Evangelieprikje (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

Het is bijzonder moeilijk om voor iedereen goed te doen en zeker als men er op uit is je een loer te draaien. Met de vraag te stellen of het geoorloofd is belastingen te betalen aan de Romeinse keizer, spannen Herodianen, die meewerken met de Romeinse bezetter en de Farizeeën samen. Antwoordt Jezus dat het geoorloofd is belastingen te betalen, dan zal men Hem verwijten dat Hij de bezetter en meteen ook diens afgodendiensten steunt. Is Hij er tegen, dan zal men vlug melden aan de Romeinen dat Hij tegen hen is. Maar Jezus doorziet hen en Hij ontmijnt de tegenstelling tussen bezetter en godsdienst door hen beiden bestaansrecht te geven.

We zouden met dit evangelie eens kunnen stilstaan bij het moreel gehalte van onze belastingen. Is het bijvoorbeeld geoorloofd dat met ons belastingsgeld wapens gekocht worden, dictatoriale regimes gesteund worden? Beslist boeiende onderwerpen, maar eigenlijk gaat het daar niet over. De kern is eigenlijk dat Jezus zegt dat we de “aardse heersers” gerust wat van “hun” geld mogen geven. Maar dan is er nog het tweede gedeelte: “geef aan God wat God toebehoort”. Bij het muntstuk is het duidelijk, het draagt de afbeelding van de keizer. Maar wat draagt de afbeelding van God? We hoeven niet ver te zoeken in de Bijbel om een antwoord te vinden op deze vraag: de mens is namelijk geschapen naar het beeld van God. En aangezien wij Zijn beeld dragen, behoren wij Hem toe. Wij die ons christen noemen, zijn niet alleen beeld van God, maar mogen ook delen in Zijn leven. Dat is de betekenis van het doopsel. Maar wat betekent dat, iemand toebehoren? In Tura Gospel heeft de koning van het Vlaamse levenslied een lied met als titel: “Ik hoor Je toe”. Hij zingt: " Mijn hele leven wil ik Je geven, aanvaard me, ik hoor Je toe. Je kan me maken, me kraken, bewaar me, ik hoor Je toe. In al mijn dromen, al mijn gedachten, in alle dingen die ik doe, ben Jij aanwezig, altijd aanwezig, nu en voor eeuwig en eeuwig hoor ik Je toe". Da’s gemakkelijk gezongen en akkoord, het geeft een beeld van wat toebehoren aan iemand kan betekenen, maar zijn wij zo van ons geloof doordrongen? Wie kan zeggen dat God aanwezig is in alle dingen die hij/zij zegt of doet? Er zullen misschien wel zo’n mensen zijn, maar ik moet eerlijk toegeven dat ik daar niet bij ben. Het is niet dat ik dat niet zou willen, maar soms “ontglipt” God me. Dat kan betekenen dat ik er niet aan denk maar het kan ook betekenen dat ik God koortsachtig zoek maar niet vind.

Door Zijn leven te willen delen met ons, mensen die verre van perfect zijn, heeft God getoond hoe goddelijk Zijn liefde is, Hij heeft niet alleen Zijn hart maar heel Zijn wezen wijd open gezet voor ons. Beantwoorden wij dat met een even grote openheid? Staat ook ons hart wagenwijd open voor wat God van ons wil of komt dat maar nadat we eerst gezorgd hebben voor onszelf en allen die ons dierbaar zijn? Boeiende vraag om over na te denken, maar ze is even “tricky” als die van de Herodianen en Farizeeën. Misschien maak ik met deze vraag wel een tegenstelling die geen tegenstelling hoeft te zijn. Is het verkeerd om als gelovige jezelf graag te zien? Veronderstelt “bemin de naaste als uzelf” niet dat je ook jezelf bemint? Het een is dus niet in strijd met het ander, integendeel. Wie als christen denkt God te kunnen beminnen zonder zijn naaste te beminnen, die heeft er, denk ik, niets van begrepen. Zijn wij niet geschapen naar Zijn beeld om Zijn onvoorwaardelijke liefde voor elke mens gestalte te geven? God geven wat Hem toebehoort is dus je naaste beminnen zoals je weet dat God jou bemint. Ik weet, wij mensen kunnen dat niet zo krachtig als God, “nothing like the original”. We kunnen ons beeld niet vastnemen, niet voelen, dus ons beeld is iets minder dan wijzelf. Zo is het ook met ons als mens, die beeld zijn van God, het origineel is toch nog wat anders dan de afbeelding al zou de laatste wel het origineel moeten oproepen.

Zusters en broeders, God toont zich aan ons door mensen, wijzelf kunnen God voor een deel tonen aan mensen, dat krijg je nu eenmaal met een God die het menselijk leven wil delen en die wil dat wij Zijn leven delen. Zoals de liefde voor onze partner ons leven grondig veranderd heeft en alles wat we in de toekomst doen daardoor gekleurd zal zijn, zo zou het ook met ons en God moeten zijn. En dat is nu juist de vraag: verandert God mijn leven, heb ik voor ogen wat Hij van me wil in mijn leven, mijn denken, mijn handelen, mijn aankopen doen, mijn beleggen, …? Laat ik het anders vragen: geven we God wat Hem toebehoort of moet Hij tevreden zijn met de restjes? Hebben we God en onze naaste voor ogen bij alles wat we zeggen en doen? Het kan wellicht nog beter, laten we daarom bidden om een open hart zodat God ons steeds meer kan toefluisteren wat Hij wil. Ook dit kunnen wij niet zonder Zijn steun.

Zoeken in Preken Online