25e zondag door het jaar A (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 25e zondag · groen

Zusters en broeders,

Ik wilde wel eens weten hoe het zat, en nam de spreekwoordelijke proef op de som. Een vriend van mij heeft een bloeiend bedrijf in lijnzaad.
Het was al laat op de avond toen ik hem telefonisch de situatie uiteen deed. Ik vertelde het evangelieverhaal van deze zondag en stelde de vraag: is dit sociaal gerechtvaardigd of niet.
Aan de andere kant van de telefoon bleef het een tijdlang stil. En toen zei hij: als ik in mijn bedrijf dat stuk evangelie in de praktijk breng ben ik binnen de week failliet.
Dat zal wel juist zijn.
Ik heb hem ten stelligste op het hart gedrukt dit stuk evangelie niet in de praktijk te brengen. Hij ging meteen met mij akkoord. Ik heb hem ook gezegd dat hij tenslotte God niet is. Maar dat wist hij al.
Ik herlas het evangelieverhaal, en ontdekte mijn fout. Ik denk dat wij ze allemaal wel eens maken.
Ik dacht in eerste instantie dat het evangelie gaat over wat wij moeten doen. Dat het evangelie lessen geeft in economie, in zakendoen. Niet dus…
Want ik had achteloos over de eerste zin heen gelezen: Met het koninkrijk der hemelen is het…
Niet in de mensenmaatschappij dus, maar in het Rijk van God, daar waar God ten volle Heer is.
Dit verhaal gaat niet over het runnen van een zaak, gaat niet over sociale rechtvaardigheid, gaat niet over sociale moraal…
Het is een PARABEL.
En een parabel leert ons over God. Deze parabel leert ons hoe GOD met ons te werk gaat.
Dit evangelie gaat met andere woorden niet over wat wij moeten doen, maar over datgene wat God met ons doet. En over wat de gevolgen DAARVAN zijn voor ons.

Maar niettemin, goede mensen, over God of niet over God, ik moet toegeven dat het kittelt.
Dat het gaat over God met ons verandert wezenlijk niets aan het blesserende van het verhaal. Doet niets af van de aanstoot die het geeft.
Er is iets in ons dat zich verzet tegen het feit dat God zich niet houdt aan onze menselijke rechtvaardigheidsprincipes. Wij, mensen, wij vinden het niet meer dan normaal dat wie een dag lang werkt meer betaald krijgt dat hij die amper een uurtje heeft gepresteerd.

Maar wat stoort ons dan?
De mateloze goedheid van God?
Zijn wij kwaad, zoals het evangelie het zegt, omdat God goed is?
En omdat juist zijn goedheid ons confronteert met onze kleinheid, onze zwakheid, onze onrechtvaardigheid?
En hoever zou dat dan wel gaan?
Want laat ons de vraag maar stellen, ik stel ze ook aan mezelf… bij wie rekenen wij onszelf? Bij de arbeiders van het eerste uur? Omdat wij toch wel een en ander doen voor de kerk, omdat we al heel ons leven trouwe kerkgangers zijn? Of moedig genoeg om te zeggen: eigenlijk, als we de rekening maken, hoor ik bij de arbeiders van het laatste uur, of van het middaguur, of van welk uur dan ook…
En zouden wij dan niet donders blij en trots moeten zijn, en dankbaar vooral,
Dat God onze rechtvaardigheid niet volgt, maar ze mateloos overtreft…
En moesten we dan arbeiders zijn van het eerste uur, zijn we dan ook WERKERS van het eerste uur?
En gelijk hoe:
Heeft God ons uiteindelijk niet veel meer gegeven dan wat strikt rechtvaardig zou zijn?
Waarom zouden wij dan kwaad zijn tegenover zoveel goedheid…?
AMEN.

Zoeken in Preken Online