Waar zou u aan denken, vroeg ik me af, als we het lef zouden hebben om
naar de tekst van de eerste lezing te luisteren zonder bij voorbaat het
idee te hebben: O dit is de heilige Schrift, het moeten dus wel mooie
vrome gedachten zijn.
Laten we het maar eens proberen: te luisteren naar die tekst zonder te
bedenken dat het in de Bijbel staat. Wat voor associaties krijgt u er
dan bij? Ik zal u daarna mijn associaties vertellen.
‘HEER, u hebt mij verleid, en ik ben bezweken,
u was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen.
Dag in dag uit lachen ze om mij,
iedereen bespot mij.
Telkens als ik spreek, moet ik schreeuwen:
“Ik word mishandeld, onderdrukt!”
Want de woorden van de HEER brengen mij
dag in dag uit schande en vernedering.
Als ik denk: Ik wil hem niet meer noemen,
niet meer spreken in zijn naam,
dan laait er in mijn hart een vuur op,
dan brandt het in mijn gebeente.
Ik doe moeite om het in bedwang te houden,
maar ik kan het niet.’
Jeremia 20, 7-9 (Nieuwe Bijbel Vertaling)
Ik had het gevoel alsof ik naar het verhaal aan het luisteren ben van vrouwen in een Blijf van m’n lijf huis.
‘In het begin leek alles mooi. We hadden het zo goed samen.
Terugkijkend zeg ik: Ik heb me laten verleiden. Ik was slap, ik kon
geen weerstand bieden.
Later kwamen de vernederingen. Zo groot en gewaardeerd als ik me eerst
voelde, zo klein werd ik later, bespot, uitgelachen, vernederd.
En toch weet ik, wat andere mensen ook mogen zeggen of denken, ik ga
weer naar hem terug. Ik kan niet anders. Ik weet het diep in mijn hart.
Hij heeft een macht over me. Ik moet wel.’
Ik hoop dat u me deze associatie niet kwalijk neemt, want het is nogal
wat om God te vergelijken met een gewelddadige partner. Zeker als u
deze associatie helemaal niet had of misschien zelfs in meerdere of
mindere mate als godslasterlijk beschouwt, dan vraag ik veel van u.
Ik stel uw geduld nog even op de proef, en leg u uit waar míjn associatie vandaan komt.
Wat mij fascineert is de vraag waarom Jeremia zo gegrepen wordt door
God dat hij niet anders kan dan zijn Woord verkondigen, zelfs als hij
daarmee alleen maar geweld, bespotting en vernedering oproept.
Natuurlijk weet ik wel dat elke vergelijking mank gaat. Natuurlijk
realiseer ik me dat het niet God is die Jeremia belastert, beschimpt,
gevangen zet, in elkaar laat slaan, maar wel de mensen van zijn eigen
volk, naar wie hij keer op keer terugkeert met die boodschap van God.
Dat is wat anders dan als vrouw steeds maar bij een vent blijven die
zijn handen niet thuis kan houden, maar toch … De vraag blijft:
waarom doen mensen dit?
Die vrouwen zeggen: Hij heeft toch ook z’n goede kanten. Hij was niet
altijd zo. Hij kan ook heel lief en teder zijn. Hij is vroeger zelf ook
geslagen, vernederd, misbruikt. Het blijft toch de vader van mijn
kinderen. Of zelfs: we houden toch van elkaar.
Jeremia zegt: “Als ik denk ‘Ik wil niet meer’, dan laait er een vuur op in mijn hart. Het brandt in mijn binnenste.”
Wat is dat voor een vuur, waardoor hij niet anders kan? Zijn passie
voor gerechtigheid; zijn liefde voor zijn volk met wie hij het ondanks
alles goed voor blijft hebben; zijn trouw aan God?
En Jezus? Waarom gaat hij naar Jeruzalem, als hij weet dat hij daar
veel moet lijden en gedood zal worden? Waarom zegt Jezus zelfs dat hij
naar Jeruzalem móet gaan?
Dit raakt de kern van ons geloof. Misschien is Jezus daarom ook wel zo
fel tegen Petrus als die probeert hem er van af te houden om naar
Jeruzalem te gaan. Dan stuurt hij Petrus weg, en noemt hem Satan,
degene die (personifieert dat hij) in de weg staat tussen Gods
bedoelingen en - in dit geval - Jezus.
Voor vele christenen is Jezus precies daarvoor gekomen: om te lijden en
te sterven en ons zo te verlossen (van onze zonden). Laat ik het maar
duidelijk zeggen: ik geloof niet dat Jezus gekomen is om gekruisigd te
worden, wel dat hij in zijn léven het onverwoestbaar teken is van Gods
trouw aan en liefde voor de mensen. Omwille van die trouw en die liefde
móest hij wel naar Jeruzalem gaan, mocht hij zijn mensen, Gods lieve
mensen niet in de steek laten, ook al dreigde er gevaar. Dat deze weg
uiteindelijk heeft geleid tot zijn gevangenneming, vernedering,
bespotting, marteling en dood aan het kruis, heeft hij minstens als een
risico zien aankomen en aanvaard. Niet gezocht, niet gewild, wel
volledig geaccepteerd, uit liefde, liefde voor God, liefde voor zijn
mensen.
Daarom ook zegt Jezus tegen zijn leerlingen, zijn leerlingen van alle
eeuwen en dus ook tegen ons: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet
zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en mij volgen. Want
ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn
leven verliest omwille van mij, zal het behouden.’
Ieder van ons krijgt onvermijdelijk haar of zijn portie moeilijkheden
en leed. Wij hoeven het lijden niet op te zoeken. Het christendom kiest
niet voor masochisme, wel voor trouwe liefde voor Gods boodschap, voor
Gods mensen. En dat mag wat kosten. Daar mogen, ja, daar móeten wij ons
leven voor inzetten. Van ons allemaal wordt gevraagd dat wij hiervoor
ons leven geven. Op veel te veel plekken in onze wereld geldt dit ook
vandaag nog in de meeste letterlijke zin, maar ook voor ieder van ons,
hier in Osdorp, in ons relatief veilige Nederland, wordt gevraagd dat
wij ons leven geven, durven delen met een ander: onze liefde, onze
aandacht, onze tijd, ons geloof, ons geld, ons goed, onze hoop. Alleen
door te delen ontdekken we wat werkelijk leven is. Wie elk risico wil
vermijden, wie toegeeft aan zijn of haar angsten, komt niet aan leven
toe, maakt de eigen wereld steeds kleiner, verliest het leven in plaats
van het te behouden.
“Wie zijn leven niet wil geven, niet wil delen met een ander, gaat
verloren. Wie wil geven wat hij heeft, die zal leven, die zal weten dat
hij leeft.”
Waarom in Gods naam toch het lijden aanvaarden? (2008)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 22e zondag · groen