Mensen die veel geven om een slanke lijn, zijn stikjaloers op mensen die van alles mogen eten zonder dat er een grammetje bijkomt. Hoe zou je zelf zijn als je van het ene dieet naar het andere sukkelt zonder dat het blijvend resultaat oplevert? Hetzelfde drama doet zich soms voor bij jongeren. De een moet uren studeren en bakt er nog niet veel van, een ander moet er nauwelijks naar kijken en haalt makkelijk onderscheiding. Moet ik nog meer voorbeelden geven die ons doen vermoeden dat het leven oneerlijk is? Of het leven al dan niet eerlijk is, wil ik nog in het midden laten, maar ik wil wel even stilstaan bij de vraag waarom mensen soms het leven als oneerlijk ervaren. Als ik kijk naar de twee gegeven voorbeelden: waarom vindt men dat oneerlijk? Het antwoord is vrij eenvoudig: omdat iets in ons binnenste zegt dat we loon naar werken willen. Iets in ons zegt dat mensen die werken meer beloond moeten worden dan mensen die geen klop doen. In de twee gevallen is het gevoel van oneerlijkheid nog groter omdat men iets doet wat men niet graag doet, diëeten en studeren, en dat het dan nog niks oplevert. Mocht men graag gezond eten en veel bewegen of met zijn neus in de boeken zitten, dan zou de beloning maar bijzaak zijn, het mogen doen zou al voldoende bevrediging kunnen schenken.
Het is nu niet echt moeilijk om van deze twee voorbeelden de brug te maken naar het evangelie van vandaag. Het verhaal van de werkers van het laatste uur komt bij velen als oneerlijk over, zelfs de christelijke vakbond zou dit niet laten gebeuren. Wat er gebeurt in die parabel is ook oneerlijk. Het is een echte parabel: een verhaal met een zo verrassende pointe dat het de omstanders verplicht te reageren. Als we echter het verhaal ontdoen van wijngaard en arbeiders en een economische context en het omzetten naar het Rijk Gods, dan wordt het al wat aannemelijker en begrijpelijker. De boodschap van het verhaal is eenvoudig: wie gelooft in Jezus, ontvangt het “loon” van het eeuwig leven, ongeacht hoe lang en hoe veel men al gewerkt heeft als gelovige. Gelukkig voor veel mensen is het aanbod van Gods liefde geen reclamestunt of een supersolden, maar iets dat altijd geldt. Mocht dat niet zo zijn, we hadden misschien nooit gehoord van Franciscus van Assisi of de grote Augustinus: twee grote namen die maar op “latere” leeftijd een slag van Gods molen gekregen hebben. Rationeel begrijpen we dat, emotioneel zitten we echter ook hier zo met dat rechtvaardigheidsgevoel van loon naar werken. Heeft iemand die mensen vermoord heeft maar zich bekeert en berouwvol is evenveel recht op eeuwig leven als iemand die gans zijn leven gewijd heeft aan God en medemensen? Omdat ik, godzijdank, God niet ben, kan en wil ik niet antwoorden op die vraag. Ik wil wel even nadenken over de vraag. Zal die vraag die net gesteld werd geen vraag zijn van iemand voor wie geloven een last is, iets wat hij of zij normaal niet zou doen? Maar is geloven een last, een opoffering? Voor mij niet. Voor mij is geloven uiteraard ook een opgave bij momenten, maar meestal is geloven eerst en vooral gave, geschenk. Is het niet fantastisch dat er Iemand is die veel groter is dan ik en mij niet nodig heeft, toch Zijn leven wil delen met mij? Ergens zegt er iets in mij dat ik dat niet verdiend heb en het wellicht nooit zal verdiend krijgen. Het wonder van de gratuite liefde die er ook is tussen partners, is er ook bij God. Om het met een psalm te zeggen: wie is de mens dan dat Gij naar hem omkijkt? In die optiek moeten wij niet jaloers zijn op mensen die later net als wij dit geschenk mogen ontvangen, integendeel, zij hebben minder kunnen genieten van dit grootse geschenk.
God wil goed zijn voor alle mensen. We weten allemaal dat onvoorwaardelijke goedheid door sommigen misbruikt wordt en door velen niet gesmaakt. Hoe graag willen godsdiensten God niet in het keurslijf van een strenge rechter duwen die objectief oordeelt, steng maar rechtvaardig? De bijbelse God is zo niet, anders was het joodse volk al lang afgeschreven, net als wij trouwens. Liefde maakt blind en kan barmhartig zijn. Laten we daarom blij zijn telkens weer er iemand de schat van het geloof ontdekt heeft. Vreugde is trouwens ook voor onszelf stukken aangenamer dan jaloezie.