Zonder jouw deel ontbreekt er iets van God in de wereld (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 3e zondag · groen

Sinds tweeduizend jaar kleurt het levensverhaal van Jezus het beeld dat wij van God hebben. Want ons is overgeleverd dat heel de goede goddelijkheid in Hem woonde. Als je dus naar Hem kijkt, valt er veel van God te ervaren. Jezus ziet dat als dé grote bestemming van zijn leven, van ieder mensenleven trouwens: om iets van Gods wezen te laten zien. Iedere mens is op zoek naar richting in zijn leven. Wat is mijn bestemming? De bijbelboeken staan niet voor niets vol roepingsverhalen. God spreekt, God roept, lees je dan. In de praktijk gaat het natuurlijk om een geleidelijk proces van bewustwording: die kant moet het uit met mijn leven.

Die roeping vind je dus al doende en gaandeweg. En het mooie is dat je daarin ook zélf gevonden wordt. Als je zo naar die innerlijke stem luistert, ontdek je steeds meer wie je bent en wat je moet gaan doen. Je komt tot je diepste bestemming. Zó moet ook Jezus zijn roeping hebben ervaren, als een langzame bewustwording: die kant moet het op met mijn leven; dat moet ik gaan doen. Vandaag worden ons door Matteüs met een paar grote streken de contouren van een portret van Hem geschilderd. Later zal hij dat uitwerken in parabels en andere verhalen. Maar hier schetst hij alvast de hoofdlijnen. Jezus is pas gedoopt en toen is de Eeuwige als een duif op zijn schouders neergestreken om Hem nooit meer te verlaten. En wat lezen we dan? Hij moet om te beginnen uitwijken! Geboren op de vlucht en daarna gevlucht naar Egypte, moet hij wéér uitwijken, omdat hij moet vrezen voor zijn leven. Hij gaat niet naar Jeruzalem. Blijkbaar wil de schrijver nog eens onderstrepen dat Jezus niet welkom was bij de gevestigde autoriteiten. Hij gaat juist naar mensen die ver van het godsdienstige centrum af staan. Naar het grensgebied, staat er, het gebied dat getypeerd wordt door zee, duisternis en schaduw. Dat moet haast wel te maken hebben met Gods eigen voorkeur voor mensen die in vernedering en duisternis leven. Daar in die dode uithoek, in die smeltkroes van culturen, daar woont en wandelt Hij en ontfermt Hij zich over mensen die in het duister zitten.

Wij hebben hier wel eens gezegd: iedere mens wordt uitgenodigd om een ander stukje van God te laten zien. Zonder jouw deel ontbreekt er iets van God in de wereld.. Nu, Jezus wil zijn Godheid híer uitdragen, in een leven dat andere levens draagt en omsluit. En op die manier wil Hij zijn bestemming bereiken. En in deze uithoek roept Hij ook zijn volgelingen, dat ook zij hún deel van God laten zien. Hij roept geen schriftgeleerden of Levieten, maar gewone vissers. Want het gaat er niet om dogma’s of leerstellingen aan de man te brengen, maar om iets te laten zien van Gods aanwezigheid, zijn liefde en licht. Iets van de levenskracht die je doet voortgaan, geestkracht die je aanmoedigt om de hoop te bewaren en van het leven te houden zoals het gaat en komt. Daar moeten ze van gaan getuigen.

Wij leven momenteel in het postmoderne tijdvak, zeggen ze wel eens. Alle grote denksystemen gaan er aan. Veel mensen vinden daarom dat ook het christelijk geloof zijn tijd wel gehad heeft. Er is immers zoveel veranderd! En het blijkt ook nog eens een keer dat je best kunt leven zonder God. Hele horden doen dat. Je vormt je gewoon een eigen denksysteem, een mengsel van allerlei oude elementen en nieuwe fantasieën, van overal bijeen gesprokkeld, van tarot tot tantra. Wat wel opvalt, is dat daarbij het privé-belang, het grote ego, vaak voorop staat. Je weet dan niet meer wat ons bindt, wat ons gezámenlijk geloof en onze bestemming is. Het christelijk geloof is niet meer van deze tijd, hoor je dan zeggen. Nou, daar is ook wel iets van waar natuurlijk. Want een gelóvige blijft nu eenmaal niet staan bij de tijdgeest van het moment en de waan van de dag. Wij sluiten ons niet op in een bestaan voor onszelf alleen. We kijken over de smalle grenzen heen van eigen ziel en zaligheid, van eigen land en volk, naar de wijdere vragen voor de hele aarde: naar de hongerende, de vluchteling, de dakloze van dichtbij en veraf. Wat dat betreft is ons geloof heel kritisch. Het heeft een visie, een visioen over mensen en over samenleving. Als gelovige mensen leven we niet voor onszelf alleen, maar hebben wij een taak te volbrengen. Omdat anders het leven hard wordt en meedogenloos, onrechtvaardig en letterlijk goddeloos.

