30e zondag door het jaar A.
Exodus 22, 20-26 Mattheus 22, 33-40.
Bijna dagelijks horen we : ‘ Gewond bij een poging om de Europese Unie binnen te komen, daarbij beelden van boten met Afrikaanse vluchtelingen. Spanje, Italië en Malta slaan alarm over een bijna onbeheersbare stroom migranten. Have en goed hebben zij achtergelaten in de hoop op een nieuw leven ergens in een Europees land. Maar de toegang zit op slot. Het hek om Europa wordt versterkt
En zopas hoorde ik : U mag een vreemdeling niet slecht behandelen
en hem het leven niet moeilijk maken.
Ik versta dit als: wie of wat je ook bent, waar je ook woont: houd je voor ogen hoe je geworden bent wie je nu bent.
Met lege handen ben je ter wereld gekomen.
Wie je geworden bent, dank je vooral aan je ouders, vrienden en anderen. Doordat je hier in Belgïe woont bezit je iets, ja zeker , wij hebben geluk dat wij hier geboren zijn.
Ik moet mezelf dan ook de vraag stellen: Hoe ga ik zelf eigenlijk om met vreemdelingen ? Ooit was ik in Zimbabwe, ik als blanke te midden van allemaal donkere mensen. Allen op straat tussen hen voelde ik me bang en niet meer op mijn gemak. Ik voelde me kwetsbaar zomaar op mijn eentje durfde ik niemand aanspreken.
‘Vreemdeling’ , dat kun je al voelen na een verhuizing. Er kan een tijdje overheen gaan eer je je buren en de omgeving hebt leren kennen.
Voordat het zover is leef je in een soort niemandsland.
Je kunt ook een vreemde voor jezelf zijn bv als er een appèl op je gedaan wordt om voor je zieke moeder te zorgen. Plotseling ontdek je de gave te beschikken liefdevol en zorgzaam nabij te zijn.
Soms ontdek je ook minder positieve kanten, onhebbelijkheden, schaduwkanten die je tot dan toe alleen maar bij anderen opmerkte.
Het kan ook gebeuren dat je vervreemdt van jezelf omdat er op je werk een verantwoordelijkheid op je schouders gelegd wordt die je niet aankunt. Je durft er niet over praten en het gevolg is dat je je wringt in allerlei bochten, en niet jezelf bent.
Leven is in contact komen met het vreemde van de ander, het vreemde van mezelf. Leven is ook in contact komen met het vreemde van God.
In het Oude testament is God een hardvochtige, meedogenloze God . Maar niet zomaar… hij is dat alleen naar wie zijn naaste onrechtvaardig behandelt, naar wie zich verrijkt over de rug van anderen, voor wie niet opkomt voor zwakkeren.
‘ Als u hen tekort doet en hun klagen tot Mij opstijgt, dan zal ik gehoor geven aan hun klagen’ hoorden we in de eerste lezing.
God kan het niet aanzien wanneer mensen elkaar en elkaars kwetsbaarheid negeren en dat mag de vreemde kant van God heten.
Recht doen aan mensen, daar hoopt God op.
Dit hoor ik ook terug in het antwoord van Jezus op het grootste gebod.
U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. U zult uw naaste liefhebben als uzelf.’
God beminnen en de naaste beminnen zijn 2 geboden die niet worden versmolten, ze staan gelijkwaardig naast elkaar.
Het eerste kan niet zonder het tweede.
Het gaat om meer dan een warm gevoel voor anderen of God.
Dat mag er zijn, maar uit zich telkens in een daadwerkelijk instaan voor de ander.
God beminnen en de naaste beminnen is een zaak van taai volhouden.
Denk maar aan de velen artsen , verpleegkundigen die zich in Afrila inzetten tegen Ebola
Het kan weerbarstig zijn om jezelf kwetsbaar te maken.
Liefde vraagt inzet en soms ook lijden.
Dat we elkaar blijven zoeken en zien, dat we ons over elkaar ontfermen, wetend dat ieder hier op aarde vreemdeling is ,
gedragen door God.
Onze God : Een schoot van ontferming ! Moge het zo zijn…