Homilie op de 22e zondag A: Laat je leiden door wat God wil! (Jer. 20, 7-9 en Mt. 16, 21-27)
Tielt, 31 augustus 2014
Heb je ook soms rotervaringen en rotmomenten waarin alles tegenslaat. Ik ook.Vooral als je ten onrechte verdacht gemaakt wordt, als boze tongen met een
onuitputtelijke verbeeldingskracht en nooit geziene vindingrijkheid, ongehinderd door enige dossierkennis, roddels over je verspreiden, . Dan word je moe. Soms wordt het zelfs een collectieve moeheid in een hele familie of een chronische vermoeidheid. Toon Hermans beschrijft dat op zijn geestige, realistische manier: “Pa is moe. Moe is moe, broer is moe en zus is moe, oom is moe, tante moe, iedereen is moe; voorjaarsmoe, najaarsmoe, zomermoe en wintermoe, weekendmoe, levensmoe. Waar moet het naartoe?…”
Jeremia, de profeet van vlak voor de ballingschap, ziet het niet meer zitten. Dat hoorden we in de eerste lezing. Hij is het kotsbeu. Reeds toen Jahweh hem opvorderde voor het profetenambt, had hij het al voorzien en geprobeerd te ontsnappen met het excuus: “Ik ben veel te jong, ik ben maar een stamelaar.” En nu zit hij met de gebakken peren: ze lachen hem uit, doen feestelijk hun goesting en lappen Gods boodschap aan hun laarzen. En in die rotstemming zegt hij: Ik wil er niets meer van weten, gedaan met het spreken in Gods naam!
En in het evangelie maakt ook Petrus zoiets mee. Hij was best bereid Jezus te volgen. Hij hield van Hem en had veel voor Hem over. Vorige week kreeg hij
daarvoor van Jezus een pluimpje. Jezus stelde hem zelfs aan tot chef van zijn
volgelingen. Maar, als Jezus zegt dat Hij veel zal moeten lijden en dat Hij ter dood zal worden gebracht, denkt Petrus dat zoiets te ver gaat. Dat hoeft toch
niet, vindt hij. En dan begint Petrus te marchanderen, af te dingen. Hij probeert
het met Jezus op een akkoordje te gooien en Hem van die gedachten af te brengen. Waarop Jezus boos reageert en zegt: “Petrus, gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.”
Wat de profeet Jeremia en de apostel Petrus overkwam, is ook onze ervaring.
Vroeg of laat krijgt ieder van ons te maken met allerlei vormen van lijden, ontgoocheling, onbegrip, tegenwerking, mislukking: zovele redenen om er de brui aan te geven. Talloze goedmenende mensen zien het niet meer zitten. Toen
ze trouwden, droomden ze van een huwelijk als van een stukje paradijs, maar
ondertussen is het een paradijs in stukjes. Als vader en moeder heb je geprobeerd je kinderen gelovig op te voeden, maar ze trouwen niet en zeker niet
voor de Kerk, en sommige laten zelfs hun kinderen niet meer dopen. En ook je
beste vrienden, op wie je zo sterk vertrouwde, laten je in de steek sinds je zaak failliet ging.
Toen wij priester gewijd werden, zaten de kerken ’s zondags stampvol en nu moeten we vaststellen dat ze leeglopen. Als christelijke kerkgemeenschap staan
we in stijgende mate machteloos tegenover allerlei onderduimse en openlijke vormen van miskenning, bespotting en tegenwerking. Soms wringt het ook in
onszelf en voelen we ons besmet door twijfels en vragen.
Daarop kun je heel verschillend reageren. Sommigen proberen hun lijdenservaring heel filosofisch weg te wimpelen en zeggen: “Dat gaat wel over”
of “Toch schijnt de zon” en soortgelijke clichés. Anderen doen zich stoer voor,
alsof ze ongevoelig zijn voor tegenstand of mislukkingen. Maar ze vergeten dat
ieder mens kwetsbaar is. Voor de oplossing van onze moeheid of ontgoochelingen moeten we echter dieper graven dan verse pampers, een opkikkerende borrel of een paar leuke moppen. Het is telkens weer een nieuwe
levenskeuze.
Al bij al kunnen we het lijden of de tegenkantingen niet uit de weg gaan noch
wegcijferen uit ons bestaan. Weliswaar moeten we ze niet zoeken of koesteren. We moeten ze met alle haalbare middelen trachten te bestrijden, te vermijden of te milderen. Maar verdriet en miskenning blijven een realiteit.
