25

A-cyclus · Tijd door het jaar · 25e zondag · groen

In de gymzaal of op het sportveld: de twee grootste, sterkste, lenigste en behendigste jongens/meisjes van de klas. Ze mogen allebei een team samenstellen. Om de beurt kiezen ze. De iets minder dan zijzelf, maar nog altijd behóorlijk grote, sterke, lenige en behendige ándere jongens/meisjes, hun vrienden/vriendinnen misschien; die kiezen ze het eerst. En wie blijven er over, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk? Inderdaad: dat zijn de kneusjes, de stoethaspels en de schlemielen; de jongens/meisjes “die er niets van kunnen”; die níet kunnen voetballen, volleyballen of hockeyen; die daar niet goed in zijn. “Werving en selectie”. Het begint al vroeg in het leven. Zo gáát het in de wereld. “Survival of the fittest”. Degenen die zich groot en sterk weten te maken, díe overleven. Dus je moet zorgen, reeds als kind, dat je “goed mee kunt komen”. Gisteravond tijdens de kindermis kwam de herinnering aan de gymzaal/het sportveld opeens in mij boven. Ik zie mijzelf nog staan. Geen prettige herinnering.

Ik denk, veelgeliefden: Hoe dat nu eenmaal toegaat in de wereld, die “werving en selectie” (als je er goed bij stilstaat is het eigenlijk een gruwelijke en kille terminologie die in die woorden gebezigd wordt); ik denk, binnen en vanuit het kader van ons christelijk geloof behoeft dat correctie. Wíj zouden daar anders mee om moeten gaan. “U moet een leven leiden dat het evangelie van Christus waardig is” schrijft Paulus ons vandaag in zijn brief aan de Filippenzen. Wat houdt dat in dit verband dan in? Wie zou die landeigenaar over wie we in het evangelie hoorden; welke arbeiders zou hij als eersten gehuurd hebben om in zijn wijngaard te werken? Daar wordt verder niets over gezegd, maar ik denk: De kans is groot dat hij toch de potigste kerels er het eerst heeft uitgepikt, mannen in wie hij “iets zag” en waarvan hij dacht: daar heb ik iets aan, die kunnen wérken. Ja logisch. Dezelfde logica als in de gymzaal en op het sportveld. Maar hij denkt dan niet, die landeigenaar: Zó, met deze mannen lukt het me wel. Wat er van die andere lui, die ik niet ingehuurd heb; wat er van hen vandaag terecht komt, hoe die zich redden, hoe die vandaag hun kostje kopen en hun eigen mond en die van kinderen voeden - daar heb ík geen boodschap aan; dat is niet míjn verantwoordelijkheid … Zo denkt die landeigenaar dus niet. God zei tegen Kaïn (Genesis 4, 9): “Waar is je broer Abel?” En Kaïn antwoordde: “Ik weet het niet. Moet ik dan op mijn broer passen?” (“Ben ik dan mijn broeders hoeder?”). Het is duidelijk, veelgeliefden, dat het antwoord van godswege op die vraag van Kaïn; het is duidelijk dat dat “ja” is: Ja, je moet op je broer passen. Je moet inderdaad over hem waken, in de gaten houden of hij het wel goed maakt, of ’t hem wel lukt, of híj wel te eten heeft. Inderdaad, je bént de behoeder van je broer. En die landeigenaar over wie de Heer in het evangelie spreekt veelgeliefden, die heeft dat inderdaad begrepen. Zijn voornaamste bezorgdheid is duidelijk niet: Hoe maak ik zodadelijk een zo scherp mogelijke prijs voor mijn wijn? Nee, zijn voornaamste bezorgdheid is: Hebben al die mensen hier in mijn omgeving, hebben die wel allemaal te eten en te drinken en een dak boven hun hoofd? Hoe gaat het met ze? Zijn ze wel gelukkig? - Dát is zijn zorg.

