Anonieme veroordeling (2005)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

Jaren geleden heb ik eens een bijzondere vrouw ontmoet, die in het dorp waar zij woonde zich met hart en ziel inzette voor haar parochie. Ondanks haar hoge leeftijd bezocht ze zieken in de wijde omtrek, bracht communie rond, hielp mee met woord- en communievieringen, zat in een landelijke oecumenische organisatie, maakte deel uit van het comité dat een monument wilde oprichten voor joodse oorlogsslachtoffers, en bad en mediteerde elke dag, veel en intens. Ze was weduwe en had een volwassen zoon over wie ze zich veel zorgen maakte. Op een dag werd ze door de pastoor uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek. Ze had geen idee waar het over zou gaan, en ging er vol goede moed naar toe. Maar die ontmoeting viel heel anders uit. De pastoor had een anonieme brief ontvangen, waarin meegedeeld werd dat de vader van deze mevrouw onder de oorlog ‘fout’ was geweest, en niet alleen de vader, maar ook deze mevrouw die destijds nog een kind was. Hoe kon de pastoor iemand met zo’n verleden zulke verantwoordelijke taken geven in zijn parochie? Dat alles hield de pastoor haar voor, en met pijn in het hart trok de mevrouw zich terug uit de oecumenische organisatie en uit het comité. Ze was tot in haar ziel gewond, maar met het bezoeken van zieken en met haar gebed ging ze door.
Anonieme brieven zijn de pest voor de kerk, en vormen een toppunt van lafheid in de menselijke samenleving, maar ze doen hun slopende werk al eeuwen. Kennelijk waren er in de tijd waarin Matteüs zijn evangelie schreef ook al zulke misselijk makende mensen actief. Anders zou hij niet de woorden van Jezus neergeschreven, die we zojuist hebben gehoord. De geloofsgemeenschap waarvoor Matteüs schreef bestond uit een mengeling van joden en heidenen, die het op enkele belangrijke punten volstrekt niet eens met elkaar waren. Soms waren er knallende ruzies en scheldpartijen. Zelfs op het allereerste concilie, dat in Jeruzalem plaatsvond, stonden de vertegenwoordigers van de twee richtingen, Petrus en Paulus, als kemphanen tegenover elkaar. Maar in elk geval keken ze elkaar in de ogen. Zij bestreden elkaar niet in het geniep.
In het evangelie van vandaag houdt Jezus ons voor welke stappen je kunt ondernemen, nee, zelfs moet ondernemen, om weer tot harmonie te komen met degenen, die het volstrekt oneens met je zijn. Het conflict is zo hoog opgelopen dat het gedrag van de ander zelfs als “zondigen” wordt bestempeld. In onze kerk van vandaag vallen dat soort zware termen soms ook, en worden er ook harde oordelen geveld. Amerikaanse politici, die zich inzetten voor een zorgvuldige wetgeving rond abortus wordt de communie geweigerd. Priesters die voorstander zijn van de priesterwijding van de vrouw verliezen daarmee automatisch elke kans op een invloedrijke functie in onze kerk, het bisschopsambt is voor hen taboe. Theologen die onderzoeken hoe er tussen de verschillende wereldgodsdiensten bruggen van wederzijds begrip geslagen kunnen worden, worden via een geheim proces uit hun leerambt gezet. Maar ook in het klein en op plaatselijk niveau gebeuren dit soort dingen. Wie er ooit slachtoffer van geweest is, weet hoe je op je ziel getrapt wordt.
Jezus houdt een pleidooi om zelfs met degene, met wie je het volstrekt oneens bent, een gesprek aan te gaan, onder vier ogen. Daardoor voelt de ander zich niet publiekelijk aan de kaak gesteld. Door zo’n gesprek aan te gaan, praat je niet over die ander, maar met hem of haar. Je steekt je hand uit, je gaat samen aan tafel zitten, je laat je kennen als gesprekspartner. Ignatius van Loyola, de stichter van de jezuïetenorde, heeft in zijn beroemde boekje van “De Geestelijke Oefeningen” [nr. 22] hele mooie zinnen geschreven over de kwaliteit van zo’n gesprek: “Ieder goed christen moet eerder bereid zijn de opvatting van zijn naaste te sauveren [te redden] dan te veroordelen. Kan hij ze niet sauveren, dan moet hij vragen hoe de ander ze verstaat. Verstaat die ze verkeerd, dan moet hij hem met liefde verbeteren. Helpt dat niet, dan moet hij alle gepaste middelen zoeken opdat die mening, goed verstaan, gesauveerd wordt.” Om dat in de praktijk te brengen moet je van goeden huize zijn. Je moet willen aanvaarden en geloven dat God van jou houdt, maar ook van die ander. Jullie zijn geen van beiden volmaakt. En waar komt trouwens die drang vandaan om een ander terecht te wijzen? Staar je je soms blind op de splinter in andermans oog, om de balk in je eigen oog niet te hoeven zien? Durf je het definitieve oordeel soms niet aan God over te laten, en wil je het gewas al uitrukken terwijl het nog aan het groeien is, omdat je vindt dat het onkruid is?
Als het je niet op je eentje lukt om de ander op betere gedachten te brengen of respect te krijgen voor diens standpunt, roep er dan anderen bij, stelt Jezus voor. Met zijn drieën of vieren kun je de zaak van meer kanten belichten, en kun je afstappen van een welles-nietes-discussie. Als het dan nog niet lukt, probeer het dan voor te leggen aan de gemeente, de hele kerk die bestaat uit kleine gemeenschappen, plaatselijk, landelijk, in allerlei verschillende culturen. De bisschop van Breda, Tiny Muskens, heeft vorige week opnieuw een pleidooi gehouden voor die methode. Laten we een Derde Vaticaans Concilie houden, zei hij op de televisie, om met alle bisschoppen uit de hele wereld te praten over wezenlijke kwesties, die nu voor problemen en verdeeldheid zorgen. Laten we zoeken naar oplossingen voor het priestertekort door bijvoorbeeld geschikte gehuwde mannen te wijden. Laten we eerlijk kijken naar oplossingen voor het wereldomvattende probleem van Aids.
Voordat je iemand mag bestempelen en behandelen ‘als een heiden of een tollenaar’, dat wil zeggen als het tegendeel van de kinderen Gods, moet je een lange weg gegaan zijn. En dan nog, dan nog, moet je je afvragen of je anderen wel volledig mag afwijzen. Dat is een grote verantwoordelijkheid die niet bij de kerkelijke leiding alleen ligt, maar bij elk van ons. De macht om te binden of te ontbinden wordt niet alleen aan Petrus of de apostelen geschonken, maar aan heel de gemeente, dus aan ieder van ons.
Mocht je tegen deze taak opzien, vraag God dan om hulp, bid er dan om, niet op je eentje, maar juist samen met anderen, en misschien zelfs wel samen met je tegenstander. Ons gezamenlijk gebed strijkt de verschillen niet glad, maar leert ons hoe we naar de toekomst toe kunnen leven, met onze eigen schaduwkanten, maar ook met de schaduwkanten van anderen. Want we zijn geen heiligen, maar wel mensen die geloven in de groeikracht van Gods genade in ons concrete bestaan.
En mocht je ooit een anonieme brief ontvangen, gooi hem dan ongelezen in de prullenbak.

Zoeken in Preken Online