25e zondag door het jaar A - 2005

A-cyclus · Tijd door het jaar · 25e zondag · groen

“Rond het elfde uur ging de landeigenaar opnieuw uit en vond er weer anderen staan. Hij zei tot hen: ‘Wat staat gij hier de hele dag werkloos?’ Ze antwoordden hem: ‘Niemand heeft ons gehuurd’.”

Zusters en broeders, dat zinnetje bleef hangen toen ik dat evangelie las en herlas. Dat merkwaardige verhaal over die landeigenaar op zoek naar seizoenarbeiders voor zijn wijngaard. Niet minder dan vijf keer trekt hij erop uit om er te vinden: om zes uur ’s morgens, om negen en om twaalf uur, om drie en zelfs om vijf uur in de namiddag. En telkens treft hij arbeiders aan, die hij ook telkens prompt in dienst neemt. Aan die van vijf uur vraagt hij wel waarom ze daar nog staan. Hun antwoord is: Niemand heeft ons gehuurd.

Dat lijkt een duidelijk antwoord, maar het is het niet, want de vraag blijft: waarom heeft niemand hen ingehuurd? Waarom de anderen wel en hen niet? Waren ze misschien oud of nog heel jong? Zagen ze er misschien wat slapjes uit? Waren ze te groot of te klein, te dik of te dun? Of stond hun gezicht de mensen niet aan? Of hadden ze de naam lui te zijn? Vragen en nog vragen die niet gesteld, maar in feite wél beantwoord worden: niemand had hen ingehuurd, niemand vond hen de moeite waard, niemand had hen zien staan, iedereen was aan hen voorbijgelopen. Pijnlijk, echt pijnlijk als niemand je wil.

Zusters en broeders, vorige week las ik in de krant het verhaal van twee Vlaamse jongemannen die eens wilden uittesten welke verlangens een mens echt koestert. Daarom trokken ze voor een maand naar Boedapest, zonder geld of vaste verblijfplaats. In een totaal vreemde grootstad proberen overleven met wat ze bijeen konden bedelen of bijeen konden werken, in het zwart natuurlijk, want een arbeidsvergunning hadden ze niet. Ze hadden niets, alleen zichzelf en hun kleren. En wat bleek? Ze hadden al vlug door dat ze het comfort en het goedgeorganiseerde leven in België heel gemakkelijk achter zich konden laten. Dat te missen deed niet echt pijn. Wat wél pijn deed was de onverschilligheid, het feit dat anderen hen niet zagen staan, dat ze hen negeerden. Dan voelden ze zich echt ellendig. Maar van zodra ze een beetje aandacht, een glimlach, een beetje menselijke warmte kregen, waren ze de koning te rijk. Dan voelden ze zich mens, want niet genegeerd.

Zusters en broeders, ik vraag me af hoe dikwijls wijzelf, misschien onbewust en ongewild, mensen het gevoel geven dat ze niets of niemand zijn, dat ze niet eens bestaan. Niets of niemand omdat wij hen negeren, ontwijken, over het hoofd zien, doen alsof ze er niet zijn. Let wel, ik heb het hier over de mensen met wie we elke dag omgaan, met wie we misschien een gezin vormen, of die we op het werk, op straat, in het warenhuis of bij de kapper ontmoeten. Mensen die we achteloos voorbijlopen. Nochtans zijn het geen vreemde wezens van een andere planeet, maar mensen zoals wij. Misschien dringt het gewoon niet tot ons door dat ze zijn zoals wij, dat ze dus, net zoals wijzelf, een naam hebben, en vader zijn of moeder, kind of kleinkind, broer of zus. Dat ze net als wij houden van hun man of vrouw of kinderen, dat ze dezelfde verlangens hebben als wij: naar warmte, erkenning, begrip, vriendelijkheid. Dat ze delfde pijn kennen als wij: om verlies, om onvrede, om onvervulde verlangens. Dat ze net als wij vrede en vrijheid, werk en geluk, liefde en erkenning willen. Net als wij, ik kan het niet genoeg herhalen, en toch doen we dikwijls alsof ze er niet zijn, alsof ze niet bestaan. Onverschillig lopen we hen voorbij.

Zusters en broeders, die landeigenaar ging op zoek naar arbeiders, en hij nam in dienst wie hij ontmoette. Hij gaf hun niet alleen een eerlijk loon, maar ook erkenning en zelfrespect. Jezus heeft dat altijd gedaan: mensen respect én zelfrespect gegeven. Iedereen was zijn naaste, zonder onderscheid in rang of stand, geslacht of getal: Hij had oog voor iedereen. Laten we dat ook proberen doen, oog hebben voor elkaar en voor elk van onze medemensen. Een vriendelijke groet, een glimlach, een knikje, een handgebaar, een babbeltje misschien. Laten we ervoor zorgen dat geen van de mensen die wij die dag hebben ontmoet ’s avonds tegen zichzelf moet zeggen: ‘Niemand heeft me vandaag ingehuurd. Niemand heeft me vandaag gezien. Voor niemand heb ik bestaan.’

‘Onverschilligheid doodt’, zegt het spreekwoord. Laten wij elkaar en onze medemens geen dood, maar leven geven. Amen.

Zoeken in Preken Online