27e zondag door het jaar A

A-cyclus · Tijd door het jaar · 27e zondag · groen

Homilie op de 27e zondag door het Jaar A: “Pachters van Gods wijngaard!”

(Jes. 5, 1-7 en Mt. 21, 33-43)

Tielt, 5 oktober 2014

Meermaals krijgen we te horen dat onze misteksten en ook onze preken wel charmant en soms leuk verpakt zijn maar dat de inhoud zo stekelig, agressief en negatief overkomt. Een beetje zoals het lieftallige bietje met zijn hete pootjes in het gedicht van Guido Gezelle of zoals een poezige kattenpoot waaruit plots verraderlijk krabbende klauwen opduiken.

Zo is het vandaag ook met die ontroerend mooie ballade van Jesaja over zijn vriend en diens wijngaard in de eerste lezing en de parabel over de wijngaardeniers in het evangelie. Beide verhalen beginnen zo poëtisch en romantisch, maar eindigen met een bijzonder scherpe veroordeling van het uitverkoren volk Israël in het Oude Testament en van de leiders van het Joodse volk in Jezus’ tijd.

De wijngaard is het beeld van alles wat ons gegeven is, van de vele kansen die ons geboden worden. Over die wijngaard kunnen ook wij het lied zingen van Jesaja. Ook wij werden geplant op een vruchtbare helling, in een rijk land waar het goed is om te leven, midden een volk met mooie tradities, een volk waar de christelijke principes en schoonmenselijke waarden al eeuwen lang ingeplant waren. In onze jeugd werden we omgespit en van tijd tot tijd ingekort en gesnoeid, omdat onze opvoeders wisten dat wilde takken geen vruchten voortbrengen. De wachttoren was er voor de meesten ook: bezorgde ouders, veel lieve mensen die met ons bezig waren. En voor vele mensen is het nog altijd zo.

Wat hebben wij ervan gemaakt? Als we nuchter naar onze wijngaard kijken, moeten we misschien wel toegeven dat hij geen “grand cru” heeft voortgebracht, maar een heel kleine “château” of zelfs een ordinaire tafelwijn. En, als we rondom ons kijken merken we dat onze maatschappij aan het verwilderen is. Niet enkel de wijngaard maar ongeveer alles lijkt op de helling te staan… en de wachttorens staan er verlaten bij.

God zal op vandaag dikwijls met zijn ogen knipperen als hij in ons katholieke Vlaanderen de cijfers ziet van het aantal aanwezigen in de weekendvieringen of als Hij vaststelt dat er dit jaar in al de Vlaamse bisdommen samen slechts één priesterwijding is, in het bisdom Brugge zelfs niet één. God is wellicht teleurgesteld als hij ziet hoeveel getrouwde mensen hun huwelijk voor bekeken houden, hoeveel rijke en verwende kinderen door hun ouders verwaarloosd worden. Hij zucht wellicht bij onze overhaasting uit drang naar bezit, eer en macht, bij het zien van de kinderen die niet meer dankbaar zijn voor hun ouders. God schudt wel eens zijn bezorgde kop als hij vaststelt dat jongeren hun gezondheid kapot maken door drugs en als Hij in onze wijde wereld geen betrachting ziet van het recht, maar verkrachting van het recht.

Misschien is dat de tol die we betalen aan het zelfbeschikkingsrecht waarop we zo gesteld zijn. Dan wordt de euthanasiewet, zelfs voor kinderen, vanzelfsprekend; dan krijg je het recht een gekloond kind te bestellen voor 200.000 euro of 8 miljoen BF. Dan mag je baas zijn in eigen buik. Maar, spijtig genoeg, raakt dan het menselijk geluk misschien zoek. Dan zijn we wel een van de rijkste landen ter wereld, maar tevens één van de koplopers in het aantal zelfmoorden.

Misschien hebben we te veel de pretentie dat we eigenaar zijn van onze wijngaard, van al wat ons gegeven is. We vergeten dat we slechts bescheiden pachters zijn, die de taak hebben hun pachtgoed te verzorgen.

Je bent geen eigenaar van je leven. Heilzaam is het dat te beseffen, al is het maar voor één minuut. Je leven en je gezondheid als een geschenk zien, niet als iets waar je recht op hebt.

Nu kun je je afvragen: Waarom? Het is toch een fijn gevoel, als je je leven onder controle hebt, als je baas bent over je eigen leven.

Dat mag een fijn gevoel geven, maar het is schijn. Bij ziekte of bij tegenslag kan het met een schok tot je doordringen dat je je leven niet in handen hebt, dat je leven en je gezondheid een geschenk zijn.

Dat is ook zo met je kinderen. Je krijgt er misschien geen en, als je ze krijgt, heb je ze niet in handen, weet je niet wat er van hen gewordt: “Je kinderen zijn je kinderen niet”, schreef de Libanese dichter Kahlil Gibran in zijn boek “De Profeet”.

Je ouders zijn een geschenk of een schande. Je kiest ze niet.

Ook je talenten, je carrière en je welvaart zijn een geschenk en bijzonder broos.

Die wijsheid vind je terug in het dagboek van Toon Hermans. Over die donkere periode van enkele maanden depressie die hij gekend heeft, schrijft hij: “Wat moet ik veel inhalen? Kijken, ruiken, luisteren, voelen. Ik ben zo lang in de weer geweest in mijn leven, heb zo’n haast gehad. Ik heb hele lentes overgeslagen. Amper gemerkt dat hun bloei begon. Toen de bladeren al langs de weg lagen, was het me niet eens opgevallen dat ze ooit gebloeid hadden. Ik ben er als een gek aan voorbij gerend, in mijn razendsnelle open auto op weg naar iets. Zoveel herfsten niet opgemerkt. Zomers en winters met al hun tovenarij overgeslagen. Geruild – voor wat eigenlijk?”

Vele mensen sterven zonder ooit geleefd te hebben. Jammer toch!

Met al mijn excuses voor dit bijtend slot van mijn sermoen, voor de hete pootjes van het mooie bietje van Gezelle en voor de scherpe klauwen van de lieve, poezige kattenpoot.

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online