Het eerste dat we moeten doen is onze miserie durven uitspreken, zoals in het
mooie lied: “Mijn dagen zijn door twijfel overmand, ik ben gevangen in mijn
onvermogen.” Bovendien moeten we een antwoord durven zoeken en kracht
vragen om ertegen te kunnen: “Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft… Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft” zingen we in dat zelfde
lied. Tenslotte moeten we durven beleven wat Jezus ons vandaag zei in het evangelie, namelijk: “Wie Mij eerlijk volgt, moet zijn naaste liefhebben en wie
dat doet krijgt leed en lasten van anderen te dragen en tegenwind te verduren.”
Dan zullen we de mensen rondom ons met een andere bril bekijken: met meer
mildheid en soms ook met een tikje humor. De humor, die de dochter is van de
wijsheid, is een zeer evangelische deugd: ze leert ons onszelf en al wat ons kroont of kruisigt, onze successen en onze mislukkingen, te relativeren. Konden we dat maar! Dan zou er zoveel minder stress en depressie zijn: de grote kwalen van onze maatschappij, waaraan zoveel mensen kapotgaan.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt
Homilie op de 23e zondag door het jaar A : “Onder vier ogen” (Ez. 33, 7-9 en Mt. 18, 15-20)
Tielt 7 september 2014
Dom Helder Camara was een Braziliaanse bisschop, die op 90-jarige leeftijd gestorven is in Recife, de stad waar zijn bisschopszetel stond. Hij droeg een houten kruis op zijn vuile toog en verruilde zijn bisschoppelijk paleis voor een eenvoudig onderkomen. Hij was een bisschop die uitdrukkelijk partij koos voor de armen. Dat werd hem door veel rijken niet in dank afgenomen. “Wanneer ik de armen brood geef, noemen ze me een heilige”, zei hij eens. “Wanneer ik zeg hoe het komt dat ze honger lijden, noemen ze mij een communist.” Maar hij werd wereldwijd gewaardeerd om zijn durf en idealisme.
Aan hem kun je denken bij de eerste lezing van vandaag over Ezechiël, die door God als “wachter over het volk” wordt aangesteld. Zoals een poortwachter alarm moest slaan bij naderend onheil, zo moest hij boosdoeners waarschuwen en tot de orde roepen. “Als je dat niet doet”, was Gods boodschap, “ben je medeverantwoordelijk.”
En zo is het nog: je mond houden is het verstandigst. Dan loop je geen risico. Maar, als je je hart volgt en doet wat de H. Schrift zegt, de boosdoener waarschuwt voor zijn slecht gedrag en hem zegt dat hij zich moet bekeren, dan maak je je niet geliefd. Bisschop Camara kon erover meepraten, maar hij volgde meer zijn hart en de H. Schrift dan zijn verstand. Hij was als Ezechiël: een wachter, altijd waakzaam, attent en eerlijk wanneer de armen onrecht werd aangedaan.
Een idealist was hij, maar ook een realist, want hij bad vaak: “Heer, geef me de kracht om te veranderen wat ik veranderen kan en het geduld om te aanvaarden wat niet te veranderen is.”
Ook in dat opzicht was hij een leerling van Jezus. Die was immers een groot idealist, maar ook een realist. Dat blijkt vandaag ook weer.
Zijn ideaal is saamhorigheid, eensgezindheid onder zijn leerlingen, maar Hij is realistisch genoeg om te weten dat het ook maar gewone mensen zijn, met soms verschillende ideeën en tegengestelde belangen.
En zo is het nog: onze Kerk bestaat uit zondige mensen, dikwijls geen haar beter dan anderen en er zijn ook verschillen van mening.
Twee dingen moeten we dan niet doen, zegt Jezus vandaag.
We moeten het meteen niet aan de grote klok hangen, maar ook geen fluistercampagne beginnen. Niet over iemand praten, maar met zo iemand praten. Jezus vraagt ons vandaag om dialoog, om geduld. Hij vraagt er alles aan te doen om de band te behouden.
Voor deze passage staat het verhaal over de herder die op zoek gaat naar het éne verloren schaap. En meteen na deze tekst volgt het stuk evangelie waarin aan Petrus gevraagd wordt te vergeven, niet zeven keer, maar zeventig maal zeven keer.
Al zijn we geen Ezechiël of Helder Camara, ook ons wordt gevraagd te wijzen op onrecht, met elkaar in gesprek te blijven, te zoeken wie verdwaald en alleen zijn en elkaars fouten zeventig keer zeven keer, -dat is eindeloos,- te vergeven.
Dat is misschien allemaal heel idealistisch, maar als realisten geen idealen meer hebben, dan ziet het er beroerd uit voor de wereld.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt