Jezus betekent dat wij ons altijd opnieuw laten oproepen tot barmhartigheid en gerechtigheid - krachtig en behoedzaam tegelijk, kordaat en zonder geweld. Het gaat dan om gerechtigheid en barmhartigheid voor iederèèn, maar op de eerste plaats voor kleinen, gekwetsten en vernederden. Niemand mag daarbij uitgesloten worden. De armen, zij die wenen en vervolgd worden – zij zijn op die manier zowel de bestemmelingen als de dragers van Gods Rijk dat komende is. Geloven in de barmhartige en rechtvaardige God van Jezus vraagt van ons dat wij zouden werken aan rechtvaardigheid, en dat wij er voor zouden zorgen dat ‘de gerechtigheid zich zal hullen in de mantel van de barmhartigheid’.
Suggestie van vragen voor bezinning en actie, persoonlijk en in onze gemeenschappen:
Wanneer wij ons doen en laten bekijken, en reflecteren over ons eigen spreken en zwijgen, wie is dan de God waarvan wij in feite, in de geleefde praktijk, ‘beeld en gelijkenis’ zijn?
Welke inspanningen doen we om geen aanbidders te worden van andere religieuze goden of van wereldlijke idolen? Hoe kunnen we elkaar daarin helpen?
Hoe vertalen we ons geloof en ons gebed tot ‘Onze Vader’ in een gelovige praxis van solidaire en barmhartige broederlijkheid, en dat op de eerste plaats in de ontmoeting en confrontatie met kwetsbare en gekwetste mensen?
Ludo Van de Velde
Ludo Van de Velde (1949), afkomstig uit Oelegem, leefde en werkte sinds 1977 in Centraal- Amerika. Hij was gedurende 9 jaren fidei donumpriester in Guatemala, El Salvador en Nicaragua. Hij is gehuwd en vader van twee dochters. Wonend in El Salvador was hij gedurende 25 jaren eerst ngo-coöperant en nadien regiocoördinator van Volens. Dank zij de diepe inspiratie van Mgr. Romero en de roep van arme mensen in kerkelijke basisgemeenschappen aan de rand van San Salvador, kon hij, samen met zijn vrouw Tere, de laatste 10 jaren met hen weer verder optrekken. Zo werd hij opnieuw wie hij altijd geweest was: priester in dienst van de armen en in dienst van het Evangelie. Sinds eind februari 2021 wonen ze in Brugge, dicht bij hun (klein-) kinderen, op zoek naar nieuwe uitdagingen.
Wekelijkse reflectie onder het licht van Romero - nr. 128. Dertigste zondag door het jaar-A – 29 oktober 2023.
Laat u niet misleiden door de kleine marges van geloof en vrijheid die bepaalde systemen u maar willen laten.
“Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie werd gezegd: Atheïsme is een fenomeen dat niet spontaan en als vanzelf ontstaat. Dat klopt, en in feite is dat toch heel merkwaardig: een groot deel van de schuld voor het groeiende atheïsme in de wereld van vandaag ligt bij hen die in God geloven. Want in plaats van God daadwerkelijk te vertegenwoordigen, verbergen en verduisteren zij Hem door hun gedrag en door hun manier van leven - zij doen in de praktijk van hun leven alsof God niet bestaat. Als het waar is dat communisme atheïsme is - geen paniek, broeders en zusters - dan is het al evenzeer waar dat kapitalisme ook een soort van ‘praktisch’ atheïsme is. En als men in die atheïstische sfeer dan toch aan het geloof een zekere marge van bestaan geeft, dan gaat het duidelijk toch om niet veel meer dan een heel smalle en kleine marge. … Maar als onze Kerk werkelijk een geloofsgemeenschap is en dat ook wil zijn en wil blijven, laat u dan niet misleiden door de kleine marges van geloof en vrijheid die bepaalde systemen u slechts willen laten, terwijl ze zichzelf nochtans opwerpen als de zogenaamde ‘beschermers van de Kerk’. Als we werkelijk een geloofsgemeenschap zijn, mogen we niet tevreden zijn zolang we niet het gevoel hebben dat dit geloof daadwerkelijk en voluit geleefd en beleefd kan worden, en dat we het in ons leven kunnen uitdragen zonder angst voor bepaalde situaties, welk die ook mogen zijn. Paus Johannes Paulus II - toen nog Kardinaal Wojtyla - herinnert zich de tijden van de catacomben en de circussen, de tijden van de martelaren van de eerste christenheid, en hij herinnert zich al evenzeer - hij die het zelf heeft meegemaakt - de gevangenissen van het marxisme in zijn thuisland Polen; en zo moeten ook wij de gevangenissen en martelingen van een kapitalistisch systeem als het onze doorleven. Waar het om gaat is: dat, in welk systeem ook, het geloof in Christus de fakkel moet zijn die sereniteit, moed en hoop geeft aan dit leven en aan de geschiedenis.”
In deze paragraaf van zijn zondagspreek presenteert Aartsbisschop Romero een sterke zelfkritiek van de Kerk met betrekking tot haar verantwoordelijkheid (of liever haar zo vaak voorkomend gebrek aan verantwoordelijkheid) voor wat betreft haar inzet om “God te vertegenwoordigen”. Hij merkt op dat die christenen die “door hun gedrag God verbergen en verduisteren**”, d.w.z. zij die “** door hun gedrag en hun manier van leven in feite doen alsof God niet bestaat”, zondermeer de weg vrijgemaakt hebben voor het atheïsme. Misschien gaat het dan niet zozeer over het theoretische atheïsme (het doctrinair ontkennen van het bestaan van God) dat heden ten dage in de Westerse wereld veel vooruitgang heeft geboekt, maar veeleer over het ‘praktisch’ atheïsme dat al evenzeer furore maakt op vandaag. Monseigneur Romero stelt duidelijk aan de kaak dat het kapitalistische economische systeem noch min noch meer een vorm van ‘praktisch’ atheïsme is, dat regelrecht komt te staan tegenover het geloof in de God van Jezus. Datzelfde systeem heeft mettertijd zijn eigen seculiere afgoden geschapen en blijft dat doen, terwijl ondertussen het agnosticisme floreert, of meer nog de totale apathie en de desinteresse in de gelovige dimensie van het leven.
De verschillende uitingen van het neoliberale kapitalisme hebben de ruimtes en marges van actie die voor de Kerken nog overblijven gediversifieerd, gecontroleerd en ook steeds meer gemarginaliseerd. Al in de jaren zestig van de vorige eeuw wist men in de VS dat de grote vijand in Latijns-Amerika niet het communisme was (hoewel dit toch voortdurend als een soort mantra werd herhaald), maar wel de Katholieke Kerk. Zo begon men bijvoorbeeld vanuit de VS steeds meer de agressieve stromingen te voeden die zorgden voor het exporteren van allerlei (semi-)christelijke uitingen van het katholieke geloof, met hun fundamentalistische lezing van de Bijbel, wel wetende dat die strekkingen en stromingen het conservatieve neoliberale beleid ten gunste van de VS sterk ondersteunden. In verschillende Latijns-Amerikaanse landen en in de VS is de ‘evangelisch-charismatische’ stroming op die manier de belangrijkste basis geworden voor politieke stemmen die het opnemen voor figuren als Bolsonaro in Brazilië en Trump in de VS.
Een andere strategie die gevolgd werd en die duchtig werd aangemoedigd, was de directe vervolging van de Kerk in de jaren 1960 - 1980 door militaire regimes die in dienst stonden van de lokale oligarchie en die zich opwierpen als trouwe vazallen van de VS. In die jaren aarzelde men niet om catechisten, gelovigen, religieuzen, priesters en bisschoppen gevangen te nemen, te martelen, te laten verdwijnen, uit te wijzen en te vermoorden. In feite accepteerde men eigenlijk alleen nog een stille Kerk, teruggetrokken uit de wereld, en opgesloten in haar eigen tempels en aloude rituelen.
Concreet, en met de vinger aan de pols van de actualiteit: in het Nicaragua van vandaag is de levensruimte en de mogelijkheid tot getuigenis vanwege de Kerk enorm ingeperkt. Ondanks het feit dat de regering het woord ‘christelijk’ (samen met de woorden ‘socialistisch’ en ‘solidair’) manifest in haar vaandel draagt, bevordert ze in de realiteit een versneld proces van vernietiging van de organisatiemiddelen van de Kerk, van haar infrastructuren en onderwijservaringen, en gaat ze over tot de blokkering van bankrekeningen en de uitzetting (of de gevangenneming) van kerkpersoneel. De actieradius die men voor de Kerk (nog) toelaat is ingeperkt tot niet veel meer dan het hanteren van een soort religieuze taal in de lucht en het zegenen van bestaande culturele tradities – en verder eist men dat de ogen, de oren en vooral de monden gesloten worden en blijven. De antennes en voelhorens van de macht controleren alles, ook wat er in de liturgie wordt gezegd. Het is zelfs verboden om de naam van een bisschop die in de gevangenis gezet is, in een gebed te vernoemen. Degenen die de dominante ideologie van de heersende partij niet delen en zij die hun leiders niet verafgoden, worden genegeerd, gevangen gezet, uit het land verdreven, de toegang tot het grondgebied ontzegd en finaal gestraft met de onteigening van hun organisatorische, materiële en financiële middelen.
Voor de Kerk in Nicaragua en in andere landen die in vergelijkbare situaties verkeren, gelden de woorden van Monseigneur Romero: “Laat u niet misleiden door de kleine marges van geloof en vrijheid die bepaalde systemen u slechts willen laten, terwijl ze zichzelf nochtans opwerpen als de zogenaamde ‘beschermers van de Kerk’”. Het is een belangrijke oproep die de Aartsbisschop hier doet, want niet zelden zijn angst en lafheid sterker dan het verlangen naar profetische trouw aan het Evangelie. De angst om nog meer of zelfs alles te verliezen, de angst om uitgestoten te worden of gevangen te worden gezet, voedt de lafheid en bevordert de neiging om zichzelf op te sluiten in de veilige cocon van de tempel. Monseigneur Romero moedigt ons aan: “Als onze Kerk werkelijk een geloofsgemeenschap is en dat ook wil zijn en wil blijven, mogen we niet tevreden zijn zolang we niet het gevoel hebben dat dit geloof daadwerkelijk en voluit geleefd en beleefd kan worden, en dat we het in ons leven kunnen uitdragen, zonder angst voor bepaalde situaties, welke die ook mogen zijn.” Als Kerk hebben we de medeverantwoordelijkheid om elkaar er toe aan te moedigen om alle dimensies van ons geloof ten volle te beleven: de ‘koinonia’ (het gemeenschapsleven), de ‘diakonia’ (de dienstbaarheid vooral tegenover de families van de meest kwetsbare en gekwetste sectoren), het ‘martyrium’ (het getuigenis van een leven dat ‘bekeerd’ en veranderd is), het ‘profetisch kerygma’ (de waarheidsgetrouwe en onverkort-duidelijke verkondiging van het Evangelie), alsook de liturgie en het gebed (levend en geïncarneerd in de historische werkelijkheid). Er is geen enkele regeringsleider die zomaar mag zeggen wat de Kerk en de verantwoordelijken in de Kerk mogen zeggen, waarover ze moeten zwijgen of wat ze mogen doen, en ook niet hoe ze moeten bidden of hun geloof moeten vieren. En niemand in de Kerk van hoog tot laag zou zich mogen laten manipuleren of onder druk zetten door welke wereldse macht dan ook.
Deze woorden van Aartsbisschop Romero, uitgesproken in 1978, zijn op vandaag nog steeds zeer profetisch-evangelisch en zeer actueel in alle landen: “Waar het om gaat is: dat, in welk systeem ook, het geloof in Christus de fakkel moet zijn die sereniteit, moed en hoop geeft aan dit leven en aan de geschiedenis.” Alle menselijk doen en laten staat altijd onder de profetische kritiek van het Evangelie. Met het oog gericht op de horizon van het Koninkrijk van God, en vertrekkend bij het leven en de kruisen van de armen (de zwakken, gewonden, kwetsbaren, uitgeslotenen, gevangenen, migranten en vluchtelingen, zieken,…) heeft de Kerk de missie om een fakkel in de duisternis te zijn en een licht van hoop, een kiem van waardig leven waarin rekening wordt gehouden met en geluisterd wordt naar elke persoon, zonder onderscheid… Dit zijn verantwoordelijkheden die moeten geleefd en uitgedrukt worden zowel op lokaal niveau, in de wijken, als op nationaal en internationaal niveau.
Dus: “… Laat u niet misleiden door de kleine marges van geloof en vrijheid die bepaalde systemen u maar willen laten.” In elk land zal er een eigen dynamiek aanwezig zijn. In elk land of continent en in elk tijdperk moet de Kerk zich incarneren in de historische werkelijkheid. Ze moet daar steeds weer alles ontmaskeren wat de wegen van het Koninkrijk van God vernietigt of verbergt en verduistert, en tegelijkertijd moet ze onverschrokken getuigen van het feit dat een andere manier van leven in de samenleving mogelijk is. We hoeven niet bang te zijn.
Tere en Ludo Van de Velde
Overdenking voor zondag 29 oktober 2023. Voor deze overdenking hebben wij een citaat genomen uit de homilie van Monseigneur Romero tijdens de eucharistieviering op de Dertigste Zondag door het jaar, cyclus A, 29 oktober 1978. Homilías, Monseñor Oscar A Romero, Tomo III, Ciclo A, UCA editores, San Salvador, p. 352-353.