“Heer, hoe dikwijls moet ik mijn broeder vergeven? Tot zevenmaal toe?” Jezus antwoordde: “Nee, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal.”
Zusters en broeders, het zal u misschien verbazen, maar die zeventigmaal zevenmaal halen we in een gezin gemiddeld om het paar maanden. Met andere woorden, we vergeven elkaar voortdurend. We vergeven elkaar, onze broers en zussen, onze kinderen en kleinkinderen dat ze te laat thuiskomen, slecht gehumeurd zijn, een slecht rapport hebben, met vuile voeten door het huis lopen, keiharde muziek opzetten, te dure kleren kopen en ga zo maar door. Vergeven is het cement dat onze relaties bindt. Kalft de bereidheid om te vergeven af, dan kalven ook relaties af.
Dat is precies wat we de laatste jaren niet alleen binnen de gezinnen, maar in de hele maatschappij meer en meer zien gebeuren. Dagelijks horen we van stukgelopen relaties, verkeersagressie waarbij ook al doden gevallen zijn, burenruzies die uit de hand lopen. Wat nachtelijk lawaai, een kraaiende haan, een zingende kanarie, een treinconducteur en een politieagent die hun werk doen, een chauffeur die net die laatste parkeerplaats inpikt: het is allemaal al voldoende om agressief te worden, naar de rechtbank te stappen, ruzie te maken en erger. Vorige week nog schoot een man in Zelzate zijn buren dood omdat hun schuurmachine volgens hem en zijn vrouw teveel lawaai maakte. Veel mensen staan alleen maar op hun eigen rechten, nemen niets meer van elkaar aan, kunnen elkaar dus ook niets meer vergeven. Onenigheid, misverstanden, vechtscheidingen in plaats van echtscheidingen, vijandigheid nemen hand over hand toe. Terwijl het toch veel eenvoudiger is om te zeggen: ‘Zand erover, we zijn zelf ook maar mensen, dus verre van perfect.'
Zijn we meteen goede christenen als we op die manier reageren? Als we dus voortdurend vergeven? Ik vrees dat ik hier ‘nee’ moet antwoorden. Meer dan een kleine stap in de richting van wat Jezus zegt, zetten we dan niet. We weten immers dat die zeventigmaal zeven staat voor ‘altijd en in alle omstandigheden’, en voor het geval we dat niet zouden begrepen hebben, voegt Jezus daar het verhaal over die koning aan toe die zijn dienaar een schuld van 10.000 talenten kwijtscheldt. Tienduizend: dat was voor de Grieken het hoogst denkbare getal, met andere woorden, het gaat om ondenkbaar en onzegbaar veel. En dat is precies wat Jezus bedoelt: je moet ondenkbaar en onzegbaar dikwijls vergeven.
En dan wordt het moeilijker, want dan gaat het niet meer om te hete soep, vuile voeten of een slecht rapport, maar om kwetsende woorden, vuile streken, bedrog, diefstal, echtbreuk, onrecht, moord en doodslag. Die buur vergeven die je gezin terroriseert en je eigendom vernielt, die zoon vergeven die aan de drugs zit en in de misdaad belandt, die wegpiraat vergeven die een van je gezinsleden het ziekenhuis of het graf inrijdt, die beulen vergeven die jou en je gezinsleden in nazi- en Stalinkampen hebben gemarteld en vermoord, die Dutroux vergeven die je kind heeft ontvoerd, verkracht en vermoord … die mensen vergeven, dat is een ander paar mouwen, dat gaat in tegen onszelf, tegen ons hele wezen.
En toch, zusters en broeders, laat Jezus ons geen andere keuze. ‘Altijd, en in alle omstandigheden’, zegt Hij. ‘Zoals uw Vader in de hemel’, voegt Hij daaraan toe, want het is duidelijk dat die koning die een onnoemelijke schuld kwijtscheldt een beeld is van God. God die nooit iemand opgeeft, God die ook met ons altijd opnieuw wil beginnen, en die ons vraagt hetzelfde te doen. Vergeven is een van de fundamenten van ons christenzijn. Wie niet kan vergeven, kan immers ook niet liefhebben, en liefde is nu eenmaal het fundament van Jezus’ boodschap. God is liefde, dus ook vergeving.
En er is nog iets. Jezus toont zich weer eens een bijzonder knappe psycholoog. Hij weet dat vrede de basis is van menselijk geluk. ‘Welnu’, zegt Hij, ‘waar geen vergeving is, is geen vrede en dus ook geen geluk.’ Wie leeft met een hart vol wrok, zit inderdaad vol, maar dan wel vol wrok. Tijd voor gewoon genieten is er niet, want de wrok neemt alles in. Wrok die naar buiten wil in wraak, in pesterij, in kwetsen, in vernielen. Wrok die onbezorgd leven onmogelijk maakt. Wie vol wrok zit, is slaaf van zijn wrok.
Zusters en broeders, willen we mens zijn, willen we gelukkig zijn, willen we in vrede kunnen leven met anderen en ook met onszelf, dan moeten we kunnen vergeven. Als christen, natuurlijk, maar ook gewoon als mens. Kunnen we niet vergeven, dan leven we niet echt. Laten we dus vragen dat we even sterk zouden worden als Hijzelf. Hij die op het kruis kon bidden: “Heer, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.” En laten we ook vragen dat we sterk genoeg zouden zijn om te doen wat we zo dikwijls bidden: “Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren.” Amen.