WIE IK LIEFHEB…
Er is een hiaat in mijn opvoeding. Mijn ouders hadden niet zoveel op met dieren. Wel mijn opa, die had kippen en fazanten en zelfs een eekhoorn in een kooi, maar eerbiedig ging men met die beesten niet om. De kippen kregen soms tot vermaak van de volwassenen op zomerse zondagmiddagen een beetje jonge klare te drinken. Dan struikelden ze over hun eigen poten. Ik zie ook nog hoe ze zonder kop wegrenden als ze met een bijl werden geslacht. Steeds werd ons gezegd: “Dat voelen ze niet” en ik ben dat gaan geloven.
Thuis hadden we een konijn, een wit konijntje. Het heette Fanny en we voerden hem weegbree want daar hield hij van. We wisten dat hij met Kerstmis gegeten zou worden. Af en toe ontsnapte hij uit de kooi; dan kwam de buurman, die een groentetuin had met veel kool, Fanny terugbrengen. Hij was boos en hield Fanny bij zijn oren vast. Men troostte mij met de woorden: dat doen moederkonijnen ook bij hun kinderen, en dat ben ik gaan geloven. Tijdens het Kerstdiner zei ik “Fanny is lekker hè!?”, en het verbaasde mij dat mijn vader bits antwoordde dat ik mijn mond moest houden. Kortom, ik heb in mijn kindertijd te weinig geleerd hoe machtig en hoe wonderlijk dieren zijn, hoezeer zij aan ons verwant zijn, hoezeer zijn Gods eigen schepselen zijn, hoezeer zij onze aandacht en liefde verdienen. Ik heb dat later pas geleerd…, van de kinderen!
ALLEEN GEHAKT
Kinderen beschouwen dieren bijna als hun gelijken. Ze ervaren voor hen zorg en een spontaan gevoel van verantwoordelijkheid. Eens zat ik bij mijn broer aan tafel en merkte dat mijn nichtje geen vlees at. Tenminste geen kip en konijn, gehakt dat kon nog net. Ze gaf me te denken. Inmiddels geloof ik dat ook in ons christendom de waarde van de dieren opnieuw doordacht moet worden. Ik geloof dat onze omgang met dieren nog lang niet menselijk genoeg is. Ik geloof dat er veel te veel onnodig geleden wordt tijdens hun leven en tijdens de slacht. Ik geloof dat verandering alleen kan komen als heel breed bij de consumerende mensen de idee postvat dat dieren Gods schepselen zijn waar wij niet zomaar mee mogen doen wat we willen of wat het meeste geld opbrengt. We moeten onze kinderen niet van het idee afbrengen dat dieren werkelijk heel bijzonder zijn.\
DREWERMANN
De Duitse theoloog en psychiater Eugen Drewermann maakt zich dikwijls de tolk, de profeet, van de dieren. Hij vindt dat veel dieren geen waardig leven hebben. Ondanks asielen en zeehondenziekenhuizen, ondanks beschermingsorganisaties, worden er miljoenen dieren mishandeld. Als we de doodskreten van dieren in de vele abattoirs op de wereld met eigen oren moesten aanhoren; we zouden gek worden, schrijft hij ergens. Maar omdat een en ander in het verborgene geschiedt en afgeschermd, kunnen mensen doen alsof hun neus bloedt.\
CHRISTENDOM EN DIER
Het christendom is aan veel dierenleed schuld zegt Drewermann. Schuld is misschien een te groot woord want men wist niet beter. Zeg maar: oorzaak is het christendom van veel leed. Het beweerde namelijk dat dieren geen ziel hebben. Daarom gold het gebod: “Gij zult niet doden” niet voor de dieren. Drewermann herinnert er aan dat de kerk ook eeuwenlang beweerd heeft dat een vrouw geen ziel heeft, en dat slavenhandelaren ook van mensen uit andere continenten hetzelfde beweerd hebben. Ook het bijbelwoord uit het Adam-verhaal: “de mens heerse over de dieren..” is vaak mismaakt tot: “de mens mag vrijelijk over dieren beschikken”. Dat mag hij niet. Als de mens de dieren te slim af is, dan moet hij ze behoeden, zichzelf gedragen als een oudere broer, als een herder.
Ik denk dat Drewermann op belangrijke punten wijst. Het begint steeds meer tot me door te dringen, en het zijn de kinderen die me dat geleerd hebben.\
LEER VAN DE VOGELS
Enige tijd geleden werd Franciscus uitgeroepen tot patroon van het milieu. In de vele legenden die kort na zijn dood ontstonden komt herhaaldelijk een ontmoeting van Frans met dieren voor. Maar veel belangrijker is het zonnelied. Op zijn sterfbed zou Franciscus gezongen hebben over de schepping waar hij zichzelf een onderdeel van wist. Hij zong over de maan als over zijn zus; de wind was zijn broer. De aarden met planten en dieren: het is aan ons verwant, het is niet wat tegenover ons staat, het is wat ons draagt en omvat. Het is heilig.
“Kijk eens naar de volges”, riep ook Jezus. En hij bedoelde niet dat we even onze blik zouden werpen op een vogel; hij bedoelde dat we een voorbeeld zouden nemen aan de raven in de lucht en de lelies op het veld. We kunnen van hen leren. Ze zijn niet in alles onze minderen.
Kerstmis 1952. Ik heb Fanny gegeten met zwarte pruimen erbij. Ik vond het lekker. Ik wist dat Fanny heel gelukkig was geweest; dat ie veel weegbree had gehad, en dat ie -uitgezonderd die paar keer met de boze buurman- veel geaaid was. Ik hoop dat we eens zover komen dat ik dit ook kan zeggen van elk stuk vlees op mijn bord: dat het dier gelukkig is geweest; dat het humaan getransporteerd is; dat het de wei gezien heeft en de wolken, dat het zonder angstgeschreeuw gestorven is.
Laten we met Jezus en Franciscus en met de kinderen opnieuw kijken naar de dieren en beseffen dat ze uit Gods hand zijn.\
DE INSECTEN VAN BAS
*Lieve kinderen.
Bas had Annelies op bezoek. Het was mooi weer buiten. “We gaan insecten sparen”, zei Annelies. Toen gingen ze insecten vangen: torretjes en spinnen, rupsen, mieren, sprinkhanen en slakken. Ze gingen allemaal in een glazen potje met gaatjes in de deksel en groene blaadjes op de bodem. Toen ik bij Bas op bezoek kwam vroeg ik: “Laat me je verzameling eens zien.” Bas haalde twee schoenendozen tevoorschijn met de potjes. Aandachtig begon hij ze te bestuderen. Zij gezicht betrok. Een torretje lag op zijn rug en bewoog niet. Geen mier te bekennen. Ineens rende Bas naar boven en viel snikkend op bed. “Ze zijn dood”, riep hij huilend. “Als ik ze niet had meegenomen leefden ze nog…” Moeder probeerde Bas te troosten. “Als je ze niet had meegenomen waren ze nog veel eerder door een vogel opgepikt”, zei ze. Maar nu werd Bas helemaal bar en boos. Hij duwde zijn moeder de kamer uit en riep: “Maak jij het nog maar erger…” Zo erg vond Bas het dat dieren doodgaan.
Liefde voor dieren dat kun je leren van de kinderen. *