“Ik wens je veel personeel!” zeiden Amsterdamse joden vroeger wel tegen elkaar als ze een hekel aan elkaar hadden of elkaar wilden plagen. Misschien doen ze het nóg. Ik heb het mij ooit laten vertellen. We kunnen er ons denk ik wel iets bij voorstellen. Goed personeel krijgen en hóuden, dat is voor een werkgever een voorname zorg. Want, aan de ene kant heb je de onderneming, de zaak en alle werkzaamheden die in dat kader verricht moeten worden. En aan de andere kant heb je de mensen die het allemaal zouden moeten doen. En vanzelfsprekend is dat niet.
Want mensen hebben hun kwaliteiten, maar ze kunnen ook hun blinde vlekken en schaduwzijden hebben. Mensen laten soms steken vallen. Je hebt natuurlijk modelwerknemers en -arbeidskrachten, mensen recht van lijf en leden, goed opgevoed, prettig in de omgang, sterk, nooit ziek, zwak en misselijk, met een goed verstand, die hun werk met grote zorg en toewijding doen. De apostel Paulus, zoals we hem vandaag in zijn brief aan de Filippenzen tegenkomen, lijkt mij zo’n typ. “Het is mijn stellige verwachting (…) dat in de volle openbaarheid, zoals altijd, ook nu Christus zal worden verheerlijkt in mijn lichaam, of ik nu levend ben of dood. Want voor mij is leven Christus en sterven winst.” Toe maar! Paulus lijdt niet aan een gebrek aan zelfbewustzijn. Hij twijfelt niet aan zichzelf. Hij geeft zijn leven aan en voor Christus. Hij is Hem volkomen toegewijd. Hij staat geheel in Christus’ dienst en doet hem in alle omstandigheden eer aan, levend of dood. Een goed, een ideaal personeelslid - vindt Paulus duidelijk ook zelf. Maar hij is in dubio: Wat wil ik nu het liefst? Dood zijn? Ja, want dan zal ik helemaal met Christus verenigd zijn. Maar ja, als ik blijf leven, schrijft hij aan de Filippenzen, dan kan ik nog veel voor jullie betekenen, dan kan ik jullie helpen om vooruitgang te boeken op de weg van Christus en bijdragen aan jullie “geloofsvreugde” (mooi woord!). Die Paulus. Wat een krachtpatser. \
Maar ja, zo zit niet iedereen in elkaar. “Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?” vraagt in het evangelie van vandaag de eigenaar van de wijngaard aan de mensen die hij tegen het eind van de werkdag nog aantreft op de plek waar losse arbeidskrachten, dagloners, zich blijkbaar verzamelen? “Omdat niemand ons gehuurd heeft” is het antwoord. Ja, waarom niet? De bijbeltekst vermeldt het niet veelgeliefden, maar we kunnen dat natuurlijk gemakkelijk invullen. Kijk maar wat er bij het sluiten van de markt op de Albert Cuyp aan groenten en bloemen overblijft: het “mindere spul”. Bloemen en groenten “waar iets mee is”: niet vers meer, niet mooi meer, de rot zit er misschien al in. Zo is het met mensen ook. Je hebt populaire mensen van wie iedereen houdt, die door iedereen worden bewonderd, met wie iedereen wel bevriend wil zijn en die iedereen graag in z’n zaak wil. Vaak zijn dat zelfverzekerde mensen die weten wat ze waard zijn. Denk maar aan Paulus. Maar je hebt ook mensen waar “iets mee is”: mensen met een gebrek (niet sterk, niet slim, niet mooi enzovoort). Minkukels! Ridders van de droevige figuur! Vroeger op school als er in het kader van de gymles gevoetbald moest worden. De twee sterkste jongens van de klas mochten allebei een team samenstellen. Ze mochten allebei “kiezen”. En wie bleven er over? Juist. Die. Zo wordt de hiërarchie van mensen gevormd. Op school begint het al. Geen gemakkelijke en plezierige situatie voor de kinderen, voor de mensen “die overblijven”, “die niemand wil”. En niet zo’n goede methode, zo’n keuzeproces, om hen te sterken in hun gevoel van eigenwaarde en om in hen het beste naar boven te halen.
Maar ook die mensen bestaan. Ook zij mogen een plekje onder de zon hebben. Ook zij willen te eten hebben. En hun kinderen als ze die hebben óók. Ook zij hebben allerlei noden, behoeftes en verlangens. Héél goed dus dat de eigenaar van die wijngaard hen überhaupt wáárneemt, dat hij ze ziet stáán.
Ik lees momenteel een boek waarin een zesentachtigejarige Westfriese man zijn leven beschrijft[1]. Hij had graag doorgeleerd, hij had daar ook de capaciteiten voor, maar ze hadden er thuis geen geld voor. Er waren nog negen andere kinderen. Veertien jaar oud, moest hij al gaan werken, bij een boer. Lange werkdagen waren het. Van ’s morgens zes tot ’s avonds zes. En nu op zijn oude dag kan hij zich er nog over opwinden dat de boer en ook de zoon van de boer, die vijf jaar ouder was dan hijzelf, werkelijk geen woord zeiden tegen hem, tegen dat jochie. Hij heeft er vier jaar gewerkt. En al die tijd: geen woord! Alsof hij niet bestond! En in Wenen heeft een oude dame een paar jaar terug nota bene een proefschrift geschreven over “Die unsichtbare ältere Frau”[2], “de onzichtbare oudere vrouw”. Zelfde ervaring: van volkomen genegeerd te worden als alleenstaande oudere vrouw, bijvoorbeeld door de ober op het terrasje. Iedereen wordt gezien en bediend, maar zij niet. \
“Uw gedachten zijn niet mijn gedachten, en mijn wegen zijn niet uw wegen”, hoorden we in de eerste lezing vandaag, uit het boek van de profeet Jesaja. “Zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo gaan ook mijn wegen uw wegen te boven, en mijn gedachten uw gedachten”. God kijkt en doet anders dan de mensen vaak doen. “De Heer is vol liefde en medelijden (…) De Heer is bezorgd voor iedere mens, barmhartig voor al wat Hij maakte”, - zo klonk het in de honderdvijfenveertigste psalm die wij samen hebben gebeden. God ziet ieder mens. Hij “ziet ieder mensenkind voor zich”[3]. En Hij kent geen “aanzien des persoons”[4].
De eigenaar van de wijngaard in de parabel die Jezus vandaag vertelt is een beeld van die God, van de God van Jezus. Ik kom uit een gezin van vijf kinderen. En als vroeger bij ons thuis een kind zich benadeeld voelde ten opzichte van een ander kind, bijvoorbeeld een net wat kleiner stukje van de taart of van de kip kreeg én dan protesteerde, dan irriteerde dat mijn vader: “Je moet niet alles op een goudschaaltje wegen!”. Een belangrijk zinnetje waar ik mee opgevoed ben (hoop ik) en dat, zo dunkt mij, in het verlengde ligt van onze evangelietekst vandaag. Voor mensen die het in de ogen van de wereld “minder goed doen” en derhalve ook minder zouden moeten krijgen, daarvoor is God (nogmaals: in de ogen van de wereld) relatief royaal en ik krijg de indruk dat God graag ziet dat wij dat óók zijn. De waarde van een mens zit ’m voor God niet erin dat wij een perfect radertje zijn in het mechanisme van de samenleving, zit ’m er niet in dat wij voorbeeldig functioneren als werknemer, als gezinslid of wat ook. Mensen proberen te zien zoals God mensen ziet, met liefde. Zien wat mensen nodig hebben en elkaar daarbij proberen te helpen. Dat is onze taak. Amen.