VERKONDIGING 25 SEPTEMBER 2011 28e ZONDAG DOOR HET JAAR
Lezingen
Jesaja 25, 6-10a
Psalm 23
Filippenzen 4, 12-14.19-20
Matteüs 22, 1-14
Woord van welkom
Het beeld van God dat ons vandaag geschetst wordt, houdt een uitnodiging in om ons voortdurend open te stellen voor hetgeen Hij ons geschonken heeft. Het feit dat wij leven, dat onze aarde bestaat, dat er mensen zijn die van ons houden, dat mensen ons hun vriendschap schenken, dat mensen die zich voor ons inzetten: we mogen dit beschouwen als geschenken. Als gelovige mensen willen we God dankbaar zijn voor deze geschenken.
De problemen de we kennen, misschien in ons persoonlijke leven, maar ook de enorme problemen van onze samenleving, kunnen ons het gezicht op de gastvrije en overvloedig schenkende God verduisteren.
De eucharistie die we vieren is een voortdurende herinnering aan de vrijgevigheid van God en het is een uitnodiging om weer op nieuw ons te openen voor hetgeen Hij geeft.
Moge de heilige Geest ons allen openen voor de vrijgevigheid van, voor het besef dat we leven uit Gods hand.
HOMILIE
De gastheer uit de parabel van Jezus heeft niet zijn allerbeste humeur. Dat blijkt wanneer de gast buiten wordt gezet die geen passende kleding heeft aangetrokken voor de gelegenheid. Is hem dat te verwijten? Hij is er toch pas in laatste in instantie bij gesleept? Valt de gastheer hem niet lastig met overdreven vormvoorschriften? Moet hij niet blij zijn dat de man op zijn feest gekomen is? Het humeurig gemoed van de gastheer is begrijpelijkerwijs veroorzaakt door de teleurstelling in zijn vrienden, de gasten van wie hij vast en zeker verwachtte dat zij zijn uitnodiging zouden aannemen. Die teleurstelling kunnen we herkennen: als we als gastheer of gastvrouw een feestelijke ontmoeting georganiseerd hebben, hopen we dat onze vrienden enthousiast zullen reageren, dat zij in hun aanvaarding van de uitnodiging de onderlinge vriendschap bevestigen. Als echter de een na de ander zijn prioriteiten elders legt, dan blijkt de vriendschap weinig inhoud te hebben en weinig voor te stellen.
Zo vergaat het de gastheer in de parabel: in plaats van een volle feestzaal, blijven de stoelen onbezet en het eten onaangeroerd. De gastheer neemt zijn toevlucht tot een noodgreep en nodigt mensen uit die de uitnodiging zeker niet zullen weigeren. Hij nodigt mensen uit die anders nooit uitgenodigd worden en zij weten dus zo’n bijzondere gelegenheid wel te waarderen. Maar is de gastheer werkelijk blij met zijn nieuwe vrienden? Of heeft hij al deze mensen slechts uitgenodigd om zijn eerste vrienden een hak te zetten?
Toch is er meer aan de hand dan een bijna mislukt feest. Er wordt in dit verhaal ook iets gezegd van de relatie tussen de gastheer en de gasten – zowel degenen die niet gekomen zijn als de nieuwe gasten die pas later zijn aangeschoven. Jezus wil de luisteraars meenemen in zijn eigen relatie met zijn Vader. Hij spreekt in de parabels niet alleen tegen zijn leerlingen, maar ook tegen de omstanders die liever wat op afstand blijven staan en zich nog geen raad weten met de boodschap van Jezus. Ook die mensen wil Hij met zijn beeldende taal bereiken en een nieuw inzicht en vooral een nieuwe ervaring meegeven over God. Bij de luisteraars in het publiek zijn natuurlijk ook de alomtegenwoordige kritische luisteraars van de Farizeeën en Schriftgeleerden. Al die groepen worden door Jezus uitgedaagd om na te denken of zij zich genodigd weten door de gastheer van het leven en wat hun reactie op die uitnodiging is. Sommigen verwachten dat zij zeker vooraan mogen, anderen menen dat die uitnodiging niet voor hen bestemd kan zijn.
Ook wij zijn luisteraars naar de parabel. Jezus wil ons deze parabel vertellen om ons te openen voor het geschenk van het leven dat God ons geeft. Wat doet dat geloof met ons? Het is niet alleen een parabel die leidt tot dankbaarheid, maar het helpt ons om op een andere manier met het leven om te gaan. Er zijn genoeg mensen die deze agenda links laten liggen en die zich niet genodigd weten omdat zij andere zaken belangrijker vinden. Waar gaan ze aan voorbij?
Dit wordt beschreven in het visioen van Jesaja uit de eerste lezing, dat Jezus ongetwijfeld kende en waarnaar Hij verwijst. Het is een feest voor alle volkeren, een feest dat droefheid kan wegnemen of tenminste kan verminderen, een feest van tranen die worden weggewist en een feest van herkenning: God wordt herkend als bondgenoot, als bron van redding en bevrijding.
Het is een feest omdat God en mens in een nieuwe relatie komen en zelfs degenen die Hem nog niet kenden, gesymboliseerd door de volkeren die van verre komen, zullen Hem herkennen.
Het feit dat een van de gasten geen feestkleed aan heeft, betekent dat de gastheer ook iets terug vraagt van zijn gasten. Hij hoopt dat de uitnodiging hen raakt, hen beïnvloedt. Er groeit een nieuwe manier van leven: in zijn uitnodiging schenkt de gastheer ons een visioen op een toekomst en Hij nodigt ons uit om een bijdrage aan dat visioen te leveren. Hij schenkt ons dromen en idealen, Hij schenkt ons passie en liefde en hij schenkt ons de moed om angsten te overwinnen. Deze evangelische drijfveren kunnen mensen tot een actief en daadkrachtig leven inspireren. Anders dreigt de mens terug te vallen op het nalopen van zijn eigen particuliere belangen. Zeker in tijden van crisis is dat de eerste reflex, de meest natuurlijke houding waarbij mensen hun eigen belangen willen veilig stellen en zich afschermen van de noden van anderen. Dat is een heilloze weg. Dat is net de weg van het evangelie, niet de weg waartoe de gastheer van het gastmaal ons uitnodigt. Trekt je feestkleed aan, vervul je leven met het visioen van Jesaja en maak je leven tot Gods instrument van vrede en geluk.
Amen