20-21 september 25 ste zondag A-jaar NOËL BOSSUYT : Jes. 55, 6-9
Fil. 1, 20c-24.27a
Mat. 20, 1-16a
Lieve mensen,
Ik, kan me best voorstellen dat je bij het horen van deze eigenzinnige evangelielezing even de
wenkbrauwen hebt gefronst. Heb ik wel goed geluisterd en juist gehoord? Wat is er van onze
God geworden?
We hebben een parabel gehoord. Het woord ‘parabel’ is familie van het woord ‘parabool’,
misschien voor sommigen onder jullie een zoete herinnering aan die boeiende wiskundelessen
in jullie humanioratijd. Een parabool heeft twee brandpunten, één in de figuur, de realiteit en
één op oneindig.
Een parabel vertrekt altijd van de realiteit, vanuit het leven -c’est la vie- en brengt een
utopisch, imaginair, denkbeeldig element binnen, een droombeeld. Met deze bagage kunnen
we terug naar de evangelielezing. In het begin van de parabel lijkt God op een heel andere
God dan degene die we gewoon zijn.
God begeeft zich op het pad van de economie. Hij is de manager van een wijnbouwbedrijf.
Hij gaat arbeiders kiezen voor het dringende werk in zijn wijngaard. Daartoe houdt hij
sollicitatiegesprekken op verschillende momenten van de dag, in shiften. En hij spreekt met
de arbeiders een loon af. De arbeiders van het eerste uur krijgen een denarie. Een denarie
schijnt in die tijd een dagloon te zijn, voldoende om van te leven voor jezelf en je familie.
Met de arbeiders van de volgende shiften spreekt hij een billijke vergoeding af. Billijk is wat
mensen nodig hebben om niet onder het bestaansminimum te komen, waar iedereen recht op
heeft.God gaat op in zijn nieuwe functie. En precies daar ligt ons probleem. Net omdat Hij
zich begeeft in die wereld waar alles moet opbrengen, is Hij niet meer de ‘God-op-zijn-best’
zoals we Hem kennen. Dat Hij op die markt aanwezig is, belet Hem te doen wat wij van Hem
gewoon zijn en verwachten: kiezen voor de zwaksten.
Wanneer de arbeiders van de eerste, tweede, derde en vierde shift , de winnaars, de podium-
springers aan de ‘bak’ zijn gekomen, dan pas valt het oog van God-manager op de losers, de
verliezers. Ze zijn een storende factor, een soort restafval. Zo verblind en behekst was Hij
door het marketingdenken. “Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?”, vraagt Hij
verbaasd aan die hangjongeren. “Er is toch meer dan werk genoeg.”
“Niemand heeft iets in ons gezien” antwoorden ze vrij en vrank. Door die ontwapende en
onthutsende opmerking van die “verliezers-op-de-markt"keert de ‘God-manager’ 180 graden.
Hij bekeert zich en wordt opnieuw de God zoals wij Hem kennen, de God-op-zijn-best’, de
echte Bijbelse God.
Bij het uitbetalen krijgen deze losers één denarie, precies zoals ook de arbeiders van de vorige
shiften. Natuurlijk voelen die zich bedrogen en mopperen ze. Heel terecht volgens de wetten
van de markt-economie. Alleen, zij hebben geen weet en geen besef van het bekeringsproces
die de ‘marketing-God’ heeft doorgemaakt. Vanaf nu kijkt Hij definitief anders naar de
mensen. “Ik wil aan de laatste evenveel geven als aan jou. Pak je geld maar aan en ga”, zegt
Hij.
Lieve mensen,
deze parabel toont ons een God die anders naar de mensen heeft leren kijken. Een God die
zichzelf heeft laten aanspreken en bekeren door de armen. Het verhaal begint met de realiteit
en de wetten van de markt-economie. Maar dan valt het licht op de utopie, op de onmogelijke
droom. “De laatsten zullen de eerste zijn”. Het is de parabel van de omgekeerde wereld. De
parabel van de hunkering naar andere verhoudingen, een andere manier van omgaan met
elkaar. “Zijn jullie jaloers omdat ik goed ben?” vraagt de bekeerde manager van het
wijnbouwbedrijf. De God van de Bijbel roept ons op om vierkant te kiezen voor de minsten,
veel meer, radicaler en consequenter dan we nu doen. Zo moge het zijn.