Ons Christelijk Westen heeft nog steeds behoefte aan zulke getuigenissen van hoop, aan verhalen waarin iets van dat transcendente, van God aan bod komt. Dat moeten wij als christenen van deze tijd op onze eigen manier durven verwoorden; vooral daar waar mensen door omstandigheden geen grond meer onder de voeten voelen, waar ze moeten vechten tegen de ontmoediging. Mensenvissers moeten we zijn, zegt Jezus. Het water van de Jordaan is reinigend en verfrissend. Daarmee kun je gedoopt worden. Maar dat meer van Galilea, waar ze vissen, kent grote diepten en verraderlijke stromingen. Toentertijd zag men die diepten als een rest van de oerzee, de chaos waaruit God de wereld geschapen had. In dat diepe huisden nog steeds de demonen en de machten van het kwaad. Daarom is dat water in Schriftverhalen ook het symbool van onze levenssituatie: een bestaan dat soms kabbelend voortgaat, maar ook met vervaarlijke afgronden, chaos, duistere diepten en met heel wat demonen. Daar weet u alles van. Je kunt er door verzwolgen worden en erin verdrinken. Volgelingen van Jezus, vissers van huis uit, krijgen van Hem een nieuwe taak: om mensen die dreigen om te komen in de chaos, in de woeste golven van het bestaan, om voor die mensen op te komen. Dat is trouwens gewoon de oude opdracht uit de Tora. En in die traditie staat Jezus ook zelf: om in Gods Naam op te komen voor bevrijding en gerechtigheid. Matteüs vat dat allemaal samen met één flinke pennenstreek en schrijft dan: in heel Galilea trok Hij rond en iedere *ziekte en elke kwaal onder het volk genas Hij.
*Precies dat is ook de roeping van ons, die naar Hem genoemd zijn. Want wij zijn toch gedoopt en gezalfd, en ook op onze schouders is de Eeuwige neergestreken. Wij eten zijn brood en drinken zijn beker en vormen zijn evenbeeld. En dat Galilea van de heidenen is ook in onze dagen her en der te vinden. Overal leven wij als christenen in een smeltkroes van culturen, temidden van ongelovigen en anders-gelovigen, met wie wij in goede verstandhouding willen samenleven. Wij zijn pas geloofwaardig, als wij leven met diezelfde levensvisie als Jezus: als ik, net als Hij, kijk met vier ogen: met twee van mijzelf en twee van de ander. Geloven is hier dus echt iets anders dan opkomen voor een aantal waarheden waaraan je door dik en dun blijft vasthouden. Anders ook dan het verdedigen van een oud en machtig instituut. Je komt op voor God die tegelijk jouw eigen diepste wezen wordt en wiens Naam is: Ik ben er voor jou! Wat ons aan elkaar bindt is een enthousiast weten dat wij allemaal op onze eigen manier willen bijdragen aan het wonen van God in de wereld, aan die geestkracht die mensen draagt wanneer hun weg loopt langs de afgronden van de angst en verlatenheid of door diepe duisternis van ellende. Ons geloof heeft te maken met een heel wezenlijke roeping in ons bestaan: elkaar bevrijden en waardevol maken. Eigenlijk is dat gewoon de vertaling van het oude Tora-gebod: God liefhebben met hart en ziel en de naaste, omdat die is zoals ik zelf ook ben. Geïnspireerd door Jezus ga je achter Hem aan en draag je Gods licht uit; je wordt elkaars naaste;
je draagt zorg voor elkaar, je laat mensen die je op je levensweg tegenkomt recht en gelijkheid ervaren. Godzijdank sta je er lang niet alleen voor. Er zijn voldoende bondgenoten, lotgenoten, geloofsgroepen, bevlogen medemensen, die het de moeite waard vinden om samen met jou het verhaal van God met de mensen levend te houden en hun eigen deel van God te laten zien. Moge dat ook hier op ’t Zand zo zijn.

Zoeken in Preken Online