Zusters en broeders,
Ge weet wellicht dat ik in het gewone leven leraar ben. En soms, als mijn leerlingen voor de zoveelste keer iets vragen dat ik echt niet kan of niet mag toelaten, durf ik wel eens zeggen: “Meisjes, jongens, ik ben wel goed, maar niet gek.” En dikwijls laat ik er dan voor alle zekerheid nog op volgen: “Er zijn grenzen aan de waanzin.”
Goed zijn, dat willen we eigenlijk allemaal wel, zeker voor hen die we graag hebben, en die ons zelf ook wel mogen. Maar goed zijn voor iemand die het niet zo op ons gezien heeft, goed zijn voor verwijtende blikken, kwetsende handen, beledigende woorden: dat is een ander paar mouwen. We willen wel véél door de vingers zien, maar niet alles. We willen wel goed zijn, maar niet gek.
Zo dacht ook Petrus erover. Zeven keer vergeven vond hij een aanvaardbaar compromis tussen goed zijn en gek zijn, want zeven, dat is in de Bijbel sowieso al een volmaakt getal. En toch vindt Jezus het niet genoeg, want Hij zegt: “Neenee, niet zeven keer, maar zeventig keer zeven keer moet ge vergeven.” En om het helemaal duidelijk te maken, vertelt Hij het verhaal over die koning die zijn dienaar zomaar, zonder er iets voor in de plaats te vragen, tienduizend talenten kwijtscheldt. Nu moet ge weten dat tienduizend in het Grieks het hoogste getal, en een talent de hoogste geldwaarde is. Het gaat hier dus om een astronomisch bedrag van enkele honderden miljarden, waar de koning met een royaal gebaar de spons over veegt. Maar die dienaar lijkt het niet echt begrepen te hebben, want voor een ander die hem een habbekrats schuldig is, kent hij geduld noch genade. Wat Jezus met zijn parabel wil zeggen is dit: Als God zo mild en zo geduldig omgaat met ons en onze fouten, waar halen wij dan het lef om dat niet te doen.
Ik ben wel goed maar niet gek…. Zusters en broeders, zich hard en onverzoenbaar opstellen geldt dikwijls als een bewijs van karaktersterkte. Maar is dat wel zo? Is het niet precies vergeven en verzoenen dat van sterkte getuigt? Ik denk hierbij aan een verhaal dat ik onlangs las. In de kathedraal van Dublin is er een merkwaardige deur, met in het midden een lang, smal gat. Ze wordt met eerbied bewaard, bijna als een relikwie. En eigenlijk is ze dat ook, een relikwie, want ze is oeroud, en er kleeft een heel mooi verhaal aan. In 1492 betwistten twee adellijke families, de Butlers en de Fitzgeralds, elkaar de macht. Het ging van kwaad naar erger, zelfs tot in de kathedraal werd er gevochten. Een van de Butlers vluchtte in de kapittelzaal en trok de deur achter zich dicht. Toen er daarna in de kerk een dode viel, zag een van de Fitzgeralds in dat het zo niet verder kon, dat er zo nooit een oplossing zou komen. Hij riep Butler toe naar buiten te komen, maar die durfde niet. Daarop hakte Fitzgerald met een bijl een gat in de deur, en hij deed iets heel onverwachts: hij stak zijn hand door het gat en wachtte af. Ofwel hakte zijn tegenstander zijn hand af, ofwel drukte hij ze, in een gebaar van vrede. En het was dat wat gebeurde. De deur kriepte open, beide rivalen vielen elkaar om de hals en sloten vrede.
Zusters en broeders, in dit waargebeurde verhaal zitten alle ingrediënten van verzoening. Als ge u met iemand wilt verzoenen, loopt ge inderdaad een risico: de ander kan de uitgestoken hand weigeren. Maar u niet verzoenen is een nog groter risico, want onverzoenlijkheid leidt alleen maar tot genadeloosheid, verbittering en wrok, en dat is iets afschuwelijks, hoorden we in de eerste lezing, en de wijze profeet voegt daar uitdrukkelijk aan toe: “Alleen een zondaar blijft ermee lopen.” En dààr kunnen wijzelf met z’n allen dan weer aan toevoegen: “En niemand wordt er beter van.”
En dat verhaal leert ons ook dat iemand de eerste stap moet zetten. Iemand die zich bewust is van eigen kleinheid en gebreken. Iemand die zich realiseert dat ook aan hem- of haarzelf veel mankeert, en die tegelijk gelooft dat God ons liefheeft, dat Hij nooit iemand afschrijft, en dat Hij altijd de scherven opraapt die wij maken. Wie dat voor ogen houdt, wie van zichzelf weet dat hij of zij ook geregeld over de schreef gaat, en er zich van bewust is dat God hem of haar toch telkens weer vergeeft, die zal wel twintig keer nadenken voor hij of zich onverzoenlijk opstelt.
Zusters en broeders, in de Bijbel staat dat God de mens schiep naar zijn eigen beeld en gelijkenis. We zijn dus geroepen om beeld van God te worden. En eveneens uit de Bijbel weten we dat vergeving en verzoening in het hart zelf van Jezus’ boodschap staan. En wie Jezus zegt, zegt God. Wie dus weet te vergeven, die is gewoon goed bezig, een beetje gek en heel erg christelijk. Amen.