Er was laatst heel verbazingwekkend, verontrustend en verontwaardiging-oproepend nieuws:
de
agressie naar ambulance-personeel nam toe.In Amsterdam was een
hulpverlener zelfs gewond geraakt. Vreemd: wie valt nu hulpverleners
aan? Heel vreemd. En het waren niet de vijanden van het slachtoffer van
een vechtpartij, maar vrienden van het slachtoffer die dat deden.
Vreemd. Heel vreemd.
Dat doe je toch niet: mensen, die het beste met
je voor hebben, bedreigen en aanvallen? Het is ook bekend van
psychiatrische inrichtingen dat hulpverleners bedreigd worden. Maar die
patiënten zijn dan ook psychisch gestoord.
In het evangelie van
vandaag komen we ook zo’n vreemd verschijnsel tegen. Mensen worden
uitgenodigd voor een feest, maar ze mishandelen en vermoorden de
postboden die de herinneringen rondbrachten. Vreemd, heel vreemd. Ze
konden toch gewoon bedanken voor de uitnodiging? Ze werden toch niet
bedreigd of onrecht aangedaan?
Je hoort ongelovigen wel eens
zeggen dat de kerk vroeger de mensen dom en arm gehouden heeft. Ook dit
is vreemd, want de kerk heeft door vele religieuzen vroeger juist
gratis onderwijs gegeven aan de armen en het in de derde wereld voor de
armen opgenomen, soms ten koste van het leven van vele missionarissen.
Zij kwamen een boodschap van liefde en vrede brengen, maar werden
vermoord.
Wie zijn de genodigden in het evangelie? Het zijn
mensen die naar hun akker of naar hun zaken gingen. De rijken dus. En
het bruiloftsfeest is een beeld van het Rijk der hemelen. Het herinnert
me aan de uitspraak van Jezus: voor een rijke is het moeilijker het
rijk der hemelen binnen te gaan, dan voor een kameel door het oog van
een naald te kruipen. (Tussen haakjes: dat kan een troost zijn voor
speculanten die overtollige rijkdom belegd hebben en nu door de
economische crisis getroffen worden.)
Maar, tot wie spreekt
Jezus als Hij deze gelijkenis vertelt? Tot de hogepriesters en oudsten.
Dat waren de religieuze leiders van het volk. Zij zijn kennelijk de
genodigden die niet wilden komen. Kennelijk misbruikten zij hun
religieuze macht om zichzelf te verrijken.
Dat is in de kerk ook
wel gebeurd, in de donkere middeleeuwen toen vele pausen en bisschoppen
rijk waren en politieke macht hadden. Dat is gebeurd in Amerika waar
vele priesters kinderen misbruikt hebben. En in Oeganda waar de
godsdienstwaanzinnige Joseph Kony vele kinderen gekidnapt heeft om ze
als kindsoldaten gruwelijke martel- en moordpartijen te laten
uitvoeren. In deze wereldmissiemaand wordt uw aandacht en gave gevraagd
voor de slachtoffers van deze rebel en de kindsoldaten die
gereclasseerd moeten worden.
Wat zegt de gelijkenis ons dan, gewone burgers?
Maar
wat mij in het evangelie bij nauwkeurig lezen opviel, dat was het
zinnetje: “Daarop zond hij andere dienaars met de opdracht: zegt aan de
genodigden: zie ik heb mijn maaltijd klaar, mijn ossen zijn geslacht…”
Er staat dus niet dat de dienaar moeten zeggen: “de koning heeft een maaltijd klaar”, maar heel persoonlijk: “ik heb mijn maaltijd klaar, met mijn
ossen.” De koning heeft er zelf veel voor opgeofferd en heeft zelf de
maaltijd bereid en nodigt persoonlijk zijn gasten uit. Hij biedt de
genodigden nog een herkansing. Zoveel waarde hecht hij aan hun komst.
De koning is hier een beeld van God. God nodigt ieder van ons
persoonlijk uit om in zijn Rijk te komen. Hij verlangt naar ons met een
grote liefde.
In de gelijkenis in het evangelie komt geen van de genodigden. De
houding van koning slaat dan om van verlangen en liefde in toorn. Hij
geeft de moordenaars de doodstraf en laat hun stad in brand steken.
Hier
houdt naar mijn idee de vergelijking tussen de koning en God op. De
doodstraf voor de moordenaars is niet in de geest van Jezus: Was het
een bestaand verhaal dat de mensen kenden en dat Jezus in tact laat?
Of vertelt hij het zo scherp als een waarschuwing?
Uiteindelijk
gaat het feest door en mogen gewone mensen komen, slechten zowel als
goeden. Ja, ook de slechten mogen blijven. We weten dat Jezus ook met
slechte mensen omging. Natuurlijk in de hoop dat ze zich zouden
bekeren, zoals Zacheus dat gedaan heeft toen Jezus bij hem aan tafel
ging. We hebben vorige week het een en ander gehoord over het
gevangenispastoraat.
Toch wordt er weer iemand uitgegooid. Die
heeft geen bruiloftskleed aan. Het kan niet gaan om een arme drommel
die geen geld had voor nieuwe kleren, want de dienaars moesten gewoon
iedereen van de straat halen. De bruilofsklederen werden kennelijk
gratis uitgedeeld. Het bruiloftskleed moet dus symbool staan voor wat
anders. Het bruiloftskleed zie ik als het symbool van een juist motief
om zich in te zetten voor het Rijk Gods. Als je je bijvoorbeeld inzet
voor de kerk om eer en aanzien te krijgen, dan ben je niet voor de
bruiloft gekleed. Ik ken iemand die collecteerde voor goede doelen,
maar later bleek dat ze het collectegeld in haar eigen zak stopte. En
die deken in Limburg die geld van de caritas achteroverdrukte om dure
auto’s te kopen. We schrikken steeds en zijn terecht verontwaardigd als
we zulke dingen horen. Maar we mogen door deze schokkende beproevingen
ons geloof niet verliezen, want zelfs één van de twaalf apostelen was
een dief, die uit de gezamenlijke beurs van Jezus en de apostelen geld
wegnam: Judas.
Het gaat er in het evangelie uiteindelijk om
dat we onszelf onderzoeken: we hebben dan misschien een eerste
uitnodiging van Jezus wel aangenomen om het Rijk Gods binnen te gaan,
want we zijn gedoopt en gaan naar de kerk en geven misschien wel eens
wat aan goede doelen. Maar hebben we ons doopkleed nog aan? Hebben we
het bruiloftskleed aan? Onderzoeken wij regelmatig onze levenshouding?
Vragen we nederig om vergeving als we gefaald hebben? Zoeken wij boven
alles de wil van God? Zijn we bereid alles op te offeren voor het Rijk
Gods? Of laten wij toch onze bezittingen en onze zaken voorgaan?
Hebben we ons doopkleed nog aan? (2008)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 28e zondag · groen