“Wij hebben de last van de dag en de brandende hitte gedragen” zeggen de werkers van het eerste uur verontwaardigd bij de in hun ogen oneerlijke afrekening. Ja, zo is het. Maar jullie zijn dan ook het sterkst zou de landeigenaar kunnen zeggen. Onze Lieve Heer heeft jullie wat dat betreft het best bedeeld. Wees blij dat je werken kúnt. Want in principe is dat toch iets heerlijks: dat je een gezond lichaam hebt dat goed functioneert. En als jullie het écht zo moeilijk en zo zwaar hebben gehad vandaag bij het werken in mijn wijngaard, zo zou de landeigenaar er nog aan toe kunnen voegen, dan zouden jullie toch aangenaam verrast moeten zijn geweest, toen ik op het derde, zesde, negende én elfde uur steeds weer met nieuwe, frisse arbeidskrachten aan kwam zetten om jullie te helpen: mannen, mensen die weliswaar wat minder stevig uit de kluiten gewassen zijn dan jullie, maar die toch heus óók wel wat kunnen … Zij hebben jullie toch geholpen en jullie zware taak verlicht? Mensen, hoe zat het? Wáren die krachtpatsers echt blij geweest met steeds die nieuwe arbeidskrachten? Ik vraag het mij af. Misschien hebben ze wel veeleer gedacht, wantrouwig: Wat moet dat? Zijn wij niet goed genoeg? Kan hij, de landeigenaar, het niet met ons alléén af? Eigenlijk denk ik, veelgeliefden, daar verdenk ik die werkers van het eerste uur van: dat ze in feite helemaal níet blij waren toen die andere lui op het toneel verschenen. Mensen beleven elkaar váák vooral als concurrenten. Ze voelden waarschijnlijk al aan hun theewater: Hoe moet dat zometeen? Hoe gaat de koek verdeeld worden? Hoe meer arbeidskrachten onze baas inhuurt, des te minder zal er waarschijnlijk voor óns overblijven. In feite worden die haantjes, die kleine koninkjes, door hun baas onttroond en moeten ze een toontje lager zingen. Ze moeten leren: Jullie zijn de enigen niet. Dat jullie zulke geweldenaars zijn, dat betekent nog niet dat andere mensen helemaal níets zouden kunnen. En al helemáál niet dat ook zij niet hun dagelijks brood moeten vinden. “Geef ons heden ons dagelijks brood” bidden we in het gebed dat Jezus ons leerde veelgeliefden. Iedereen, ieder mens op deze aard heeft dagelijks dat brood nodig. En het is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid, wereldwijd, dat ieder mens op aard dat dagelijks brood ook inderdaad kríjgt.

Krijgt? Verdient! zul je bedoelen … Paulus zegt toch zelf ergens in een andere brief van hem: “Wie niet werkt, die zal ook niet eten …”? Ja, dat schrijft hij. Maar, er zijn nu eenmaal mensen veelgeliefden, voor wie dat werken nu eenmaal niet zo is weggelegd. Sinds ruim een jaar hangt er ene Francesco rónd en in onze kerk rond. Op een dag was hij er gewoon. Hij is een italiaan, van Sicilië, nog niet zo oud, dertig-vijfendertig meen ik. Gelukkig spreek ik een beetje italiaans, al moet ik erg m’n best doen om hem te verstaan, want hij praat erg binnensmonds. Francesco zegt steeds dat hij werk wil vinden. “Lavoro”, daar heeft hij het maar steeds over. Maar werk vinden doet hij niet. Wat wil je ook. Hij spreekt geen woord nederlands. En wat zou hij moeten doen? Je zou hem een cent geven. Francesco is echt een verzopen katje. Moederziel alleen op de wereld. Hij dwaalt maar rond, met een afwezige, trieste, weemoedige, kwestbare blik in zijn ogen. ’s Morgens vroeg, als wij hier om zes uur in de kerk de lezingendienst doen, dan komt hij tijdens het gebed vaak binnen. Dan gaat hij liggen op zo’n brede bank achterin en dan valt hij in slaap. Ik denk dat hij dan ’s nachts over straat gezworven heeft. Hij schijnt ook belangstelling te hebben voor de diverse offerblokken in de kerk. Bij Elly Visser en de kosters en de vrijwilligers van de Open Kerk en ook bij mijzelf trouwens gaan dan ook de alarmbelletjes rinkelen als hij weer verschijnt. “Je moet hem in de gaten houden” zo wordt gezegd.

Ik heb over hem zitten peinzen, veelgeliefden, over deze Francesco. Wat moeten wij met zo iemand? Wat moeten wij met hém? Ik denk: Zo iemand, deze Francesco nu, hij wordt ons geschonken als een mogelijkheid om goed voor hem te zijn. Door zo iemand, door hem bijvoorbeeld, kunnen wij genezen van onze hardheid en kilheid die in ons zegt: Wat moet hij hier? Laat ’m voor zichzelf zorgen. Laat hij gaan werken. Laat hem teruggaan naar z’n eigen land. Maar dat is allemaal niet aan ons mensen. Dat is aan Francesco. Hij is nu hier. En wij moeten wat met hem op de één of andere manier. Nee, dat moeten wij niet, dat mógen wij. Want ook hij, deze drop-out, is een mensenkind, kostbaar in God’s ogen. “Wie is nu de naaste van de man die in de handen van de rovers gevallen is?” vraagt Jezus in de parabel van de barmhartige Samaritaan. “Die hem barmhartigheid betoond heeft” antwoordt de wetgeleerde die Hem de vraag stelde: “Wie is mijn naaste?” Dus wat moeten we met zo’n Francesco doen veelgeliefden? Nou, heel eenvoudig denk ik: Laten we proberen om een beetje aardig en lief voor hem te zijn. Laten we proberen hem “goed te doen”. Daar heeft Francesco wat aan die, als italiaan, bij en in de kerk toch zijn veiligheid en wat geborgenheid zoekt. En zeker is dat ook goed voor onszelf als wíj hém goed doen. Hij blijft dan misschien van onze offerblokken af en als wij warmte en vriendelijkheid ontwikkelen in het contact met hem, dan doet dat onszelf ook goed. Amen.

Zoeken in Preken Online