Jezus begint Zijn prediking, Zijn verkondiging, - op een plek waar je het niet verwacht, - niet in de hoofdstad, waar men publiek vindt, maar in de periferie, - niet in de heilige stad Jeruzalem, niet in het kerngebied van het volk Israël, het land Judea, maar in Zebulon en Naftali, in het half-heidense Galilea, “gewest der heidenen” zo wordt het spottend genoemd, land in de marge.
Jezus begint Zijn prediking, Zijn verkondiging, met mensen waarvan je het niet verwacht, - niet in een gestudeerd milieu, niet bij de toenmalige intelligentsia, de orthodoxe en Bijbelvaste rabbijnen, niet op een hogeschool of een universiteit, - maar allereerst tussen de zondaars, de bekeerlingen, die met gebogen hoofden bij Johannes de Doper komen, en waar Hij dan tussen staat, - en dan met een paar visboeren, die hij onaangekondigd, niet gepland, aantreft in hun gewone, dagelijkse leven, hun kostwinning.
Jezus begint Zijn prediking, Zijn verkondiging, - niet met een gemakkelijke, triomfantelijke boodschap, - niet met iets vanzelfsprekends, iets dat gemakkelijk in het gehoor ligt, maar met een indringende oproep, een appèl, het appèl van de Doper. Woord voor woord legt de evangelist Matteüs Hem de oproep van Johannes de Doper in de mond: “Bekeert u, want het Rijk der Hemelen is nabij” (v. 7 // Mat 3,2).
En hoe het met de Doper afgelopen is, weet Hij. De Doper is Hem voorgegaan. Johannes de Doper is “overgeleverd”, zo schrijft letterlijk de evangelist Matteüs: “overgeleverd”. Hij gaat zijn Meester voor. Straks wordt ook Jezus “overgeleverd”.
“Galilea der heidenen”, gewest van de heidenen, de meest onverwachte en afgelegen plek. “Een volk in duisternis”. De profeet Jesaja zegt het. Jezus predikt binnen een volk dat niet gezien wordt, dat in duisternis zit. En toch is dat de plek waar volgens de profeet Jesaja het heil geschiedt.
Maar Galilea zal straks de plek worden waar de Verrezene zich in Zijn nieuwe glorievolle lichaam zal tonen. “Hij zal jullie voorgaan naar Galilea”, zo kondigt de engel bij het graf aan.
Blijkbaar heeft Jezus een zwak voor mensen die in duisternis zitten voor duistere kanten van mensen, zwarte bladzijden, mensen die in de knoop zitten, mensen die moeite hebben met het bestaan. Want Hij weet het, – en Jesaja zegt het -, het licht zál en móét doorbreken.
En het licht breekt door. Maar niet zoals Jesaja het zich had gedacht. Jezus ziet twee broers, vissers. Hij “ziet”, zo schrijft de evangelist Matteüs uitdrukkelijk en hij herhaalt het. Jezus “ziet”, neemt het initiatief. Ongevraagd. Hij roept hen. Zíj spreken Hem niet aan, Híj spreekt hen aan. Dan ziet hij twee andere vissers, ook broers. Ook zij spreken Hém niet aan, Hij spreekt hén aan. Jezus “ziet”. Hij ziet iets in hen. Mensen van wie je het niet verwacht, mensen in wie niemand iets ziet. Iets “zien” in mensen. In een land van Zebulon en Naftali, een land van donkerte en dood, iets “zien” in mensen. In een land van donkerte en duister, in een gewone ordinaire dagelijkse werksituatie, daar ziet Jezus iets in mensen. En daar leert Hij ons vissen. Hij leert ons vissen in onszelf en in onze medemensen. In wat in ons donkerte is, onze duistere kanten, in wat wij in ons niet laten oplichten, onze zwakke kanten, waar wij ons voor schamen, waaraan wij liever niet herinnerd willen worden, verkeerde keuzes in het verleden, waarmee wij ons nog steeds niet kunnen verzoenen.
En juist dát moet aan het licht komen, juist dát moet helder worden. En mensenvissers worden Zijn volgelingen, vissers die vis halen uit de diepte maar ze weten nooit wat ze ophalen, want door het water kun je niet kijken het zit in de diepte, maar je ziet het niet, hoe verder je in de diepte van het water gaat, hoe donkerder het wordt. Je moet de diepte in, je ziet pas wat je bovenhaalt als het boven water is. Sommige mensen zijn stille wateren, en dan moet je soms erg diep vissen, naar boven halen wat diep ergens onder water zit, dingen te pakken zien te krijgen die niet vanzelf aan de oppervlakte komen.
Soms is daar ook een boot voor nodig, een zeewaardige boot die niet kapseist, met andere vissers die je helpen, of die het werk met jou samen doen. Wij noemen dat wel eens de kerk. En uit die boot worden stevige netten gegooid, netten die niet scheuren bij de eerste vangst, wanneer men er aan trekt, netten met mazen die niet te klein maar ook niet te ruim zijn. Want je kunt wel zeggen “Je moet mensen vangen”, maar niet zo, dat ze door de te wijde mazen van het net glippen of door te krappe mazen verstikken.
Jezus begint Zijn prediking, Zijn verkondiging, op een onorthodoxe manier, op een plek waar je het niet verwacht, met mensen die eigenlijk ongeschikt zijn. Jezus is geen standaard-Messias, en het Evangelie wordt één grote verrassing. Hij is totaal onvoorspelbaar. En toch zijn de netten vol. Vooral nà de Verrijzenis. Dan is Hij weer terug in Galilea. En dan wordt er wéér gevist in het Meer van Galilea. En dan zijn de netten vol. Overvol. 153 vissen.
Régis de la Haye, diaken