* De Farizeeën willen Jezus goed voorbereid een valstrik spannen. Vleiend komen ze bij Hem met de vraag of Joden belasting moeten betalen aan de keizer van Rome. Jezus is een rasechte Jood. Indien Hij ‘ja’ zegt, valt Hij in ongenade bij zijn volk, dat door de bezettende macht was uitgebuit. Zegt Hij ‘nee’, wat de Farizeeën wellicht normaal hadden verwacht van een Messias die het volk van het Romeinse juk wilde bevrijden, dan kan Hij als oproerkraaier tegen de keizer worden aangeklaagd. De weerstand tegen de bezetter drukte zich in die tijd precies uit in de weigering om te betalen. Het recente boek van Paul Verhoeven stelt Jezus onterecht voor als zulke revolutionair.
* Maar Jezus doorziet hun list en maakt er een buitenkansje van. Hij vraagt naar een muntstuk dat als schatting moet dienen. De Joden hadden wel een zwakke eigen munt, maar moesten hun belasting afdragen in Romeinse tienlingen. Op hun munt stond geen beeld, op de Romeinse munt het beeld van de goddelijke keizer Tiberius, met de tekst: “Tiberius Caesar, zoon van de goddelijke Augustus”. - Het antwoord van Jezus is dubbel maar niet dubbelzinning. Hij zegt twee dingen:
1. " Geef aan de keizer wat de keizer toekomt."
-
In de ogen van de strenge Farizeeën was dit cijnsgeld, met de beeldenaar van de keizer, vreemd, vuil en onrein. Joden mochten het strikt genomen zelfs niet aanraken. De Farizeeën stonden er nu blozend mee in hun handen te blinken. Die beeldenaar verwees als eigendomsstempel naar zijn heidense bezitter: “Bezondig u niet aan dat rotgeld. Werp het muntstuk terug naar zijn eigenaar”.
-
Dit Jezuswoord werd in het verleden vaak gebruikt om de moraliteit van de belastingsplicht te staven. Maar vergeten we niet dat de politieke macht niet gerechtigd is deze gelden te misbruiken voor immorele doeleinden. Jezus’ uitspraak werd ook geïnterpreteerd om theologisch een gezonde secularisatie en de scheiding van Kerk en staat te gronden. Jezus lijkt wel het burgerlijk gezag te respecteren voor wat het is. Doch de geestelijke autoriteit valt er niet mee samen. Kerk en staat zijn gescheiden, of beter net onderscheiden. Het is niet goed dat de Keizer voor paus speelt noch dat de paus keizerlijke macht zou hebben. Dit is in het verleden zo geweest met ook de negatieve gevolgen ervan. Die onhoudbare situatie leidde in de 11de eeuw tot de Investituurstrijd. Zelfs later nog kon de H. Frans van Sales Savoie niet verlaten zonder de toelating van zijn Hertog. De Franse koningen werden in Reims gezalfd tot aan de Revolutie. In Engeland werd Hendrik de 8ste het hoofd van de Anglicaanse Kerk en tot op vandaag blijft de koningin van Engeland dat hoofd.
-
Kerk en staat mogen niet samen vallen, noch elkaar tegenwerken. Ze kunnen elkaar aanvullend steunen. Waar de Franse wet Combes (1905) een uitgesproken “Negatieve Laïciteit” bracht, sprak eind 2007 in het Lateraan te Rome President Nicolas Sarkozy over een “Positieve Laïciteit”. Hij liet verstaan hoe het voor de staat belangrijk kan zijn de deur voor de Kerk meer open te houden. Dezelfde toon hoorden we op 4 oktober in de mond van de Italiaanse president Napolitano bij het pausbezoek aan het Quirinaal. De politieke leiders hebben een enorme verantwoordelijkheid in het sociaal-economisch beleid van een land. Maar geestelijke krachten en gelovige politici kunnen hierin inspireren en mede opbouwend werken. Kardinaal Bertone wees er onlangs op dat de recente wereldwijde financiële crisis tevens te wijten is aan een tekort aan christelijke visie bij de verantwoordelijken. Ook deze dienst van het evangelie zou een gave aan de keizer kunnen zijn.
2. " En geef aan God wat God toekomt."
-
Dit woord is geniaal. Hiermede onttroont Jezus de keizer als God. De keizer is God niet. God is anders. God is de Andere. Jezus desacraliseert de politiek. Meer nog. Niet het muntstuk maar de mens is het beeld van God. Hij is naar Gods beeld en gelijkenis geschapen. Hij draagt Gods handtekening of zegelmerk. Hij behoort aan God. De keizer behoort aan God. De Perzische koning Cyrus behoorde onbewust aan God, en werd instrument in zijn hand (Jes 45,1-6; eerste lezing).
-
De Kerk laat verstaan dat God Liefde is en zich inlaat met de mensheid en haar uiteindelijk geluk (I Tess 1,1-5; tweede lezing). Godsdienst- en gewetensvrijheid waarborgen het recht om vrij en ongedwongen naar de waarheid, naar God te gaan. Dat hadden de studenten van de universiteit “La Sapienza” in Rome niet begrepen, toen ze de komst van paus Benedictus XVI verhinderden. De paus wilde zonder enige dwang wijzen op de waarde van de gevoeligheid voor de waarheid.
-
Waarheid wordt nooit bepaald door een toevallige politieke meerderheid. Waarheid en moraal kunnen niet gestemd worden. De moraal is het domein van God en niet van de keizer. Nooit kan een staat mensen opleggen tegen eigen geloofsovertuiging of geweten te handelen. Dit recht werd in de geschiedenis niet altijd gerespecteerd. Het bloed van de martelaren getuigde hiervan en zal hiervan blijven getuigen. Deze miskenning leefde en leeft nog onder bepaalde dictaturen, waar het staatshoofd voor God speelt en de mens verplettert. Ook in onze democratische Europese landen gaat de wetgeving vaak schaamteloos om met de ethische normen tot nadeel van mens en samenleving. We leven in een tijd waar het vanzelfsprekend wordt het kwaad als een goed voor te stellen. Waar God verdwijnt, verdwijnt de mens. Mocht ook de keizer God geven wat God toekomt.